direct naar inhoud van Toelichting
vastgesteld

Toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene toelichting op Verordening ruimte 2014

In de Verordening ruimte 2014, verder te noemen Verordening, zijn regels opgenomen waarvan de provincie het belangrijk vindt dat die door iedere gemeente worden toegepast bij ruimtelijke besluiten. Deze verordening vervangt de Verordening ruimte 2012 en de sindsdien vastgestelde wijzigingsverordeningen. Naast diverse beleidsinhoudelijke veranderingen is ook de opzet van de verordening fors gewijzigd. In dit deel van de toelichting worden functie, inhoud en opbouw van de Verordening nader toegelicht.

1.1 De functie van een Verordening ruimte

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. In deze wet zijn de verantwoordelijkheden tussen de drie landelijke bestuurslagen (Rijk, provincies en gemeenten) op het gebied van ruimtelijke ordening vastgelegd. De wet maakt een duidelijk onderscheid tussen visie en beleid en de doorwerking van beleid naar anderen. De visie en het beleid zijn opgenomen in de structuurvisie. Hierin staat wat het overheidsorgaan op ruimtelijk gebied wil bereiken en hoe het dat wil doen. Zo'n visie bindt alleen het orgaan dat de visie vaststelt. In sommige gevallen is het nodig dat het beleid ook doorwerkt naar anderen. In zo'n geval kan de provincie regels vaststellen in de vorm van de Verordening ruimte. Een verordening heeft een status als wet en wordt daarom altijd vastgesteld door provinciale staten. De gemeenteraad moet bij het vaststellen van een bestemmingplan de regels uit de Verordening ruimte toepassen.

1.2 Relatie Structuurvisie RO en de Verordening ruimte

De Verordening ruimte is één van de instrumenten die de provincie kan inzetten om de doelen uit de Structuurvisie RO (Svro) te realiseren. De Svro geeft aan welke doelen de provincie nastreeft, wat voor beleid de provincie voert, hoe de provincie stuurt om haar doelen te realiseren en welke instrumenten zij daarbij inzet. afbeelding "i_NL.IMRO.9930.vr2014-va03_0001.png"

In de Structuurvisie RO zijn vier rollen benoemd voor de provincie, met bijbehorende instrumenten, om de doelen te realiseren. Dat is in bovenstaande figuur schematisch weergegeven. Het spreekt voor zich dat bij een ontwikkelingsvraagstuk (zoals een gebiedsontwikkeling) ander instrumentarium nodig is dan voor een beschermende functie (zoals de EHS).

De structuurvisie is alleen bindend voor de provincie; als het nodig is dat het beleid doorwerkt naar gemeenten dan dient de provincie daarvoor andere instrumenten in zetten. De Verordening ruimte is zo'n instrument dat vooral ingezet wordt voor bescherming en vooral goed werkt voor veel voorkomende ruimtelijke ontwikkelingen.

De Verordening ruimte richt zich tot gemeenten doordat de verordening regels bevat die een gemeente moet betrekken bij hun besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen. Afhankelijk van het type regel heeft de gemeente meer/minder vrijheid om eigen beleid te voeren. In paragraaf 1.6 van deze toelichting is dit nader toegelicht. De Verordening ruimte bevat veelal regels die beleidsruimte geven aan gemeenten om 'eigen' beleid te voeren.

Naast de verordening zet de provincie ook andere instrumenten in om haar doelen te realiseren. Afhankelijk van de doelen die de provincie nastreeft, wordt een optimale mix aan instrumenten ingezet. Dit is verder uitgewerkt in de Structuurvisie RO.

1.3 Evaluatie Verordening ruimte 2012

De Verordening ruimte is voor het eerst in 2010 vastgesteld. Omdat dit binnen de ruimtelijke ordening een nieuw instrument was, zijn de werking en het effect van de verordening in 2012 geëvalueerd. Voor de evaluatie zijn regiobijeenkomsten gehouden, is een schriftelijke enquête uitgezet bij de gebruikers van de Verordening ruimte en tot slot zijn er ronde tafel gesprekken gevoerd. In het algemeen zijn de gebruikers tevreden. De verordening kent een juist abstractieniveau en biedt in het algemeen voldoende afwegingsruimte aan gemeenten om hun eigen afweging te maken. Wel is aangegeven dat er behoefte bestaat aan een eenvoudigere verordening en meer flexibiliteit. Bij de wijziging van de Verordening ruimte in 2012 zijn instrumenten in de Verordening ruimte opgenomen om het systeem flexibeler te maken. Naast diverse bevoegdheden voor GS om grenzen aan te passen, zijn in de Verordening ruimte 2012 de proactieve aanwijzing (voor meerwaarde praktijken) en de algemene ontheffing (voor onvoorziene ontwikkelingen) opgenomen.

1.4 Beleidsrijke herziening van de verordening

Bij deze herziening van de Verordening ruimte wordt een volgende stap gezet, nu met name in de leesbaarheid en de toegankelijkheid. Omdat de Verordening ruimte in twee fasen tot stand is gekomen, blijkt in de praktijk dat de opzet niet altijd duidelijk is. Er is daarom gekozen om de verordening anders op te bouwen, waarbij de systematiek van bestemmingsplannen is gevolgd. Dit vergroot de (her)kenbaarheid van de regels die in de Verordening ruimte zijn opgenomen. Daarnaast is de tekst van de verordening beter toegankelijk gemaakt door het gebruik van kortere zinnen, opsommingen en eenvoudiger taalgebruik. Ook de toelichting is herschreven waarbij de tekst meer lezersgericht is opgebouwd.

Ook zijn er beleidsrijke wijzigingen doorgevoerd vanwege nieuw beleid uit de afgelopen periode.

Tot slot zijn mede naar aanleiding van de inspraak en de wens voor meer maatwerkmogelijkheden drie specifieke bepalingen opgenomen die hiervoor meer ruimte geven. Dit is een algemene mogelijkheid voor ondergeschikte afwijking van maten in een bijzonder geval (artikel 3.3) en twee bepalingen die aan Gedeputeerde Staten de mogelijkheid geven om met het stellen van nadere regels af te wijken van de algemene regels in deze verordening (artikelen 36.2 en 36.3).

1.5 Aanpassing opbouw Verordening ruimte

De opbouw en systematiek van de bestaande Verordening ruimte zijn (voor niet kenners) nog teveel een zoekplaatje. Er is daarom gekeken naar een andere opbouw van de Verordening ruimte die een oplossing biedt voor bovenstaande constateringen. Hierbij is aansluiting gezocht bij de opbouw van bestemmingsplannen. Daaruit is een nieuwe structuur voortgekomen voor de Verordening ruimte:

Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen

  • begripsbepalingen
  • werking van de Verordening ruimte

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die nodig zijn om de Verordening ruimte te kunnen toepassen. Deze regels hoeft de gemeente niet in haar bestemmingsplan te vertalen.

