direct naar inhoud van 1.3. Waarom een Structuurvisie RO?
Plan: Structuurvisie ruimtelijke ordening
Status: vastgesteld
1.3. Waarom een Structuurvisie RO?
1.3.1. Nieuwe ruimtelijke vraagstukken

De provincie Noord-Brabant is een dynamische provincie. Deze dynamiek gaat gepaard met forse veranderingen in de Brabantse ruimte, zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040.

Ontwikkelingen als klimaatverandering, economische specialisatie, achteruitgang van biodiversiteit en een afnemende bevolkingsgroei vragen om een herijking van het ruimtelijke beleid. Ook de wensen met betrekking tot het wonen, werken en recreƫren in Noord-Brabant veranderen. Noord-Brabant wil blijven ontwikkelen, maar Noord-Brabant stelt ook eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Het woon-, werk- en leefklimaat in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en de verschillen in identiteit van stad, dorp en landschap staan volop in de aandacht. Daarom gaat de provincie meer dan voorheen duurzaam en zorgvuldig om met de ruimte.

De autonome ontwikkelingen in het landelijk gebied (agrarische bedrijven die stoppen versus schaalvergroting en intensivering) vragen om ontwikkelingsruimte in het landelijk gebied. De provincie wil daar meer dan voorheen ruimte aan bieden, Maar wel met aandacht voor een versterking van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van Brabant.

In het licht van deze opgaven is het vigerende ruimtelijke beleid bekeken. De conclusie is dat een groot deel van het provinciale ruimtelijke beleid nog steeds actueel is en daarom ongewijzigd blijft. Voorbeelden zijn het principe van concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, het verantwoord omgaan met de natuurlijke basis, het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden en het concentratiebeleid voor glastuinbouw en intensieve veehouderijen.

Er is inmiddels wel een apart traject in gang gezet waarin de transitie naar een verduurzaming van de agrofood sector centraal staat. Voor eventuele aanpassingen van beleid die daaruit voortvloeien wordt een zelfstandig traject doorlopen.

1.3.2. Nieuwe rolopvatting

Naast nieuwe ruimtelijke vraagstukken is ook een andere sturing en rolopvatting van de provincie nodig. Door de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening zijn de bestuurlijke verhoudingen flink veranderd.

De provincie kiest in deze structuurvisie nadrukkelijk voor het subsidiariteitsbeginsel. Dat betekent dat de provincie geen werk doet dat mede-overheden ook kunnen doen en werkt met respect voor elkaars verantwoordelijkheid, rol en taak met andere partijen samen. Dit is ook zo afgesproken in de Brabant Code die de Vereniging Brabantse Gemeenten (VBG), de Noord-Brabantse Waterschapsbond en provincie op 30 juni 2008 hebben ondertekend.

De sturing en rolopvatting van de provincie zijn in deze Structuurvisie ruimtelijke ordening per beleidsonderdeel uitgewerkt. De provincie onderscheidt vier manieren van sturen om haar doelen te bereiken. Dat zijn regionaal samenwerken, ontwikkelen, beschermen en stimuleren.

Met haar sturingsfilosofie wil de provincie een balans vinden tussen toelatingsplanologie en ontwikkelingsplanologie. Beide vormen van sturen kunnen niet zonder elkaar en horen bij de provinciale rol. De provincie doet mee in ontwikkelingen en focust op (boven)regionale opgaven en afstemming. Het stellen van heldere kaders biedt duidelijkheid voor nieuwe ontwikkelingen of voor een efficiƫnte uitvoering.

De focus op het bovenlokale schaalniveau en de inzet op regionaal samenwerken, betekent ook dat het overleg op lokaal niveau afneemt. De provincie voert in beginsel overleg op regionale schaal. Lokaal overleg vindt met name plaats op verzoek van gemeenten, bijvoorbeeld om een toelichting te geven op de inzet van provinciale instrumenten (zoals de Verordening ruimte) of in het kader van het wettelijk vooroverleg (artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening). Daarnaast voert de provincie alleen nog lokaal overleg als dat vanuit het provinciaal belang nodig is; bijvoorbeeld vanwege een gebiedsontwikkeling of een lokaal project.