direct naar inhoud van 4. Artikel 3.1. Aanwijzing en begrenzing van gebieden voor stedelijke ontwikkeling
Plan: Wijziging Verordening ruimte, actualisatie - I
Status: ontwerp

4. Artikel 3.1. Aanwijzing en begrenzing van gebieden voor stedelijke ontwikkeling

In artikel 3.1 wordt een nieuw derde lid toegevoegd en wordt het huidige derde lid aangepast. Het artikel komt als volgt te luiden:

Artikel 3.1. Aanwijzing en begrenzing van gebieden voor stedelijke ontwikkeling

  • 1. Als bestaand stedelijk gebied zijn aangewezen de gebieden aangeduid als:
    • a. Stedelijk concentratiegebied, en
    • b. kern in landelijk gebied
      waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 12,5 meter zijn vastgelegd.
  • 2. Als:
    • a. zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, behorend bij een stedelijk concentratiegebied onderscheidenlijk bij een kern in landelijk gebied,
    • b. gebied integratie stad-land, en
    • c. regionaal bedrijventerrein

zijn aangewezen de als zodanig aangeduide gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 25 meter zijn vastgelegd.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van het in het eerste lid aangewezen bestaand stedelijk gebied wijzigen op grond van een in werking getreden gemeentelijk ruimtelijk planvorm ten behoeve van een stedelijke ontwikkeling.
  • 4. De gemeenteraad kan Gedeputeerde Staten verzoeken om de begrenzing van de in het eerste lid aangewezen bestaand stedelijk gebied te wijzigen ingeval van een beperkte afronding van een bestaand stedelijke gebied die tot een logische stedenbouwkundige opzet leidt waarbij artikel 2.2 op overeenkomstige wijze van toepassing is op het desbetreffende bestemmingsplan.
  • 5. De gemeenteraad kan Gedeputeerde Staten verzoeken om de begrenzing van de in het tweede lid aangewezen gebieden te wijzigen:
    • a. ingeval van beperkte afronding van een daadwerkelijke stedelijke ontwikkeling die tot een duidelijke verbetering van de stedenbouwkundige of landschappelijke kwaliteit leidt;
    • b. indien daardoor, blijkens een milieueffectrapport dat op grond van de Wet milieubeheer is opgesteld ter voorbereiding van een gemeentelijke of provinciale structuurvisie of een bestemmingsplan, een gunstiger resultaat voor de milieugevolgen mogelijk wordt gemaakt.
  • 6. Het voornemen om een verzoek te doen, als bedoeld in het vierde en vijfde lid, maakt onderdeel uit van de voorbereiding van een bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de wet.
  • 7. Het voornemen om een verzoek te doen, als bedoeld in het vierde en vijfde lid, maakt onderdeel uit van de voorbereiding van een bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de wet, waarbij in dat bestemmingsplan de volgende twee gebiedsaanduidingen worden opgenomen:
    • a. gebiedsaanduiding: overig – verwijderde [naam gebiedscategorie];
    • b. gebiedsaanduiding: overig – toegevoegde [naam gebiedscategorie].
  • 8. Een verzoek, als bedoeld in het vierde en vijfde lid, wordt na afloop van de terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht, bij Gedeputeerde Staten ingediend en gaat vergezeld van een onderbouwing en, in voorkomend geval, van naar voren gebrachte zienswijzen.
  • 9. Gedeputeerde Staten beslissen binnen vier weken na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het vierde lid.
  • 10. Gedeputeerde Staten wijzigen de begrenzing van groenblauwe mantel, ecologische hoofdstructuur of agrarisch gebied voor zover nodig door een wijziging van de begrenzing van de gebieden op grond van het derde of vierde lid.
  • 11. Een bestemmingsplan ten behoeve waarvan de gemeente een verzoek om wijziging van de begrenzing heeft gedaan, wordt vastgesteld nadat Gedeputeerde Staten hebben besloten tot wijziging van de begrenzing.