Hoofdstuk 2: Algemene regels

  • zorgvuldig ruimtegebruik
  • kwaliteitsverbetering landschap
  • afwijking in verband met maatwerk

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die altijd en voor heel Brabant gelden. Gemeenten moeten deze regels vertalen in hun ruimtelijke besluiten. In de Verordening ruimte 2012 stonden deze regels vaak op meerdere plekken in de verordening, door de nieuwe opbouw is dat bij elkaar gebracht op 1 plaats. Doordat er geen sprake is van een beleidswijziging, is dit niet zichtbaar aangegeven in de artikelen waar het is weggehaald.

Hoofdstuk 3: Structuren

  • stedelijke structuur
  • ecologische hoofdstructuur
  • groenblauwe mantel
  • gemengd landelijk gebied; de term agrarisch gebied komt daarmee ook in de Verordening ruimte te vervallen (in de Structuurvisie RO was dat al zo).

Dit hoofdstuk onderscheidt vier structuren (gekoppeld aan de Structuurvisie RO) die Brabant dekkend zijn. Deze Brabant dekkende structuur bestond ook al in de vigerende Verordening ruimte. Door de nieuwe opbouw wordt dat duidelijker aan de gebruiker. De structuren zijn aanvullend op elkaar en sluiten elkaar uit. Dit betekent dat ieder ruimtelijk oppervlak in Brabant onder één van deze structuren valt, maar niet onder meerdere structuren tegelijk kan vallen.

De regels in dit hoofdstuk gelden altijd voor de structuur waarvoor ze zijn opgesteld. Per structuur is uitgewerkt welke functies, en onder welke voorwaarden, ontwikkeld kunnen worden. Dat betekent bijvoorbeeld voor recreatie in de Groenblauwe mantel (GBM) dat er andere voorwaarden gelden dan voor recreatie in gemengd landelijk gebied.

Hoofdstuk 4 : Aanduidingen

  • zoekgebied stedelijke ontwikkeling / integratie stad-land
  • vervanger voor extensiveringsgebied: Beperkingen veehouderij
  • glastuinbouwvestigingsgebieden / doorgroeigebieden glastuinbouw
  • ecologische verbindingszones, attentiegebied ecologische hoofdstructuur
  • diverse wateraanduidingen, waaronder de waterwingebieden
  • cultuurhistorische vlakken en aardkundig waardevolle gebieden
  • zoekgebieden windenergie etc.

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die alleen gelden voor het gebied dat binnen de aanduiding ligt. In totaal zijn er 25 aanduidingen in de Verordening ruimte opgenomen. Aanduidingen liggen altijd over een structuur heen en vaak over meerdere structuren. Aanduidingen kunnen ook overlap geven onderling.

De regels ter plaatse van een aanduiding gelden in aanvulling op de regels van de structuren of in afwijking daarvan. Dit is in het artikel zelf herkenbaar aangegeven om daarmee de (her)kenbaarheid naar de gebruikers te vergroten.

Er zijn een aantal aanduidingen vervallen; bijvoorbeeld de integrale zonering voor de intensieve veehouderij maar ook een aantal vanwege wijzigingen in het rijksbeleid (zie bij inhoudelijke wijzigingen).

Hoofdstuk 5: Rechtstreeks werkende regels

  • mestbewerking (inclusief mestvergisting)
  • veehouderijen
  • Sanerings- en verplaatsingslocaties

In dit hoofdstuk zijn de rechtstreeks werkende regels uit de Verordening ruimte opgenomen. Deze regels gelden voor het specifieke onderwerp waarvoor ze zijn gemaakt. De gemeente moet die betrekken bij de vergunningverlening. Door de rechtstreekse regels in een apart hoofdstuk te zetten, zijn deze makkelijk terug te vinden.

Hoofdstuk 6: Procedure bepalingen

  • bevoegdheden voor GS (grensaanpassingen, nadere regels, procedurebepalingen, proactieve aanwijzing en ontheffing)
  • regionaal ruimtelijk overleg

Hoofdstuk 7: Overgangsrecht

Bevat de overgangsrechtelijke bepalingen.

1.6 Karakter van regels in de Verordening

Het karakter van de regels in Verordening verschilt. Soms is een regel er op gericht dat de gemeente inzicht geeft in de afweging die ze hebben gemaakt, soms verplicht de regel dat de gemeente die overneemt in het gemeentelijke besluit. Om de herkenbaarheid van de regels te vergroten hanteert de Verordening per type regel steeds dezelfde formulering. Dit zijn:

  • de toelichting bij een bestemmingsplan bevat een verantwoording over: aan de gemeente wordt gevraagd aan te geven hoe zijn omgegaan met de specifieke aandachtspunten die in de verordening zijn genoemd.
  • een bestemmingsplan kan bepalen/kan voorzien in: de gemeente kan binnen de kaders die zijn gesteld een bepaalde ontwikkeling mogelijk maken in het bestemmingsplan.
  • een bestemmingsplan bepaalt/regelt/voorziet in/stelt regels over: de gemeente is verplicht de regels die in de verordening zijn opgenomen in het bestemmingsplan te vertalen.
  • in afwijking van artikel …: hiermee wordt aangegeven dat er een uitzondering is opgenomen op een regel die elders in de verordening is gesteld.
  • in aanvulling op artikel ...: hiermee wordt aangegeven dat de regels in aanvulling op de regels uit de structuren gelden.
  • tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan in werking is getreden, geldt de regel dat: dit zijn de zogenaamde rechtstreeks werkende regels die gemeenten in acht moeten nemen bij de verlening van een omgevingsvergunning. Deze regels treden in de plaats van daarmee strijdige regels die in een vigerend bestemmingsplan zijn opgenomen.

Afhankelijk van het type regel heeft een gemeente meer/minder beleidsvrijheid. Bij het vragen van een verantwoording over iets in de toelichting, geeft de provincie geen inhoudelijke richtlijn mee over de uitkomst van de afweging. In het geval dat de provincie rechtstreeks werkende regels stelt, bestaat er geen beleidsvrijheid meer voor de gemeente een eigen afweging te maken. Gelet daarop gaat de provincie terughoudend om met het opnemen van rechtstreekse regels.

