direct naar inhoud van 4.4. Beschermen
Plan: Structuurvisie ruimtelijke ordening
Status: vastgesteld
4.4. Beschermen
4.4.1. Verordening ruimte

De provincie vervult van oudsher een beschermende functie binnen de ruimtelijke ordening. Deze rol blijft de provincie vervullen. Naast bescherming wil de provincie ook ruimte bieden voor ontwikkeling. De provincie vindt dat het bieden van ontwikkelingsruimte, mits zorgvuldig uitgevoerd, in veel gevallen meer bijdraagt aan het behoud van waardevolle elementen dan dat iedere ontwikkeling wordt uitgesloten.

De Verordening ruimte is één van de uitvoeringsinstrumenten die de provincie inzet bij de realisatie van haar doelen en het borgen van haar belangen. Bij de keuze voor het instrument verordening is het belangrijk dat dit het enige instrument is voor de provincie dat vooraf aangeeft waarmee de gemeente rekening moet houden én dat rechtstreeks doorwerkt naar de ruimtelijke besluitvorming op gemeentelijk niveau. In de verordening is gekozen voor een systeem waarbij ruimte wordt geboden voor een afweging op gemeentelijk niveau. Dit betekent dat de provincie vooral kijkt naar de wijze waarop de achterliggende provinciale ruimtelijke belangen zijn behartigd.

In een aantal gevallen is er in de verordening de mogelijkheid opgenomen om tot een aanpassing van de begrenzing van een gebied over te gaan of is een ontheffing
– gekoppeld aan voorwaarden – opgenomen. Dit soort bepalingen draagt bij aan de mogelijkheden tot maatwerk. Vanwege de bestuurslasten die daarmee gepaard gaan, kiest de provincie er voor om terughoudend met dergelijke bepalingen om te gaan. Ontheffingsbevoegdheden voor Gedeputeerde Staten worden met name opgenomen voor ontwikkelingen die een grote impact (kunnen) hebben op de ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant waardoor er provinciale regie of specifieke sturing gewenst is op de in de ontheffingsvoorwaarden genoemde belangen.

De Verordening ruimte is een nieuw instrument. Er vindt periodiek een evaluatie plaats of de verordening ook feitelijk bijdraagt aan de realisering van de doelen en het borgen van de provinciale belangen. Dit kan leiden tot bijstelling van de verordening. Daarnaast kunnen zich ook (nieuwe) ontwikkelingen voordoen, die om aanpassing van de verordening vragen.

4.4.2. Zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit

Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. In de verordening is als hoofdregel opgenomen dat ontwikkelruimte bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Dit vergt een actieve instelling van iedereen die bij een ontwikkeling betrokken is. Essentieel daarbij is dat de basis van Noord-Brabant op orde blijft: er wordt verantwoord omgegaan met bodem, water, natuur en cultuurhistorische waarden.

Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. Voortdurend past de gebruiker het landschap aan zijn wensen aan. Deze continue ontwikkeling is inherent aan een levend landschap. Dat geldt voor zowel voor het stedelijke landschap als voor het agrarische cultuurlandschap.

De zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit omvat dat:

  • er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik;
  • er rekening wordt houden met de omgeving;
  • de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied en wordt uitgewerkt in de Verordening ruimte.

Zorgvuldig ruimtegebruik

De provincie wil dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toepassen. Dit heeft als doel de mogelijkheden in bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten en nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk te voorkomen. Dit betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. Pas als hier geen mogelijkheden zijn of de kwaliteiten van de geplande ontwikkeling hier niet bij passen, wordt er in de omgeving gezocht naar de best mogelijke plek om nieuwe ruimte aan te snijden.

Voor het stedelijk gebied is dit principe uitgewerkt door de toepassing van de zogenaamde SER-ladder. Voor het landelijk gebied wordt een vergelijkbare werkwijze uitgewerkt. Daarnaast geldt dat het bieden van nieuwe planologische ruimte aan ontwikkelingen (al dan niet met bouwmogelijkheden) in beginsel niet mogelijk is. De verwachting is dat veel agrarische bedrijven in de nabije toekomst de bedrijfsvoering beëindigen. Daardoor ontstaat veel ruimte voor hergebruik op de vrijkomende locaties.

De provincie ondersteunt het zorgvuldig ruimtegebruik ook door herstructurering en hergebruik van verouderde locaties in het stedelijk gebied te stimuleren en door sanering van ongewenste functies in het buitengebied, bijvoorbeeld glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of intensieve veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden. Hiervoor zet de provincie ook andere instrumenten in zoals financiële middelen door het Brabantse Herstructurerings Bedrijf (BHB), Ruimte voor Ruimte(-verbreed) en het verdelen van rijkssubsidies voor verouderde woonwijken.

