direct naar inhoud van 2.2. Trends en ontwikkelingen
Plan: Structuurvisie ruimtelijke ordening
Status: vastgesteld
2.2. Trends en ontwikkelingen
2.2.1. Ruimtelijke kwaliteit staat onder druk

Dé grote uitdaging voor Noord-Brabant is om het (hoog)stedelijk gebied verder te ontwikkelen tot een krachtig netwerk en tegelijkertijd de groene en blauwe waarden van Noord-Brabant te versterken. De nabijheid van stad en land en de karakteristieke afwisseling tussen stad en land zijn belangrijke kwaliteiten die bijdragen aan een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat in Noord-Brabant. Juist deze kwaliteiten, het zogenaamd 'mozaïek, staan onder druk. De ruimtelijke dynamiek in Noord-Brabant is namelijk groot door de strategische ligging tussen belangrijke economische centra, zoals de Randstad, het Rijn-Ruhrgebied en de Vlaamse Ruit. Door de grote dynamiek ontstaat het gevaar dat de samenhang, maar juist ook de verschillen tussen stad en land en de diversiteit aan kwaliteiten van natuur en landschap verloren gaan. De zorg voor een groene en schone leefomgeving is belangrijk voor een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat. Daarom moeten dynamiek en karakteristiek goed op elkaar worden afgestemd. De belangrijkste opgave voor Noord-Brabant is om stad en land, het mozaïek van Brabant, op een duurzame wijze te ontwikkelen. Stad en land hebben elkaar nodig en versterken elkaar, het zogenaamde 'stadteland'.

2.2.2. Veranderend klimaat

In de komende decennia gaat het klimaat merkbaar veranderen. Er komen vaker extremen in neerslag, de zeespiegel stijgt en de temperatuur gaat omhoog. Wat de ruimtelijke consequenties zijn van de klimaatverandering is nog volop onderwerp van studie. Voorbeelden zijn het verhogen van dijken en creëren van overstroomgebieden.

Het water- en ecosysteem heeft hierin een cruciale rol. Aan de ene kant moeten de pieken in de afvoer goed op worden gevangen. Aan de andere kant is er toenemende behoefte aan extra water om de droogtes te bestrijden. Dit werkt door in de opgave voor de natuur, de landbouw, de recreatie en in het stedelijk gebied.

Ook hogere temperaturen hebben invloed. Het belang van goede (met name noord-zuid)verbindingen tussen natuurgebieden neemt toe om de natuur beter bestand te laten zijn tegen schommelingen in omstandigheden.

In het landelijk gebied zijn er gevolgen voor de landbouw door temperatuurstijging, vernatting (extreme buien), maar ook grotere kans op droogtes. In het stedelijk gebied is de groenblauwe dooradering en de (natuurlijke) afwatering steeds belangrijker vanwege de stijgende temperaturen en het voorkomen van wateroverlast. De stijgende temperatuuren in met name grotere steden heeft een negatief effect op de volksgezondheid.

De opgave is om een klimaatbestendige ontwikkeling van Noord-Brabant te realiseren.

2.2.3. Achteruitgang biodiversiteit

Noord-Brabant is rijk aan natuur. Ondanks de hoge inzet vanaf eind vorige eeuw op het vergroten, verbinden en verbeteren van de natuurwaarden - zoals via de aanpak van de ecologische hoofdstructuur - vindt nog steeds afname plaats in biodiversiteit in én buiten de natuurgebieden. Het ecologische systeem in Noord-Brabant is en blijft kwetsbaar. Het systeem staat nog steeds onder druk als gevolg van veranderend ruimtegebruik en de daaruit voortkomende milieudruk. De opgave is om door te gaan op de ingeslagen weg door natuurgebieden te vergroten, te verbinden en de milieuomstandigheden (gezonde en schone leefomgeving, bodem, water en lucht) te verbeteren en bewezen effectieve maatregelen voor herstel van biodiversiteit te ondersteunen met passend beleid en financiering. Daarnaast staat de opgave om buiten de natuurgebieden de bescherming en vooral de ontwikkeling van natuurwaarden meer dan voorheen te koppelen aan de ontwikkeling van (nieuwe) functies zowel in het buitengebied als in en rond de stedelijke gebieden. Om zo een robuuste en veerkrachtige natuur te realiseren. Investeren in natuur geeft een meerwaarde voor landschap, recreatie en voor het woon- en werkklimaat van Noord-Brabant.