De regels in de verordening geven in de meeste gevallen (de zogenaamde 'kan' bepalingen) een bovengrens aan tot waar de gemeentelijke beleidsvrijheid gaat. Binnen die kaders is een gemeente vrij om een eigen afweging te maken en eigen beleid te ontwikkelen. Een voorbeeld is het provinciale beleid inzake woningbouw in het buitengebied. Zo is bepaald dat een bestemmingsplan regels moet stellen waardoor binnen de structuur 'groenblauwe mantel' geen nieuwe woningen mogen worden gebouwd (artikel 6.7 lid 1 onder a). Er is echter ook bepaald dat een bestemmingsplan -onder voorwaarden- kan toestaan dat een woning in de groenblauwe mantel wordt gebouwd ter vervanging van een bestaande woning. Sommige gemeenten vinden het in bepaalde gebieden onwenselijk dat er nieuwe woningen worden gebouwd, ook al is dit ter vervanging van een bestaande woning. De Verordening verplicht de gemeenten niet om dit toe te staan maar biedt hiertoe wel de mogelijkheid, waarbij is aangegeven wat de grenzen van deze mogelijkheid zijn. Het is aan de betreffende gemeenteraad om bij het vaststellen van het bestemmingsplan te bepalen of van de geboden mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.

In de regels van de verordening staan vaak meerdere voorwaarden benoemd waaraan voldaan moet worden. Deze voorwaarden gelden cumulatief. In de gevallen waarbij de opsomming geen cumulatief karakter heeft is dit nadrukkelijk vermeld door het woord 'of' op te nemen of daar aan te geven dat aan één of meer van de genoemde criteria voldaan moet worden.

In de Verordening staan tot slot ook regels die betrekking hebben op bevoegdheden van GS (bijvoorbeeld tot wijziging van kaartgrenzen) en regels die GS opdragen om regels nader uit te werken. Hierbij zijn de volgende formuleringen gebruikt:

  • Gedeputeerde Staten kunnen … wijzigen;
  • Gedeputeerde Staten stellen …vast;
  • het college van burgemeester en wethouders kan Gedeputeerde Staten verzoeken…

1.7 Kaarten

De regels van de verordening zijn van toepassing binnen de gebieden die op de kaarten van de Verordening ruimte 2014 zijn aangewezen.

De onderbouwing van de grenzen van een deel van de gebieden en aanduidingen is in de Bijlagen bij toelichting bij deze verordening opgenomen.

De hoofdkaart van de Verordening ruimte is een kaart waarop de 4 structuren staan. In de kaartviewer is deze gecombineerd met alle aanduidingen. In de PDF-versie staat, vanwege de leesbaarheid, alleen de hoofdstructuur. Daarnaast zijn ook een aantal themakaarten opgenomen. Deze zijn in de kaartviewers en de pdf's vrijwel identiek.

De volgende kaarten zijn opgenomen:

Integrale plankaart (hoofdstructuur en aanduidingen).

Op deze kaart staan alle structuren en aanduidingen die in deze Verordeningen zijn opgenomen. Deze kaart is vergelijkbaar met de (allesomvattende) plankaart van een bestemmingsplan.

Themakaart stedelijke ontwikkeling

Op deze themakaart staat het bestaand stedelijk gebied, zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, integratie stad-land en de regionale bedrijventerreinen. Deze staan ook allemaal op de integrale plankaart, deels met een andere verbeelding. Ten opzichte van de Verordening 2012 zijn er vier nieuwe gebieden integratie stad-land opgenomen.

Themakaart cultuurhistorie

Op deze themakaart staan de aanduidingen Nieuwe Hollandse waterlinie, de complexen van cultuurhistorisch belang, aardkundig waardevol gebied en cultuurhistorische vlakken. Deze staan ook allemaal op de integrale plankaart, deels met een andere verbeelding. Ten opzichte van de Verordening ruimte 2012 is deze kaart niet of nauwelijks gewijzigd.

Themakaart agrarische ontwikkeling en windturbines

Op deze kaart staan de structuren en aanduidingen rond landbouw en windturbines. Deze staan ook allemaal op de integrale plankaart, deels met een andere verbeelding. Ten opzichte van de Verordening ruimte 2012 zijn de wijzigingen:

  • er zijn doorgroeigebieden glastuinbouw verwijderd,
  • het agrarisch gebied is hernoemd in gemengd landelijk gebied,
  • de legenda-eenheid beperkingen veehouderij is toegevoegd: de basis hiervan zijn de extensiveringsgebieden uit de Verordening ruimte 2012.
  • de legenda-eenheid sanerings- en verplaatsingslocaties is op de kaart toegevoegd.

Themakaart water

Op deze themakaart staan de structuren en aanduidingen rond water. Deze staan ook allemaal op de integrale plankaart, deels met een andere verbeelding. Ten opzichte van de Verordening ruimte 2012 zijn de wijzigingen:

  • er zijn een aantal waterwingebieden en 25-jaarszone zeer kwetsbaar vervallen,
  • er is een nieuwe legenda-eenheid grondwaterbeschermingsgebied opgenomen, conform de provinciale milieuverordening. Het grondwaterbeschermingsgebied bestaat uit de 25-jaarzone kwetsbaar, 25-jaarzone zeer kwetsbaar en de 100-jaarszone kwetsbaar uit de Verordening ruimte 2012,
  • er zijn boringsvrije zones toegevoegd,
  • het onderscheid tussen het rivierbed uit de Verordening ruimte 2012 en het rivierbed uit het Barro is vervallen; beiden heten nu rivierbed,
  • een aantal legenda-eenheden rond hoogwaterbescherming zijn vervallen, namelijk de primaire waterkering en beschermingszone, de gebiedsreservering voor de lange termijn voor de Rijntakken en de lange-termijnreservering rivierbed.

Themakaart natuur en landschap

Op deze themakaart staan de structuren en aanduidingen rond natuur en landschap. Deze staan ook allemaal op de integrale plankaart, deels met een andere verbeelding. Ten opzichte van de Verordening ruimte 2012 zijn beheergebieden ehs niet langer apart begrensd; deze zijn onderdeel van de groenblauwe mantel. Op grond van de rijksregelgeving is het militair oefenterrein bij Oirschot uit de EHS gehaald; het terrein maakt nu onderdeel uit van de groenblauwe mantel.

Themakaart ontwikkeling intensieve veehouderij

Deze kaart is in zijn geheel vervallen.

Kaartnauwkeurigheid

In de Vr2014 zijn geen regels meer opgenomen over de nauwkeurigheid in de regels, omdat alles met behulp van coördinaten wordt vastgelegd. In de algemene (ook wel meta-)data van het digitale plan, staat wel een toepassingsschaal (voor ontwerp Vr 2014 is dat nu: 1: 25.000) die voor het hele digitale plan gelijk is. Uit de digitale planinformatie blijkt verder van een onderdeel of deze exact of indicatief is begrensd.

