direct naar inhoud van 7.2. Ambitie Westbrabantse Venen
Plan: Structuurvisie ruimtelijke ordening
Status: vastgesteld
7.2. Ambitie Westbrabantse Venen

Herstel relatie stad-landschap bij grote steden

  • 1. Versterken identiteit en natuurwaarden van de halfopen- en besloten cultuurlandschappen van het gemengd landelijk gebied. Dit kan door:
    • a. bescherming en ontwikkeling van bestaande landschapselementen zoals de structuur van kleine percelen, houtwallen, zandwegen en heggen;
    • b. mogelijkheden te bieden voor landgoedontwikkeling en andere vormen van wonen, verbreding van landbouw en recreatieve ontwikkelingen;
    • c. rond Rucphen-Sint-Willebrord de landbouwkundige ontwikkelingen te verweven met natuur- en waterdoelstellingen in verband met het belangrijke inzijggebied dat hier ligt.
  • 2. Verbinden van de natuur van zand en klei. Dit kan door:
    • a. koppeling van robuuste groenblauwe structuur aan de aanwezigheid van kwel op de overgangszone tussen zand- en kleigebied;
    • b. versterken samenhang tussen de natte polders ten noorden van Breda en Etten-Leur door de ontwikkeling van stapstenen.
  • 3. Versterken natuur- en landschapswaarden in groene geledingszone tussen de steden Bergen op Zoom, Roosendaal en Etten-Leur. Dit kan door:
    • a. gebieden te vrijwaren van grootschalige verstedelijking;
    • b. vergroten mogelijkheden voor route gebonden recreatie;
    • c. investeren in herstel landschapselementen en toevoegen van nieuwe landschapselementen;
    • d. ruimte te bieden voor ontwikkeling van grondgebonden landbouw en stad- en natuurboeren (verkoop en teelten van streekproducten, landschapsonderhoud);
    • e. in de smalle groene buffer tussen Etten-Leur en Breda sterk in te zetten op natuurontwikkeling (o.a. bij Prinsenbeek), zodat de groene geleding tussen Breda en Etten-Leur duurzaam versterkt wordt (project Weerijs Noord).
  • 4. Verbeteren van de relatie van Roosendaal en Etten-Leur met het omliggende landschap. Dit kan door het creëren van een meer geleidelijke overgang van stedelijk gebied naar het buitengebied bij uitbreiding van het stedelijk gebied:
    • a. voor Roosendaal liggen die kansen aan de zuidzijde van de stad. De noordzijde van Roosendaal wordt juist gekenmerkt door een harde grens. Toekomstige infrastructuurlijnen (Robellijn en Noordoosttangent) vormen straks de definitieve grenzen van de stedelijke ontwikkeling;
    • b. ontwikkelingsmogelijkheden voor Etten-Leur liggen aan de noordzijde, waarbij het de opgave is om de relatie van Etten-Leur met het landschap te verbeteren.
  • 5. De relicten van de veenontginningsgeschiedenis gebruiken als inspiratiebron voor toekomstige ontwikkelingen zodat deze structuren weer zichtbaar worden in het landschap. Dit kan door:
    • a. versterken van de structuur van turfvaarten en turfhavens;
    • b. hier aandacht aan te besteden bij dorpsontwikkelingen, landgoedontwikkeling en bij de inrichting van waterbergingsgebieden;
    • c. in te zetten op het behoud dan wel het herstel van het zicht op de grote kerken als de basiliek van Oudenbosch, Klein Lourdes in Sint-Willebrord en de kerk van Wouw vanaf de hoofdwegen (snelwegen en provinciale wegen).
  • 6. De cultuurhistorische waarden van de Westbrabantse Venen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten.Dit geldt in het bijzonder voor het cultuurhistorisch landschap: ”Landgoederen bij Zundert” (Pannenhoef, Wallsteyn, De Moeren, Oude Buissche Heide). Herstel karakter A-58 als Napoleonsweg tussen Etten-Leur en Roosendaal: een oorspronkelijk rijk beplante kaarsrechte weg, gelegen tussen de kerktorens van beide kernen.
  • 7. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van het archeologisch landschap: ”Dekzandrug Bosschenhoofd-Hoeven”.
  • 8. Het versterken van de ecologische waarden van het landschap door te sturen op te behouden of te ontwikkelen kenmerken van het landschap, waarbij kenmerkende plant- en diersoorten van de halfopen en besloten cultuurlandschappen (zoals patrijs en alpenwatersalamander) en de open weide- en akkergebieden (wulp, grutto) en waterlopen (drijvende weegbree) goede indicatoren zijn.