direct naar inhoud van 13.2. Ambitie Peelkern
Plan: Structuurvisie ruimtelijke ordening
Status: vastgesteld
13.2. Ambitie Peelkern

Modern ingericht gebied waar landbouw, landschap, natuur en milieu een nieuw evenwicht hebben gevonden

  • 1. De ontwikkeling van De Peel benaderen als een samenhangende gebiedsopgave waarin de mogelijkheden voor intensieve vormen van landbouw, natuur, landschap, leefbaarheid en water worden verbeterd en waarbij de milieudruk afneemt (zie ook 5.3.2). Dit kan door:
    • a. de Midden-Peelweg te versterken als monumentale laan waaraan het gebied zijn monumentale en open karakter presenteert; nieuwe bebouwing vindt zoveel als mogelijk plaats op afstand van de Midden-Peelweg;
    • b. verbetering van de ontsluiting voor landbouwverkeer in samenhang met versterking van laanbomenstructuur;
    • c. onderzoeken of ruimte voor verwerking, opslag, transport en energieopwekking kan bijdragen aan een duurzamere ontwikkeling van de landbouw, waarbij het milieu en natuur- en landschapswaarden verbeteren;
    • d. in te zetten op robuuste erfbeplanting bij zowel bestaande erven, uitbreiding van bebouwing als nieuwvestiging;
    • e. de natuurwaarden en -potenties van het gebied te versterken in de verbinding Stippelberg-Maashorst (zie paspoort Peelrand);
    • f. de cultuurhistorische waarde van de Peelontginning te gebruiken bij het vormgeven van nieuwe ontwikkelingen;
    • g. verbetering van recreatieve ontsluiting, gekoppeld aan behoud van het zandwegen;
    • h. mogelijkheden voor koppeling duurzame energie (bijv. biovergisting en zonne-energie) en landbouw benutten.
  • 2. De cultuurhistorische waarden van de Peelkern in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de Peel-Raamstelling en de cultuurhistorische landschappen: “Griendtsveen-Helenaveen” en ”Landgoederen bij Gemert” (Grote Slink-Bunthorst, Stippelberg, Cleefs Wit-De Sijp, Princepeel).
  • 3. Het versterken van de ecologische waarden van het landschap door te sturen op de ontwikkeling van hooilanden en vochtige graslanden en op het behouden of ontwikkelen van kenmerken van het landschap, waarbij kenmerkende plant- en diersoorten van open akker- en graslandgebied (bijv. de wulp, gele kwikstaart, ganzen en zwanen), het halfopen landschap met bomenlanen (das, korenbloem), sloot-, greppelkanten en perceelsranden (blauwborst, heikikker) en sloten en vaarten goede indicatoren zijn.