De toepassingsschaal is "de beoogde maximum schaal waarop het bestand waarheidsgetrouw gebruikt mag worden."

 

Uit de toelichting bij de praktijkrichtlijn voor het maken van een provinciale verordening staat daarover:

'Verordeningen worden vastgelegd in besluitvlakken en besluitsubvlakken die geometrisch zijn bepaald op basis van het Rijksdriehoekstelsel (RD-coördinaten). Daarvoor is de schaal in principe niet van belang. Bij de digitale en analoge verbeelding is de schaal waarop (gedeelten van) de verordening zinvol kunnen worden weergegeven wel van belang. Daarom wordt in de metadata van de dataset de maximale schaal meegegeven waarop het plan zinvol verbeeld mag worden.'

1.7.1 Jaarlijkse kaartaanpassingen Verordening ruimte Noord-Brabant

Gemeenten en waterschappen kunnen het hele jaar verzoeken tot kaartaanpassing indienen bij Gedeputeerde Staten. Sluitingsdatum is 1 januari van elk jaar. Verzoeken die voor deze datum zijn binnengekomen zullen worden meegenomen in de herzieningsprocedure welke in het daarop volgende jaar wordt doorlopen.

Een verzoek tot kaartaanpassing moet aan een aantal criteria voldoen:

  • 1. het verzoek gaat per locatie vergezeld van een onderbouwing en gaat daarbij indien van toepassing in op de uitgangspunten voor (de begrenzing van) de aanduidingen zoekgebied voor verstedelijking, integratie stad-land en de structuren bestaand stedelijk gebied, ecologische hoofdstructuur en groenblauwe mantel zoals opgenomen in de bijlagen bij de toelichting van de verordening;
  • 2. het verzoek is vergezeld van een duidelijke kaart op het in de Verordening ruimte aangegeven mate van nauwkeurigheid;
  • 3. het verzoek is afgestemd met de betrokken overheden die het aangaat.

Ad 1.

Uiteraard moet het verzoek gemotiveerd zijn. Deze motivering is bij voorkeur gebaseerd op een gemeentelijke structuurvisie en gaat ook in op de provinciale structuurvisie en - indien aan de orde - de uitgangspunten genoemd in Bijlagen bij toelichting. Indien de gevraagde kaartaanpassing betrekking heeft op wijziging van de aanduidingen zoekgebieden voor verstedelijking of integratie stad-land betekent dit onder meer dat de onderbouwing gebaseerd dient te zijn op toepassing van de lagenbenadering op het gemeentelijk grondgebied en dat er tevens een relatie wordt gelegd met de reeds binnen de gemeente aanwezige zoekgebieden of gebieden integratie stad-land.

Er dient verder een concrete motivering per locatie te worden toegevoegd - er kan niet volstaan worden met enkel een verwijzing naar omvangrijke documenten zoals een structuurvisie, waaruit GS dan zelf her en der de benodigde informatie zouden moeten verzamelen.

Ad 2.

Er is op het moment van inwerkingtreding van deze verordening geen voorgeschreven format. Een verzoek om kaartaanpassing voorzien van duidelijk kaartmateriaal gericht aan GS volstaat. Geadviseerd wordt om bij het verzoek een overzichtskaart en een duidelijke detailkaart met topografische ondergrond voor weergave op perceelsniveau te voegen. Bij voorkeur worden ook digitale bestanden (gml, shapefiles) toegestuurd, zeker indien geen duidelijke (perceels-)grenzen in de ondergrond gevolgd worden.

Wij streven ernaar in de loop van 2014 voor gemeenten en waterschappen een exemplaar van de verordening open te stellen in een viewer waarop de gewenste wijzigingen kunnen worden ingetekend en voorzien van een onderbouwing. Met één druk op de knop wordt het verzoek dan ingediend. Zodra deze mogelijkheid beschikbaar is zullen alleen nog verzoeken via deze elektronische weg in behandeling worden genomen.

Waarom een jaarlijkse kaartaanpassingsronde?

In de praktijk blijkt dat gemeenten in een aantal gevallen op basis van bijv. een structuurvisie graag een wijziging zien van de aanduiding zoekgebied verstedelijking of een wezenlijke grensaanpassing wensen van een andere aanduiding of structuur op de kaarten van de Verordening ruimte. Dergelijke verzoeken passen niet binnen de bevoegdheid voor Gedeputeerde Staten tot ondergeschikte grensaanpassingen gekoppeld aan een procedure voor een concreet bestemmingsplan (artikel 36.5, zie toelichting paragraaf 7.4) en zijn bij uitstek een bevoegdheid voor Provinciale Staten.

Daarnaast kunnen er ook verzoeken tot grensaanpassing binnenkomen bij Gedeputeerde Staten los van een in procedure gebracht bestemmingsplan. Dit betreft verzoeken van gemeenten voor de aanpassing van de ecologische hoofdstructuur vanwege ecologische redenen en verzoeken van waterschappen voor bijvoorbeeld grenswijziging van aanduidingen reservering waterberging/waterbergingsgebieden.

Procedure

Per verzoek wordt bekeken of de gevraagde wijziging valt onder een wijzigingsbevoegdheid van GS of aan PS moet worden voorgelegd.

Indien het een wijziging betreft die in samenhang met een concreet toekomstig plan kan worden afgewerkt dan krijgt de gemeente hiervan bericht: de gemeente hoeft met de planprocedure niet te wachten op de afronding van de kaartaanpassingsronde van de verordening.

Is het wel een GS bevoegdheid, maar los van een concrete planprocedure en is er inspraak nodig, dan stellen GS een ontwerp-kaartaanpassing vast die zij voor inspraak ter inzage leggen. Na beoordeling van de reacties gaan GS over tot vaststelling van de wijzigingen.

Omdat hierin doorgaans ook wijzigingen van de ecologische hoofdstructuur op ecologische gronden aan de orde zijn, wordt voor de procedure aangesloten bij het ritme van de vaststelling van het Natuurbeheerplan, dat betekent inspraak voor de zomervakantie, vaststelling uiterlijk medio september, inwerkingtreding eind september/begin oktober.

Alle verzoeken die niet door GS afgewerkt kunnen worden moeten dus via PS. Deze procedure is als volgt: beoordeling> vaststelling concept-ontwerp van de kaartaanpassingen door GS> statencommissie beslist over vrijgeven ontwerp voor inspraak> terinzagelegging> vaststelling definitief statenvoorstel voor de kaartaanpassing door GS> beoordeling door statencommissie> PS besluit. Gelet op de doorlooptijd voor stukken voor statencommissie en PS betekent dit een inwerkingtreding van deze kaartaanpassingen in november/december.

