direct naar inhoud van 1.4. Hoe is deze structuurvisie tot stand gekomen?
Plan: Structuurvisie ruimtelijke ordening
Status: vastgesteld
1.4. Hoe is deze structuurvisie tot stand gekomen?
1.4.1. Startnotitie

In het najaar 2008 is in een intensief traject de opgave voor de structuurvisie verkend. In vier regiobijeenkomsten heeft de provincie gesproken met gemeenten, waterschappen, belangenpartijen en burgers. Ook heeft de provincie de Brabanders geconsulteerd via internet. Op basis van de uitkomsten van dit traject heeft de provincie gekozen voor een snel traject met een beperkte herziening van het ruimtelijke beleid.

1.4.2. Voorontwerp

In de eerste helft van 2009 is het voorontwerp van de Structuurvisie ruimtelijke ordening opgesteld. Daarbij hebben gemeenten, waterschappen en andere partijen hun expertise ingebracht in ateliers voor het landschap en regiobijeenkomsten over detailhandel en ruimtelijke economische aspecten. Op de Dag van de Brabantse Ruimte op 15 juni 2009 is de tussenstand van de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Verordening ruimte gepresenteerd.

In het najaar van 2009 heeft de provincie Rijk, SRE, gemeenten, waterschappen en belangenorganisaties uitgenodigd om hun reactie te geven op het voorontwerp van de Structuurvisie RO. De resultaten van dit vooroverleg en van parallele provinciale processen, zoals de Agenda van Brabant, de MIRT-gebiedsagenda en het Provinciaal Waterplan zijn verwerkt in het ontwerp van de structuurvisie. In het vooroverleg hebben gemeenten, de SER-Brabant en de Waterschapsbond gereageerd en hebben de Provinciale Omgevingscommissie, de Adviseurs Mooi Brabant en TELOS advies gegeven. De reacties en adviezen hebben op onderdelen tot aanpassing van de structuurvisie geleid. Dit is in een Nota van vooroverleg opgenomen.

1.4.3. Ontwerp

Het ontwerp van de structuurvisie is op 2 februari 2010 vastgesteld. Daarna is de structuurvisie ter visie gelegd zodat iedereen hiervan kennis heeft kunnen nemen en desgewenst een zienswijze kon indienen. Er zijn in totaal 220 zienswijzen in gekomen, van met name belangenorganisaties, gemeenten en andere overheden, waaronder uit België.

Na de vaststelling van de ontwerp structuurvisie is een aanzienlijke beleidswijziging vastgesteld over de ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen. Veel zienswijzen hebben er op gewezen dat die beleidswijziging nog niet in het ontwerp was verwerkt. Daarnaast zijn er veel zienswijzen ingekomen over de relatie met de MIRT-gebiedsagenda, krimp in relatie tot leefbaarheid, het beleid inzake duurzame energie, recreatie en de groenblauwe mantel, het ontbreken van een financiële paragraaf, de internationale context en de noodzaak voor het opstellen van een aanvullende Verordening ruimte.

De zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in een Nota van Inspraak. De ingekomen zienswijzen en adviezen hebben op onderdelen geleid tot aanpassing van de structuurvisie RO. Daarnaast zijn er ook ambtshalve een aantal wijzigingen doorgevoerd. Dat is in de Nota van wijzigingen opgenomen.

1.4.4. Plan MER

Gelijktijdig met het opstellen van de Structuurvisie ruimtelijke ordening is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. Het doel hiervan is om het milieubelang een volwaardige plek te geven in de besluitvorming over activiteiten die belangrijke gevolgen op het milieu kunnen hebben. De provincie Noord-Brabant is verplicht voor de Structuurvisie ruimtelijke ordening een milieueffectrapport voor plannen (Plan-MER) op te stellen.

Het plan-MER beschrijft de milieueffecten van de beleidswijzigingen ten opzichte van het beleid uit de Interimstructuurvisie, voor zover ze kaders scheppen voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten of activiteiten die gevolgen kunnen hebben op natuurgebieden die beschermd zijn via de Natuurbeschermingswet (Natura 2000-gebieden). Vanwege het abstracte karakter van de Structuurvisie ruimtelijke ordening is het plan-MER ook abstract. Omdat de feitelijke effecten vaak afhangen van de uiteindelijke uitwerking, is het plan-MER er op gericht om aandachtspunten mee te geven voor deze verdere uitwerking.

De samenvatting van de plan-MER is in Bijlage 3 opgenomen. De conclusie uit het Plan-MER is dat de Structuurvisie ruimtelijke ordening een licht positief effect heeft. Dit is vooral toe te schrijven aan de concentratie van de mogelijkheden tot vestiging van grootschalige agrarische, stedelijke en recreatieve voorzieningen. Daarmee worden de kwetsbare gebieden ontzien. Daarnaast biedt de Structuurvisie ruimtelijke ordening betere mogelijkheden voor ontwikkeling van een robuuste groenblauwe structuur. In de groenblauwe structuur zijn namelijk de beeksystemen opgenomen en is met de groenblauwe mantel een soort 'bufferzone' gecreëerd rond de EHS en Natura 2000-gebieden. Hiermee kan beter op klimaatveranderingen worden ingespeeld.

Het plan-MER heeft op onderdelen geleid tot aanpassing van het voorgenomen beleid zoals dat in het voorontwerp van de structuurvisie was opgenomen, bijvoorbeeld ten aanzien van teeltondersteunende voorzieningen.

De commissie voor de M.e.r. heeft op 1 juli 2010 een positief advies uitgebracht over het plan-MER. Dit advies is aan bijlage 3 toegevoegd. Daarbij heeft zij een aantal aanbevelingen gedaan. De reactie op deze aanbevelingen is opgenomen in de Nota van Inspraak.

1.4.5. Watertoets

De wettelijke verplichting om bij ruimtelijke ontwikkelingen een watertoets uit te voeren is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Water Plan.

Bij de toepassing van de watertoets vervult de provincie een dubbelrol: soms is de provincie initiatiefnemer van ruimtelijke plannen, in andere gevallen is zij adviseur vanwege de provinciale waterbelangen. In de rol van initiatiefnemer voor ruimtelijke plannen met relevante waterhuishoudkundige gevolgen past de provincie de watertoets toe. Daarnaast hanteert de provincie de wettelijk voorgeschreven afsprakennotities.

De provincie heeft invulling gegeven aan de watertoets door over de (voor)ontwerp Structuurvisie ruimtelijke ordening ambtelijk en bestuurlijk overleg te voeren met de Waterschapsbond. Bij de ruimtelijke belangen en keuzes is specifiek aandacht geschonken aan diverse wateraspecten die ook door de waterschappen naar voren zijn gebracht. Daarnaast zijn de waterschappen betrokken bij de opstelling van het Plan-MER.