2.2.4. Veranderend landelijk gebied

Het Brabantse landelijke gebied verandert snel. De land- en tuinbouw in Noord-Brabant zit in een belangrijke transitiefase. De wereldmarkt en het Europese beleid (o.a. de POP plattelandsontwikkeling 2013) bepalen dit voor een groot deel. Er zijn twee verschillende ontwikkelingsrichtingen te onderscheiden.

De eerste is de ontwikkeling van een gebiedseconomie met een verdergaande menging van functies en verbreding van agrarische activiteiten met streekproducten, zorgverblijven, recreatief verblijf en landschapsbeheer. Deze ontwikkeling sluit aan op de toenemende vragen vanuit de samenleving (de stad) om het buitengebied meer te kunnen gebruiken voor andere functies. Maar ook bij de behoefte aan het behoud van voorzieningen die belangrijk zijn voor de leefbaarheid van het landelijk gebied voor haar bewoners. Het platteland vervult een belangrijke rol voor recreatie, toerisme en kleinschalige zorgeconomie. Daarnaast is de kwaliteit van het landelijk gebied steeds belangrijker voor een hoogwaardig leef- en vestigingsklimaat van Noord-Brabant. In het landelijk gebied verliezen grootschalige complexen als kloosters en instituten hun functie waardoor er veel gebouwen vrijkomen, met vaak een hoge (cultuurhistorische) waarde en unieke ligging. Door passende functies in deze complexen mogelijk te maken, kunnen deze behouden en ontwikkeld worden.

Een tweede ontwikkelingsrichting in het landelijk gebied is een toenemende specialisatie met schaalvergroting van de landbouw. Dat doet zich in Noord-Brabant vooral voor bij glastuinbouw, intensieve veehouderij, rundveehouderij, akkerbouw, vollegrondstuinbouw en boomteelt. Voor de toekomst van deze vormen van landbouw is het van groot belang verdere verduurzaming van de sector door te voeren en waar mogelijk te versnellen. Hierbij wordt tevens de relatie gelegd met de hele agrofoodketen om zo de verbinding producent-consument te zekeren.

Het wordt in toenemende mate lastiger om deze twee ontwikkelingen in het landelijk gebied met elkaar te combineren. Het leidt tot confrontaties tussen ontwikkelingen onderling en tussen de grootschaligheid en het fijnmazige en afwisselende landelijk gebied van Noord-Brabant.

Bovendien wordt de landbouw geconfronteerd met regelgeving en maatschappelijke wensen op het gebied van milieu, dierwelzijn en volksgezondheid. In Noord-Brabant is de mens-dierdichtheid relatief groot met daardoor een verhoogd risico dat ziekten worden overgedragen van dier naar mens. Dit vraagt om een duurzame landbouw waarbij risico's voorkomen en beheersbaar worden. Uit het oogpunt van volksgezondheid is daarbij vooral de interne bedrijfsvoering van belang.

Door de inwerkingtreding van wetgeving op het gebied van huisvesting van dieren en ammoniak is de verwachting dat een aanzienlijk deel van de bestaande veehouderijbedrijven de bedrijfsvoering zal beëindigen. Bij de overblijvende bedrijven treedt schaalvergroting op. Vooral in een sterk verweven gebied als Noord-Brabant is dit voor de landbouw een belangrijk gegeven.

De opgave is om de ontwikkelingen in het landelijke gebied zodanig vorm te geven dat er sprake is van een duurzaam en vitaal platteland.

2.2.5. Toenemende behoefte aan duurzame energie

De fossiele brandstoffen raken de komende decennia op. Daarom wordt het steeds belangrijker om alternatieven voor fossiele energiewinning te implementeren. Duurzame alternatieven zijn windenergie, warmtekrachtkoppeling, zonne-energie, biomassavergisting en dergelijke.

Windturbines en windmolenparken hebben impact op het landschap. Daardoor ontstaat een dilemma op welke schaal dit kan plaatsvinden: een beperkt aantal grootschalige locaties, vele kleinschalige oplossingen of een combinatie van beide.