1.8 Veranderingen ten opzichte van de vorige Verordening

De provincie streeft naar een zo begrijpelijk mogelijke Verordening. Tevens moeten de bepalingen in de Verordening juridisch sluitend zijn. Deze twee uitgangspunten leveren soms spanning op. In deze nieuwe verordening is geprobeerd om (verdere) vereenvoudigingen door te voeren. Hierbij zijn de uitkomsten van de in 2012 gehouden evaluatie betrokken. Voorbeelden van doorgevoerde vereenvoudigingen zijn:

  • kortere zinnen,
  • actievere schrijfvorm,
  • een duidelijkere structuur,
  • consistent gebruik van termen,
  • een nieuwe toelichting die meer dan voorheen is toegespitst op de lezer en het markeren  van kernbegrippen.

Daarnaast zijn er ook inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd. Deze zijn direct terug te voeren op de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie RO, die gelijktijdig met het ontwerp van de Verordening ruimte 2014 in procedure is gebracht.

De belangrijkste inhoudelijke verschillen met de vorige verordening zijn:

  • mogelijkheden voor ondergeschikte afwijking vanwege maatwerk: in de praktijk blijkt dat er de behoefte bestaat om in bijzondere gevallen tot ondergeschikte afwijking van de maten over te gaan. Hiervoor is een bepaling opgenomen;
  • nieuwvestiging: er is een algehele mogelijkheid voor nieuwvestiging opgenomen in geval dat er een verplaatsing nodig is vanwege openbaar belang, maar ook binnen de EHS voor kleine bouwwerken;
  • een bevoegdheid voor gedeputeerde Staten om met het stellen van nadere regels af te wijken van bepalingen uit de Verordening in het geval van regionale afspraken en in het geval van een gebiedsgerichte aanpak van overbelaste situaties;
  • regionale afstemming en afspraken ingeval van de ontwikkeling van detailhandelslocaties;
  • compensatiebeleid: indien een ruimtelijke ontwikkeling aantasting geeft van de EHS, dan is niet alleen fysieke, maar ook financiële compensatie mogelijk. Bij fysieke compensatie geldt dat deze in beginsel binnen de nog niet gerealiseerde delen van de EHS moet plaatsvinden. Hierop is een uitzondering opgenomen voor gebiedsontwikkelingen. Deze verandering is het gevolg van de wijzigingen van het natuurbeleid zoals opgenomen in Brabant Uitnodigend Groen;
  • beleid voor de agrarische sector: De afgelopen jaren is er veel gebeurd rondom het beleid voor veehouderijen, te beginnen met het zogenaamde megastallen debat. De provincie wil dat er een transitie op gang komt naar een zorgvuldige veehouderij. Dit heeft gevolgen voor het beleid rondom agrarische bedrijven. Er worden nu vier soorten agrarische bedrijven onderscheiden en de integrale zonering voor de intensieve veehouderij op grond van de reconstructiewet vervalt. Verder is er nieuw beleid voor mestbewerking in de verordening opgenomen;
  • aanpassingen vanwege gewijzigd rijksbeleid, zoals het opnemen van de ladder voor duurzame verstedelijking, het vervallen van de aanduidingen nationaal landschap, beheergebied EHS en een aantal aanduidingen op het gebied van water;
  • er is een nieuwe aanduiding opgenomen inzake sanerings- en verplaatsingslocaties. gebleken is dat deze locaties niet altijd duidelijk in beeld zijn bij gemeenten waardoor op een plek waar eerst sanering heeft plaatsgevonden vervolgens weer eenzelfde functie wordt toegelaten;
  • (overige) aanpassing van de kaarten: er zijn vier doorgroeigebieden glas verwijderd en drie bovenregionale leisurevoorzieningen (in ontwikkeling) zijn opgenomen binnen de aanduiding integratie stad-land.

1.9 Jaarlijkse aanpassing van de Verordening ruimte

Omdat ruimtelijke ordening dynamisch is, hebben provinciale staten besloten om de Verordening ieder jaar -op verzoek- te herzien. Gemeenten kunnen jaarlijks –vóór 1 januari- een verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten om grenzen van gebieden te veranderen of nieuwe gebieden aan te wijzen. Gedeputeerde Staten bundelen deze verzoeken van gemeenten en waterschappen en nemen daar een ontwerp besluit over. Na een inspraakprocedure doen Gedeputeerde Staten een voorstel aan Provinciale Staten om de Verordening op onderdelen wel of niet te herzien.

Naast deze jaarlijkse actualisatie zijn er in de verordening ook mogelijkheden opgenomen voor Gedeputeerde Staten om de (grenzen van de) kaarten te wijzigen. Dit kan alleen als dat ook specifiek in de verordening is bepaald. Het gaat dan meestal om kleinere aanpassingen die gelijk oplopen met een bestemmingsplan waarvoor de wijziging wordt gevraagd.

Hoofdstuk 2 Toelichting op inleidende regels

In hoofdstuk 1 van de Verordening ruimte 2014 is bepaald wat onder de kernbegrippen uit deze Verordening wordt verstaan. In de verdere toelichting komen sommige van deze kernbegrippen nader aan de orde en wordt voor de exacte begripsbepaling verwezen naar dit hoofdstuk.

Ten opzichte van de Verordening 2012 heeft een aanpassing plaatsgevonden in de termen die gebruikt worden. Bijvoorbeeld de term VAB-vestiging is komen te vervallen en is vervangen door de term vestiging.

Hierdoor zijn ook nieuwe definities opgenomen. In de regels wordt voortaan gesproken over bouwperceel. Dit biedt aan gemeenten de mogelijkheid om een bij hun plansystematiek passende vertaling van de regels uit de verordening op te nemen. Met name bij het toelaten van teeltondersteunende voorzieningen stuitte de verplichting om deze binnen het bouwvlak op te nemen bij gemeenten op bezwaren. De term bouwperceel omvat zowel het bouwvlak, waar de gebouwen geconcentreerd worden, als een daarop aansluitend gelegen bestemmingsvlak waarbinnen de gemeente voorzieningen kan toe laten. Overigens schrijft de provincie niet voor hoe de gemeente dit vervolgens in haar plannen vertaald; een gemeente kan derhalve ook nog steeds werken met een strak omlijnd bouwvlak en een specifieke aanduiding ten behoeve van dergelijke voorzieningen. De wijziging in de terminologie betekent geen wijziging van beleid; de uitgangspunten dat er een compacte bestemming wordt gelegd waarbinnen de bebouwing en bouwwerken geconcentreerd worden blijven gelden.

