direct naar inhoud van 2.2. Gemengd landelijk gebied
Plan: Structuurvisie ruimtelijke ordening
Status: vastgesteld
2.2. Gemengd landelijk gebied
2.2.1. Perspectief gemengd landelijk gebied

Beschrijving

De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is.

Gemengde plattelandseconomie

In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etcetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden.

Primair agrarisch gebied

In de primair agrarische gebieden wil de provincie de ruimte voor de aanwezige agrarische functie behouden, versterken en voorkomen dat menging met andere functies leidt tot aantasting van de primaire productiestructuur. In deze gebieden worden daarom geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen gepland op het gebied van verstedelijking, recreatie of natuur. Ook kleinschalige (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die conflicteren met de landbouw worden geweerd.

De primair agrarische gebieden liggen verspreid over de hele provincie. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen. De landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook delen van het verwevingsgebied – bijvoorbeeld rondom landbouwontwikkelingsgebieden – de doorgroeigebieden glastuinbouw, gebieden met een sterke boomteelt of vollegrondstuinbouw, richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.sv2010-0003_0016.png"

Kaart 16. Landbouwontwikkelingsgebieden en glastuinbouwgebieden

Beleid

  • a. Algemeen

Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik uitgangspunt. Uitzondering hierop zijn de primair agrarische gebieden gebieden, die door de gemeente zijn aangeduid. Binnen die gebieden, waartoe in ieder geval de landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij en de vestigingsgebieden glastuinbouw behoren, worden (stedelijke) functies die de ruimte voor agrarische ontwikkeling beperken of functies die strijdig zijn met de landbouwfunctie geweerd.

Buiten de primair agrarische gebieden ontwikkelen functies zich in evenwicht met elkaar en de omgeving. In de kernrandzones is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Rondom natuurgebieden vinden ontwikkelingen plaats op vrijkomende locaties die passen in een groene omgeving. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. Ontwikkelingen houden rekening met hun omgeving en dragen bij aan een versterking van de gebiedskwaliteiten. Dit geldt in het bijzonder voor ontwikkelingen binnen een nationaal, provinciaal of cultuurhistorisch waardevol landschap.

  • b. Intensieve veehouderij

De ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderij zijn opgenomen in de Verordening ruimte. In de gebieden rondom woongebieden of natuur is uitbreiding uitgesloten en streeft de provincie naar sanering van intensieve veehouderijen. In het verwevingsgebied is een beperkte ontwikkeling op duurzame locaties mogelijk als er ook zorg gedragen wordt voor een goede landschappelijke inpassing. In landbouwontwikkelingsgebieden worden ruime mogelijkheden voor ontwikkeling geboden. De intensieve veehouderij levert een bijdrage aan het opwekken van biogas door de vergisting van mest en biomassa.

  • c. Melkveehouderij

De melkveehouderij maakt een transitie door van grondgebonden landbouw naar niet-grondgebonden. Daarbij worden koeien (vrijwel) het hele jaar in stallen gehuisvest. Een toenemend aantal bedrijven krijgt daardoor de eigenschappen van de intensieve veehouderij. Zodra dit het geval is, moet het melkveebedrijf aan de voorwaarden voldoen voor de intensieve veehouderij. De grondgebonden melkveehouderij is gewenst in de de open rivierkleigebieden.

  • d. Glastuinbouw

Het concentratiebeleid voor glastuinbouw in Noord-Brabant wordt voortgezet. Belangrijk aandachtspunt is een verdere verduurzaming van de sector. Glastuinbouwbedrijven maken steeds meer gebruik van duurzaam opgewekte energie en restwarmte en wekken ook zelf energie op. Het streven is dat glastuinbouw (op termijn) netto meer energie oplevert dan dat zij verbruikt.

In het beleid wordt onderscheid gemaakt in vestigingsgebieden, (mogelijke) doorgroeigebieden, solitair gevestigde glastuinbouwbedrijven en ondersteunend glas.