Er zijn veel mogelijkheden voor biomassavergisting en warmtekrachtkoppeling op bedrijventerreinen en agrarische locaties. Ook zijn er kansen voor duurzame energie bij agribusiness complexen zoals bij glastuinbouw en de intensieve veehouderij.

De opgave is om rekening houdend met de draagkracht van het Brabantse landschap de transitie naar nieuwe vormen van duurzame energiewinning te realiseren.

2.2.6. Toenemende concurrentie tussen economische regio's

Noord-Brabant is een economisch diverse regio, die goed presteert. Om goed te blijven presteren wordt het concurrerend vermogen van Noord-Brabant steeds belangrijker.

In Noord-Brabant groeit de kennisgeoriënteerde economie. Arbeidsintensieve productie maakt plaats voor kennisintensieve productie, onder meer in de maakindustrie en de landbouw. Het aandeel hoger opgeleiden neemt ook toe. Met de verschuiving van arbeidsintensieve productie naar dienstverlening en kennisintensieve industrie wordt de aansluiting op kennisinstellingen steeds belangrijker. De opgave is Noord-Brabant verder te ontwikkelen als duurzame, op Europees niveau concurrerende, kennisregio met een diversiteit aan florerende economische clusters.

Door de nabijheid van de Randstad, de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied zijn veel kansen voor ontwikkeling benut. De centrale ligging zorgt voor een hoge economische dynamiek. Echter, de internationale bereikbaarheid is minder goed. De ligging van Noord-Brabant kan op termijn beter worden uitgebuit, bijvoorbeeld door hogesnelheidsontsluitingen per spoor en een (inter)nationale luchthaven. De opgave is om de gunstige internationale ligging optimaal te benutten voor het versterken van het vestingsklimaat van Noord-Brabant.

Aan de snelle groei van werklocaties is een einde gekomen. Aan de ene kant worden er nieuwe werklocaties aangelegd, aan de andere kant worden steeds meer verouderde terreinen getransformeerd naar andere functies zoals wonen. Brabant heeft een forse herstructureringsopgave. Door de afnemende groei wordt de kwaliteit van de werklocaties belangrijker voor een goed functionerende ruimtelijk economische structuur. Denk aan de ontwikkeling van duurzame werklocaties, de mogelijkheden voor energiewinning, aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit en differentiatie in werklocaties : hoogwaardige campussen, grootschalige terreinen met milieuhinderlijke bedrijven en gemengde (economische) terreinen. Tevens vervaagt het onderscheid tussen productie- en kantoorachtige bedrijven. Dit vergt meer nadruk op de te ontwikkelen kwaliteiten van werklocaties en meer samenwerking tussen gemeenten vanuit een gemeenschappelijk belang voor de werkgelegenheid.

2.2.7. Afnemende bevolkingsgroei

Het verschil tussen de woningbouwopgave van steden en van dorpen wordt steeds groter. Voor heel Noord-Brabant ligt er nog steeds een aanzienlijke woningbouwopgave. Zo zal tot 2025 de Brabantse woningbouwvoorraad nog met ongeveer 150.000 woningen toenemen. Dat heeft vooral te maken met de voortgaande individualisering en de hiermee samenhangende groei van het aantal huishoudens.

Tot 2020 is het merendeel van deze opgave al vastgelegd in bestaande programma's. De nog resterende opgave is beperkt. De opgave is om prioriteiten te stellen voor de nog te ontwikkelen en te herstructureren woningbouwlocaties. De verwachting is dat de Brabantse woningvoorraad rond 2035 haar maximum bereikt. Vervolgens staat tegenover de sloop van woningen slechts een geringe nieuwbouwproductie. Een substantieel deel van de woningbouwopgave zal in bestaand stedelijk gebied worden opgevangen. Daar liggen belangrijke herstructurerings- en inbreidingsopgaven.

Groei vinden we de komende jaren nog met name in stedelijke concentraties, terwijl gemeenten 'aan de randen' van de provincie te maken krijgen met (een beperkte mate van) krimp. Gelet op de afnemende groei van de woningbehoefte en op termijn zelfs krimp, is het belangrijk om concurrentie tussen gemeenten en regio's, overproductie en leegstand te voorkomen. Regionale afstemming om de woningbouwbehoefte af te stemmen op de vraag is daarom belangrijk. In de gebieden waar krimp op gaat treden, is de zorg voor de leefbaarheid van belang. Met de demografische veranderingen verschuift het accent steeds meer van kwantiteit naar kwaliteit. Een kwalitatieve benadering van de stedelijke ontwikkelingen, biedt kansen voor een verbetering van de leefbaarheid en het behoud van voorzieningen.