Vanwege het nieuwe beleid zijn ook de definities inzake agrarische bedrijven zijn aangepast. Dit is bij artikel 7 (gemengd landelijk gebied) nader toegelicht. Het begrip VAB-vestiging is in de regels vervangen door 'vestiging'. Vestiging impliceert gelet op de definitie altijd dat dit plaatsvindt binnen het bouwvlak van een bestaand bouwperceel.

Het begrip uitbreiding is gereserveerd voor uitbreiding van het bouwperceel of de uitbreiding van een bestemmingsvlak, bijvoorbeeld in het geval van een bedrijventerrein of een bestemmingsvlak voor een woongebied. Waar in de verordening eerder werd gesproken over uitbreiding van bebouwing is dit vervangen door toename van de bebouwingsoppervlakte. Met deze wijzigingen is de eenduidigheid van de regels verbeterd.

Daarnaast is in artikel 2 bepaald wanneer de verordening van toepassing is. Basis voor de toepassing van de verordening is datgene wat op grond van het vigerende bestemmingsplan 'bestaand' is. Dit is in het derde lid opgenomen.

Twee bepalingen vragen nadere toelichting:

  • een besluit van het gemeentebestuur als direct gevolg van een onherroepelijke uitspraak van een bestuursrechter: deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat als een gemeente vanwege een uitspraak van de rechter een besluit moet nemen dat niet past binnen de kaders die de verordening stelt, er een impasse ontstaat.
  • als vaststaat dat handhaving wegens strijd met het bestemmingsplan niet meer mogelijk is: er zijn specifieke gevallen waarvan op voorhand vaststaat dat het niet langer mogelijk is om handhavend op te treden tegen met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Bij de afweging of hiervan sprake is, hanteert de provincie de meest recente jurisprudentie van de Raad van State. Indien een gemeente meent dat hiervan sprake is, dient ze dit in het bestemmingsplan te onderbouwen. In geval van een verschil van mening tussen gemeente en provincie hierover, ligt de uiteindelijke beslissing bij de bestuursrechter.

Hoofdstuk 3 Toelichting op algemene regels

3.1 Artikel 3 Bevordering ruimtelijke kwaliteit

De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Niet iedereen heeft dezelfde ideeën over ruimtelijke kwaliteit. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. Ruimtelijke kwaliteit kan grijpbaar en bespreekbaar worden gemaakt door een onderscheid te maken tussen belevingswaarde, toekomstwaarde en gebruikswaarde. In onderstaande matrix zijn deze waarden opgesteld tegenover de belangen.

  Economisch belang   Sociaal belang   Ecologisch belang   Cultureel belang  
Gebruikswaarde   Allocatie efficiëntie

Bereikbaarheid

Stimulerende effecten

Gecombineerd ruimtegebruik  
Toegang

Eerlijke verdeling

Toegang

Keuzemogelijkheden  
Externe veiligheid

Schoon milieu

Water in balans

Natuur voor plant, dier en mens  
Keuzevrijheid

Culturele verscheidenheid  
Belevingswaarde   Imago/uitstraling

Aantrekkelijkheid  
Gelijkwaardigheid

Verbondenheid

Sociale veiligheid  
Rust en ruimte

Schoonheid van de natuur

Gezonde leefomgeving  
Eigenheid

Schoonheid van de natuur

Leesbaarheid van tijd en ruimte

Contrastrijke omgeving  
Toekomstwaarde   Stabiliteit en flexibiliteit

Agglomeratie

Gebundelde aantrekkelijkheid  
Iedereen aan boord

Sociaal draagvlak

Betekenisvol  
Ecologische voorraden water, bodem, natuur

Duurzame ecosystemen  
Erfgoed

Integratie

Culturele vernieuwing  

Iedere ontwikkeling moet passen in de omgeving. De omgeving bestaat uit zowel aanwezige waarden als uit omliggende functies; aard, schaal en functie van de bebouwing wordt in dat kader afgewogen.

In de Structuurvisie geeft de provincie aan wat de provinciale belangen zijn. Het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit is daarbij benoemd als één van de principes voor ruimtelijke ontwikkeling. Aandachtspunten daarbij zijn:

  • zorgvuldig ruimtegebruik: een verbod op nieuwvestiging, herstructureren, inbreiding
  • concentreren van bebouwing en voorzieningen
  • rekening houden met omliggende functies en waarden
  • verbeteren van landschap (in brede zin van het woord)

Het is aan de gemeenten om invulling te geven aan ruimtelijke kwaliteit op lokaal niveau. Om het begrip ruimtelijke kwaliteit meer concreet te maken, heeft de provincie de Structuurvisie uitgewerkt in 'gebiedspaspoorten'. Hierin geeft de provincie aan wat zij van belang vindt voor de kwaliteit van een gebied of landschapstype (bescherming). Ook zijn er aandachtspunten beschreven voor het geval er in een gebied een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt (ontwikkeling).

Naast de uitwerking van de structuurvisie heeft de provincie ook regels in de Verordening opgenomen voor de ruimtelijke kwaliteit in de provincie. Sommige regels zijn gericht op bescherming , zoals natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Daarnaast wil de provincie ook ruimtelijke kwaliteit ontwikkelen, bijvoorbeeld door ontwikkelruimte te bieden in het buitengebied, op voorwaarde dat dit bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren. Voorbeelden van dergelijke ongewenste functies zijn glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden.

Soms is het onvermijdelijk dat uitbreiding van stedelijk gebied ten koste gaat van het buitengebied. In dat geval stelt de provincie als voorwaarde dat de uitbreiding gepaard gaat met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit elders in het buitengebied.

Deze voorwaarde is de 'rood-met-groen-koppeling' . Bij elk plan voor een ruimtelijke ontwikkeling buiten het bestaande stedelijk gebied, moet een gemeente aangeven hoe de 'rood-met-groen-koppeling' inhoud krijgt en hoe dit zeker wordt gesteld. In artikel 3.2 van de Verordening is dit verder uitgewerkt.

3.2 Artikel 3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

3.2.1 Lid 1: ruimtelijke kwaliteit opnemen in het bestemmingsplan

De regels vragen aan gemeenten om bij ruimtelijke ontwikkelingen aan te geven hoe wordt gezorgd voor behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit door in het eerste lid een zorgplicht op te nemen. De provincie heeft er voor gekozen om niet dwingend en gedetailleerd aan gemeenten voor te schrijven hoe ze moeten handelen. Er zijn dan ook verschillende manieren waarop het doel van de zorgplicht kan worden bereikt.