Ontwikkelingsmogelijkheden voor glastuinbouw liggen met name in de (project)vestigingsgebieden glastuinbouw. De ontwikkelingsmogelijkheden van solitaire glastuinbouwbedrijven zijn beperkt om zo concentratie van glastuinbouw te bevorderen. Bovendien streeft de provincie naar sanering van glastuinbouwbedrijven uit kwetsbare gebieden.

De nadere uitwerking van (mogelijke) doorgroeigebieden glastuinbouw wordt in beginsel voortgezet; voor deze gebieden ligt opname als primair agrarisch gebied in de rede. Voor de (mogelijke) doorgroeigebieden glastuinbouw bij Roosendaal-Heerle, Veghel, Halderberge en Woudrichem-West wordt in overleg met de gemeenten, revitaliseringscommissies en ondernemers bezien of voortzetting van het beleid gewenst is.

Het oprichten van ondersteunend glas is in principe overal in gemengd landelijk gebied mogelijk. Om doorgroei naar een glastuinbouwbedrijf tegen te gaan, is het nodig een maximum aan de omvang van ondersteunende kassen te stellen. In een aantal gebieden biedt de provincie ruimere mogelijkheden voor het oprichten van teeltondersteunende kassen, mits daardoor geen doorgroei naar een solitair glastuinbouwbedrijf ontstaat.

  • e. Boomteelt

In Brabant is de boomteeltsector sterk vertegenwoordigd en neemt een steeds belangrijkere positie in binnen Nederland. Boomteelt concentreert zich vooral rondom Zundert, in de regio Haaren en in het Land van Cuijk. Vanwege deze belangrijke economische positie willen wij ruimte bieden aan de verdere ontwikkeling van deze sector. De ontwikkelingsmogelijkheden voor boomteelt zijn afhankelijk van het type teelt en de landschapskwaliteiten, zoals beschreven in de gebiedspaspoorten. In een aantal boomteeltgebieden biedt de provincie verruimde mogelijkheden voor het oprichten van ondersteunende kassen. Randvoorwaarde daarbij is dat deze gebieden buiten de cultuurhistorisch waardevolle gebieden liggen. De ontwikkeling van boomteelt is niet gewenst in de open zee- en rivierkleigebieden.

  • f. Akkerbouw en vollegrondsgroenteteelt

Bepaalde delen van Noord-Brabant worden gekenmerkt door akkerbouw, de teelt van akkerbouwmatige groenten en intensieve vollegrondsgroenteteelt op grote percelen.

Deze sectoren zijn beeldbepalend voor het landschap en zijn gebaat bij een goede infrastructuur en verkaveling. Op het bouwblok wordt voldoende ruimte geboden voor opslag en voorbewerking. Door het intensieve karakter is de vollegrondsgroenteteelt enigzins vergelijkbaar met boomteelt en glastuinbouw, met name waar het gaat om gebruik van teeltondersteunende voorzieningen.

  • g. Teeltondersteunende voorzieningen (TOV)

Teeltondersteunende voorzieningen hebben een grote impact op de ruimtelijke beleving, het bodem- en watersysteem en natuur- en landschapswaarden. Daarom zijn permanente voorzieningen alleen mogelijk binnen agrarische bouwblokken, bijvoorbeeld op een differentiatievlak. Tijdelijke voorzieningen zijn over het algemeen goed inpasbaar buiten het bouwblok. In de cultuurhistorisch waardevolle gebieden kunnen beperkingen worden gesteld aan het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen.

  • h. Vrijkomende agrarische bebouwing

Door het beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering komen er bedrijfslocaties vrij. Binnen het gemengd landelijk gebied is de ontwikkeling van woon-, recreatie- en werkfuncties mogelijk. Ontwikkelingen passen qua aard, schaal en functie in de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. De noodzaak of wens tot sanering van overtollige bedrijfsbebouwing wordt betrokken bij de toepassing van de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit (deel A paragraaf 4.4). Er wordt rekening gehouden met (ontwikkelingsmogelijkheden van) omliggende bestaande functies, zoals volwaardige agrarische bedrijven, recreatiebedrijven of woonfuncties.