Naast de omvang van de woningvoorraad is ook de veranderende samenstelling van de Brabantse bevolking van groot belang bij de woningbouwprogrammering. Zowel naar leeftijd (sterke vergrijzing, afnemende potentiële beroepsbevolking), naar etniciteit (groeiend aantal westerse en niet-westerse allochtonen, arbeidsmigranten) als naar huishouden (sterke groei van het aantal eenpersoonshuishoudens) zal de Brabantse bevolking de komende decennia sterke veranderingen ondergaan. Dit zal ook de woonwensen sterk beïnvloeden.

De demografische ontwikkeling heeft niet alleen gevolgen voor de woningbouwbehoefte maar ook voor de ontwikkeling van andere ruimtevragende functies zoals werklocaties en voorzieningen. De autonome groei uit het verleden stabiliseert. De kwaliteit van locaties wordt steeds belangrijker.

2.2.8. Toename mobiliteit

De mobiliteit in Noord-Brabant groeit in de periode tot 2030 met 40%. De automobiliteit in Noord-Brabant is in de afgelopen 10 jaar met zo'n 25% gegroeid. In de komende jaren zal deze groei zich voortzetten. Zowel de interne als de externe bereikbaarheid van Noord-Brabant staat onder druk. De druk op de achterlandverbindingen vanuit de Randstad naar Duitsland en België neemt toe. Een goede internationale ontsluiting, door de lucht, over spoor en via de weg, van de economische kerngebieden is van groot belang voor het versterken van het vestigingsklimaat in Noord-Brabant.

Als gevolg van de voortgaande internationalisering en de schaalvergroting in de industrie groeien de wereldhandelsstromen. Dit leidt ook tot nieuwe vervoersstromen, waarbij het belang van zee en binnenhavens toeneemt. Dit is voor Noord-Brabant belangrijk vanwege de ligging tussen de havens van Antwerpen en Rotterdam en als achterlandverbinding richting het Ruhrgebied. De opgave is om de logistieke potenties van Noord-Brabant optimaal te benutten. De multimodale ontsluiting van werklocaties wordt een toenemende afwegingsfactor gezien de verwachte groei van de goederenvervoerstromen. Naast het vervoer over water en per spoor neemt het belang van ondergrondse infrastructuur (buisleidingen) toe.

Ondanks de investeringen in de hoofdinfrastructuur en het openbaar vervoer kan de verkeersafwikkeling aan de randen van de stedelijke gebieden in de toekomst toch tot problemen leiden. Hier komen spoorwegen, invalswegen, rondwegen en doorgaande wegen samen. De opgave is om de (inter)nationale concurrentiepositie van de Brabantse steden te versterken door economische kerngebieden, waaronder hoogstedelijke zones en stedelijke knooppunten, te ontwikkelen. Onderdeel daarvan is het duurzaam bereikbaar maken van die economische kerngebieden door ontwikkeling van multimodale vervoersoplossingen voor personen- en goederenvervoer. Dit vraagt om een zo goed mogelijke afstemming tussen infrastructuur en ruimtelijke ontwikkelingen. Daarom is de opgave om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte, zeker bij hoogstedelijke zones en knooppunten.

Door een goede koppeling te maken tussen mobiliteitsopgaven en ruimtelijke ontwikkelingen, technische maatregelen te nemen en bestaande infrastructuur optimaal te benutten, worden nieuwe doorsnijdingen zo veel mogelijk voorkomen voor eventuele verbredingen van wegen, spoor- en vaarwegen. Dit is ook nodig vanuit het oogpunt van leefbaarheid en voor de ruimtelijke inpassing van de infrastructuur, waaronder ook provinciale wegen. De toegenomen mobiliteit geeft een toenemende druk op de volksgezondheid met overlast door geluid, fijnstof en luchtkwaliteit. De provincie streeft daarom naar duurzame mobiliteit met meer nadruk op emissie-arme voertuigen, openbaar vervoer en samenwerking bij transportstromen.