De zorgplicht is gekoppeld aan een ruimtelijke ontwikkeling waarvoor een bestemmingsplan moet worden herzien, of waarvoor een omgevingsvergunning in afwijking van het geldende plan moet worden verleend. De zorgplichtbepaling heeft geen betrekking op ruimtelijke ontwikkelingen binnen het kader van een geldend bestemmingsplan (inclusief de uitwerkingsmogelijkheden van dit plan). Uitgangspunt daarbij is dat de bescherming van de ruimtelijke kwaliteit in het geldende bestemmingsplan al gewaarborgd is. Dit ligt anders bij geldende ontwikkelingsrechten die worden overgenomen in een nieuw bestemmingsplan, bijvoorbeeld in het kader van een wettelijk verplichte actualisering, of bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid. In die gevallen is het wel nodig dat recente inzichten over ruimtelijke kwaliteit worden meegewogen.

Een goede landschappelijke inpassing maakt deel uit van de zorg voor het behoud en de bevordering van ruimtelijke kwaliteit.

3.2.2 Lid 2: invulling van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik

In het tweede lid is het principe van zorgvuldig ruimtegebruik op twee aspecten uitgewerkt.

Het eerste aspect is dat buiten bestaand stedelijk gebied geldt dat in het nieuwe bestemmingsplan is verzekerd dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gebruik maken van een locatie waar bouwen is toegestaan op grond van de bestaande regeling. In veel gevallen zal op dergelijke locaties al bebouwing staan. In de verordening wordt hiervoor de term vestiging gebruikt; uit de definitie volgt dat het dan altijd gaat om een bestaand bouwperceel gebaseerd op artikel 2, derde lid.

Omdat in de praktijk is gebleken dat het verbod op nieuwvestiging soms problemen oproept, is in artikel 3.3 een mogelijkheid opgenomen voor nieuwvestiging. Hieraan zijn stringente voorwaarden verbonden; het is niet de bedoeling dat er een ruime inbreuk gemaakt wordt op de uitgangspunten zoals die in de Structuurvisie RO zijn neergelegd.

Het tweede aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is dat bij uitbreiding van het ruimtebeslag in de toelichting van het bestemmingsplan duidelijk staat welke mogelijkheden er zijn om de uitbreiding binnen het toegestane ruimtebeslag te realiseren. Hierbij geldt het toegestane ruimtebeslag zoals bepaald in het geldende bestemmingsplan.

Behalve naar mogelijkheden voor hergebruik vraagt de provincie hierbij ook te kijken naar mogelijkheden tot intensivering en herschikking van bestaand gebruik. Daarbij gaat het er om wat financieel, juridisch en feitelijk gezien binnen redelijke grenzen haalbaar is.

Hierbij is aangegeven dat de door het rijk vastgelegde ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening) ingeval van stedelijke ontwikkeling deel uitmaakt van de afweging rondom zorgvuldig ruimtegebruik.

Tot slot is een bepaling opgenomen die er op is gericht dat de bebouwing en voorzieningen ten behoeve van een functie buiten bestaand stedelijk gebied geconcentreerd worden binnen het bouwperceel. Dit is opgenomen om verspreid liggende bebouwing en/of voorzieningen te voorkomen.

3.2.3 Lid 3: de aspecten omgeving en mobiliteit in de toelichting op het bestemmingsplan

Het derde lid vereist een verantwoording waaruit blijkt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan is onderzocht wat de effecten zijn op omgeving en mobiliteit, en op welke wijze het plan daarmee rekening houdt.

Onder a is vermeld met welke waarden van de grond en omgeving rekening moet worden gehouden. Voor een deel gaat het hier om waarden die zijn beschreven in de Verordening, zoals:

  • de ecologische hoofdstructuur,
  • het watersysteem,
  • de groenblauwe mantel,
  • de cultuurhistorische en aardkundige waarden,

Hierbij stelt de provincie informatie beschikbaar die bij de ruimtelijke afweging kan worden betrokken, zoals:

  • gebiedspaspoorten,
  • natuurgegevens,
  • de cultuurhistorische waardenkaart,
  • de bodemwijzer,
  • de wateratlas,
  • gezondheid(risico)kaarten (vanaf juni 2014).

Onder b is opgenomen dat een ontwikkeling moet passen in de omgeving; naast aspecten of de bebouwing vanuit diens verschijningsvorm inpasbaar is, spelen ook afwegingen vanuit milieu en volksgezondheid hierbij een rol. Het is aan de gemeenten om dit in de toelichting van het bestemmingsplan nader af te wegen en te onderbouwen.

De provincie vraagt specifiek in te gaan op omliggende functies in het gebied maar ook of een nieuwe functie past binnen toekomstige (gewenste) ontwikkelingsmogelijkheden van een gebied; bijvoorbeeld een toekomstige woonwijk of juist een gebied waar behoud van een primaat voor de agrarische functie wordt nagestreefd. Dit is onder andere van belang bij een niet-agrarische ontwikkeling in een gebied waar de provincie graag ruimte wil behouden voor agrarische ontwikkelingen.

Onder c staan aspecten op het gebied van mobiliteit waarop de ruimtelijke ontwikkeling wordt beoordeeld. In het bijzonder bij voorzieningen die veel bezoekers trekken, is de bereikbaarheid per openbaar vervoer van belang.

3.2.4 Lid 4: lid 1 t/m 3 niet van toepassing op uitwerking bestemmingsplan

Voor uitwerkingsplannen die zijn gebaseerd op een bestemmingsplan dat niet ouder is dan 10 jaar is de afweging niet nodig. Deze heeft immers plaatsgehad in het betreffende bestemmingsplan.

3.3 Artikel 3.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap

3.3.1 Lid 1: verantwoording van de wijze waarop kwaliteitsverbetering is verzekerd

Een bestemmingsplan moet aangegeven hoe een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaan stedelijk gebied bijdraagt aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap. Hiervoor is in 2011 een handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld, waarin verschillende methodieken zijn uitgewerkt. Op diverse plaatsen in de verordening zijn verbijzonderingen van de kwaliteitsverbetering landschap opgenomen. De verplichtingen die daaruit voortvloeien, maken deel uit van de kwaliteitsverbetering landschap als bedoeld in dit artikel. Bijvoorbeeld in artikel 4.10 (sanering windturbines) artikel 6.2 (er een positieve bijdrage wordt geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke kenmerken en waarden), artikel 6.3 (de landschappelijke inpassing ten minste 10 % van de omvang van het bouwperceel omvat) of artikel 7.7 (sloop van overtollige bebouwing).

Op andere plaatsen is nadrukkelijk bepaald dat dit artikel niet van toepassing is omdat de regeling zelf al voorziet in kwaliteitsverbetering. Dit is onder ander het geval bij ontwikkelingen in de EHS waarvoor een compensatieplicht geldt, de ontwikkeling van ruimte voor ruimte woningen en landgoederen. Er is derhalve geen sprake van een stapeling van regelingen.