In de primair agrarische gebieden blijft er behoefte aan locaties voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven. Het is daarom belangrijk dat de agrarische bestemming wordt gehandhaafd.

  • i. Bezoekers intensieve recreatieve voorzieningen

Bestaande bezoekersintensieve recreatieve voorzieningen kunnen zich in beginsel verder ontwikkelen. De nieuwvestiging van bezoekersintensieve recreatieve voorzieningen met een duidelijke gebondenheid aan het buitengebied is mogelijk op goed ontsloten locaties. Bij de ontwikkeling van verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van recreatieparken vraagt de provincie dat een bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd.

Ontwikkelingen houden rekening met (ontwikkelingsmogelijkheden van) omliggende bestaande functies, zoals volwaardige agrarische bedrijven of woonfuncties. Daarom zijn in de primair agrarische gebieden bezoekersintensieve recreatieve voorzieningen niet gewenst.

  • j. Wonen, werken, cultuurhistorie, recreatie, natuur en water.

Het gemengd landelijk gebied is een veelzijdige gebruiksruimte. Ontwikkelingen, zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. De ontwikkeling van functies is in beginsel alleen mogelijk op vrijkomende locaties. Er wordt rekening gehouden met (ontwikkelingsmogelijkheden van) omliggende bestaande functies, zoals volwaardige agrarische bedrijven, recreatiebedrijven of woonfuncties.

Binnen de primair agrarische gebieden is de provincie terughoudend met de (verdere) ontwikkeling van niet-agrarische functies. De land- en tuinbouw heeft in deze gebieden het primaat.

Binnen de gebieden met een medefunctie voor waterberging wordt de ontwikkeling van functies afgestemd op deze waterbergende functie. De inrichting van de gebieden draagt bij aan de identiteit van het landschap (zie verder deel B 1.4 Waterbergingsgebied).

2.2.2. Uitvoering gemengd landelijk gebied
De sturing en uitvoering die hieronder is aangegeven richt zich op het hele landelijke gebied. Bij de uitvoering en sturing op accent agrarische ontwikkeling (paragraaf 2.3.2) is alleen de aanvullende sturing aangegeven.  

Ontwikkelen

  • Gebiedsontwikkelingen Het Groene Woud, De Beerze, de Brabantse Wal.
  • De provincie participeert in de ontwikkelingsmaatschappijen Ruimte voor Ruimte, Tuinbouwontwikkelings maatschappij (TOM) en Agro&Co.
  • De LOG-projecten en vestigingsgebieden glastuinbouw die als focusprojecten in het programma Landelijk gebied zijn benoemd.

Juridische instrumenten

  • De Verordening ruimte stelt regels ten aanzien van:
    • 1. het beleid voor de integrale zonering voor de intensieve veehouderij;
    • 2. het concentratiebeleid voor glastuinbouw;
    • 3. de regeling ruimte voor ruimte (AMvB);
    • 4. agrarische ontwikkelingsmogelijkheden anders dan de intensieve veehouderij en glastuinbouw;
    • 5. de ontwikkeling van niet agrarische functies, zoals wonen, werken, recreatie(woningen), landgoederen en niet-agrarische bedrijven in het landelijk gebied (AMvB);
    • 6. ontwikkelingsmogelijkheden voor complexen van cultuurhistorisch belang (historische landgoederen, kloosters, industrieel erfgoed, e.d.);
    • 7. het beleid voor teeltondersteunende voorzieningen;
    • 8. de begrenzing en uitwerking van kernkwaliteiten van de nationale landschappen Het Groene Woud en de Nieuwe Hollandse Waterlinie (AMvB).