Rekening houden met de omgeving

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt ook in dat ruimtevragers rekening houden met de kwaliteiten van de omgeving. Gebiedskenmerken en omliggende waarden, gebaseerd op de lagenbenadering, zijn leidend bij de vraag 'waar' en 'hoe' de nieuwe ruimte wordt aangesneden. De ruimtelijke onderbouwing van een ontwikkeling geeft aan hoe is omgegaan met de ambities zoals verwoord in de structuren en in de gebiedspaspoorten. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de gebiedskenmerken van de plek.

Een ontwikkeling past bij de maat, schaal en functie van zijn omgeving. Mobiliteitsaspecten en een goede ontsluiting maken deel uit van deze afweging.

Kwaliteitsverbetering van het landschap

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur en maakt de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar.

Voor (planmatige) stedelijke ontwikkelingen bestaat deze zogenaamde rood-met-groen regeling al langer. De provincie wil dit beleid verbreden naar overige ontwikkelingen in het buitengebied.

Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit (bodem, water) en verlies aan ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied, zoals agrarische en recreatieve ontwikkelingen en kleinschalige dienstverlening zijn mogelijk. Ook de ontwikkeling van andere (rode) functies is onder voorwaarden mogelijk. De ruimtelijke onderbouwing van een besluit geeft aan welke bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en hoe dit is geborgd. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of de directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie.

De provincie werkt in de Verordening ruimte een regeling uit. Hierbij wordt uitgegaan van een compact regeling die ruimte biedt aan gemeenten voor maatwerk. Daarnaast ondersteunt de provincie gemeenten in het op gemeentelijk niveau toepassen van dit principe. Daarvoor worden aan het regionaal ruimtelijk overleg werkgroepen landschap verbonden. Deze hebben als doel ervaringen uit te wisselen, de kwaliteitsverhogende maatregelen in het landschap op elkaar af te stemmen en om desgewenst te komen tot gezamenlijke investeringsprogramma's in het landschap. Ook worden er landschapsateliers gehouden om samen met de regio en belanghebbenden de uitvoering van de regeling verder uit te werken. De provincie ziet de inzet van de landschapsateliers als een tijdelijke impuls. Dit wordt over twee jaar geëvalueerd, waarna beoordeeld wordt of deze vorm van samenwerking blijft bestaan, dient te wijzigen of kan vervallen.

De provincie zal de effecten van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en de kwaliteitsverbetering van het landschap op de daadwerkelijke ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant monitoren. Daarvoor wordt een monitor 'ruimtelijke kwaliteit' opgesteld.

4.4.3. Aanvullende regels

Vanuit provinciaal belang is het soms nodig om in aanvulling op de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit zoals in de vorige paragraaf beschreven, specifieke regels te stellen voor de ontwikkeling van functies. Soms ligt de aanleiding daarbij in de bescherming van waarden in een gebied, zoals voor de ecologische hoofdstructuur. In andere gevallen wil de provincie een gebied juist behouden voor een specifieke functie, zoals de landbouwontwikkelingsgebieden, of ontwikkelruimte bieden aan functies, zoals voor niet-agrarische functies buiten bestaand stedelijk gebied.

In de Verordening ruimte zijn de volgende gebieden opgenomen en begrensd: de ecologische hoofdstructuur, de regionale waterbergingsgebieden, de landbouwontwikkelingsgebieden en de glastuinbouwconcentratiegebieden. Vanuit de vier structuren en de ontwerp AMvB Ruimte is er aanleiding om nog enkele gebieden in de verordening op te nemen. Dit zijn de nationale landschappen, de groenblauwe mantel en het agrarisch gebied. De Verordening ruimte geeft voor zover nodig aan welke ontwikkelingsmogelijkheden er in deze gebieden zijn.

Daarnaast verdient de bescherming van onvervangbare cultuurhistorische- en aardkundige waarden (inclusief wijst) speciale aandacht. Het gaat daarbij om de aardkundig waardevolle gebieden en de historische vlakken in de cultuurhistorische landschappen. Als uitgangspunt hanteert de provincie hierbij de (begrenzing van de) gebieden zoals opgenomen op de aardkundig waardevolle gebiedenkaart (GS december 2010) en de Cultuurhistorische Waardenkaart (GS december 2010).

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.sv2010-0003_0013.png"

Kaart 13. Indicatie van de cultuurhistorisch en aardkundig waardevolle gebieden