Subsidies

  • Saneringsregeling glastuinbouw in kwetsbare gebieden; om de concentratie te bevorderen wil de provincie 75 bedrijven saneren (en eventueel verplaatsen) uit kwetsbare gebieden.
  • Stimuleringskader groenblauwe diensten en subsidie soortenbescherming.
  • Duurzaamheidsimpuls landbouw met de modules: luchtwassers, verduurzaming, biologisch en verbreding.
  • Investeringsbudget Landelijk Gebied van het Rijk (ILG).
  • Ondersteuning van het Landbouw Innovatie Bureau (LIB).
  • Verplaatsingsregeling intensieve veehouderijen (VIV) en Beëindigingsregeling intensieve veehouderijen (BIV).

Overleg en bestuurlijke afspraken

  • De bestuursovereenkomst revitalisering (2005): In deze overeenkomst hebben provincie en gemeenten de afspraken neergelegd die samenhangen met de uitvoering van het Programma Landelijk gebied.
  • De provincie coördineert en participeert in regionale projecten en samenwerkingsverbanden zoals het nationale landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie en de gebiedsontwikkeling van de Maashorst.
  • De provincie bevordert - in samenwerking met gemeenten - de afwaartse beweging van intensieve veehouderijen rondom natuur- en woongebieden.
  • De provincie maakt afspraken met de gebieds- en reconstructiecommissies over de realisering van de 53 focusprojecten die in het Programma Landelijk gebied zijn benoemd.
  • 2e bestuursovereenkomst Water tussen provincie en waterschappen, deze loopt tot 2013. Hierin zijn afspraken gemaakt tussen waterschappen en provincie over realisering en financiering van onder andere regionale waterbergingsgebieden.
  • De provincie overlegt binnen het Platform duurzame glastuinbouw met betrokken partijen om tot een samenhangende aanpak te komen van duurzaamheid voor de sector.
  • De provincie bespreekt de status van de (mogelijke) doorgroeigebieden Roosendaal-Heerle en Veghel, Halderberge en Woudrichem-West met de betrokken gemeenten, revitaliseringscommissie en belanghebbenden. Dit proces is uiterlijk in 2011 afgerond.
  • In overleg met de betrokken gemeenten en belanghebbenden wordt bezien welke positie de provincie inneemt om de verdere ontwikkeling van de Efteling en Beekse Bergen te ondersteunen.
  • Stuurgroep LIB (provincie en de ZLTO) richt zich op een verduurzaming van de landbouw door innovaties.

Communicatieve instrumenten

  • De provincie ondersteunt gemeenten bij communicatieopgaven rondom LOG's en afwaartse beweging.
  • De provincie maakt - in het kader van de provinciale Monitor Ruimtelijke kwaliteit - in 2010-2011 een Nulmeting Landschapselementen en ontwikkelt een monitoring onderdeel Landschap die gebaseerd wordt op de kenmerkende landschapsstructuren en elementen.
  • Om ontwikkelingsmogelijkheden aan de glastuinbouwsector te bieden streeft de provincie naar een groei van het areaal glastuinbouw in 2020 tot circa 1800 hectare (exclusief ondersteunend glas), onder andere door de ingebruikname van de projectvestigingsgebieden bij Deurne en Dinteloord. In 2015 is het streven er op gericht dat 75 % van het totaal areaal glas in een concentratiegebied voor glastuinbouw is gevestigd. De provincie monitoort 2-jaarlijks de toename van het glasareaal om een ongecontroleerde groei te voorkomen.
  • De provincie geeft informatie (o.a. via rapportages en de provinciale website) en advies over de beoogde landschappelijke doelen en de waarden van provinciaal belang op het vlak van bodem, water, cultuurhistorie, ecologie en ruimtelijke kwaliteit, zoals de Bodemwijzer, de Aardkundige waardenkaart, de Cultuurhistorische waardenkaart, de Wateratlas en het Natuurbeheerplan voor de EHS in Noord-Brabant.