3.3.2 Lid 2: kwaliteitsverbetering moet passen in het beleid ten aanzien van het gebied

In de toelichting geeft de gemeente aan dat de inzet van de kwaliteitsverbetering past binnen het beleid voor een gebied of de omgeving. Dit kan bijvoorbeeld door aan te geven dat de maatregelen passen bij het aanwezige landschapstype of door te verwijzen naar een landschapsplan of gemeentelijke structuurvisie waarin landschapsdoelen zijn opgenomen. De Vr biedt derhalve de mogelijkheid dat de kwaliteitsverbetering niet op dezelfde plek plaatsvindt als de ontwikkeling. Het is aan de gemeente om hiervoor beleid te ontwikkelen indien van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. In een dergelijk geval blijft uiteraard een goede landschappelijke inpassing van de ontwikkeling wel vereist.

3.3.3 Lid 3: mogelijke aspecten van kwaliteitsverbetering

Om alle onduidelijkheid over het begrip landschap weg te nemen is duidelijk aangegeven dat het begrip landschap niet alleen betrekking heeft op groenontwikkeling maar ook betrekking heeft op de sloop of uiterlijke verschijningsvorm van bebouwing.

3.3.4 Lid 4: instellen landschapsfonds als alternatief

Gemeenten die een landschapsfonds hebben ingesteld, doen hiervan periodiek verslag in het regionaal ruimtelijk overleg. Investeringen in het kader van ingrijpende herstructurering worden altijd in het regionaal overleg afgestemd.

3.3.5 Lid 5: verantwoording afspraken kwaliteitsverbetering landschap

In het najaar 2012 hebben veel gemeenten in het kader van het regionaal overleg afspraken gemaakt met de provincie over de toepassing van de kwaliteitsverbetering landschap. Voor die gemeenten geldt dat zij in de toelichting van het bestemmingsplan naar deze afspraken kunnen verwijzen. Overigens is het daarbij nog steeds nodig dat conform de gemaakte afspraken de kwaliteitsverbetering bij concrete ontwikkelingen in het bestemmingsplan geborgd wordt. Jaarlijks wordt er in de RRO gekeken hoe de gemeenten met de kwaliteitsverbetering zijn omgegaan, bijvoorbeeld naar aanleiding van de Vragenlijst RO die jaarlijks bij gemeenten wordt uitgezet.

3.3.6 Lid 6: het artikel is niet van toepassing op uitwerkingsplannen.

Voor uitwerkingsplannen die zijn gebaseerd op een bestemmingsplan dat niet ouder is dan 10 jaar is de toepassing van dit artikel niet nodig. Voor bestemmingsplannen die zijn gebaseerd op een eerdere verordening is de kwaliteitsverbetering geborgd in het bestemmingsplan zelf, bijvoorbeeld als voorwaarde voor toepassing van de uitwerkingsbevoegdheid.

3.4 Artikel 3.3 Afwijking in verband met maatwerk

3.4.1 lid 1 ondergeschikte afwijkingen

Voor veel regels geldt dat een beperkte afwijking van de daarin opgenomen maten, niet direct gevolgen heeft voor de achterliggende doelstellingen. Met name regels die eigenlijk meer het karakter van een richtlijn hebben, lenen zich daar voor. Voorbeelden: de maximale omvang van bedrijfsgebonden kantoren, de maatvoering van nieuwe landgoederen en de oppervlakte van kassen buiten de glastuinbouwgebieden. Vanzelfsprekend gaat het hierbij om relatief kleine afwijkingen. Afwijking is slechts mogelijk op basis van een goede motivering waarbij wordt aangetoond dat wel wordt voldaan aan de achterliggende doelstelling van de betreffende regel. Randvoorwaarde is dat de ruimtelijke kwaliteit niet mag worden aangetast.

Het bieden van afwijkingsmogelijkheden aan de gemeente betekent overigens niet dat de provincie geen grip meer heeft op een ontwikkeling ten behoeve waarvan de gemeente gebruikt maakt van een afwijkingsmogelijkheid. Gedeputeerde Staten zullen beoordelen of de gemeente de afwijking heeft onderbouwd met een goede motivering waarbij voldoende rekening is gehouden met het provinciaal belang. Zo nodig kunnen Gedeputeerde Staten advies uitbrengen, een zienswijze indienen of een reactieve aanwijzing geven, als ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd gebruik is gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid. Vanzelfsprekend past hier wel enige terughoudendheid.

3.4.2 lid 2 nieuwvestiging

Onder stringente voorwaarden kan een bestemmingsplan voorzien in nieuwvestiging van een ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat hierbij altijd om een verplaatsing van een gelijkwaardige ruimtelijke ontwikkeling van elders in het kader van een groot openbaar belang. Rondom de invulling van het begrip groot openbaar belang bestaat veel jurisprudentie. De provincie sluit daarbij aan. Het gaat dan bijvoorbeeld om de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk of de aanleg van een natuurgebied. Nieuwvestiging is overigens alleen mogelijk als is aangetoond dat er geen mogelijkheden bestaan voor vestiging. Verder is nadrukkelijk bepaald dat de regels uit hoofdstukken 3 en 4 van overeenkomstige toepassing zijn.

Hoofdstuk 4 Toelichting op structuren

4.1 Artikel 4 Stedelijke structuur

Dit artikel bevat de kern van het provinciaal verstedelijkingsbeleid. De provincie onderscheidt binnen de stedelijke structuur stedelijk concentratiegebied en kernen in het landelijk gebied.

Het beleid van de provincie is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden.

Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Alleen als daarvoor geen mogelijkheden bestaan, kan een stedelijke ontwikkeling buiten het bestaande stedelijke gebied plaatsvinden binnen daarvoor in de verordening aangeduide zoekgebieden.

De provincie ziet de stedelijke concentratiegebieden en de daarbij behorende zoekgebieden als ruimtelijk samenhangende verstedelijkte gebieden. Binnen deze gebieden liggen mogelijkheden voor verdere verstedelijking. Bij de begrenzing van de concentratiegebieden is aangesloten op bestaande, veelal historisch gegroeide, grote stedelijke concentraties alsmede de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Daarnaast is de ligging aan belangrijke wegen, spoorwegen en vaarwater van belang omdat de stedelijke concentraties ook in de toekomst goed bereikbaar moeten zijn. De gebieden zijn dusdanig ruim dat ze de komende 20 à 25 jaar voorzien in de ruimtebehoefte.

Het bundelingsbeleid heeft directe gevolgen voor de groeimogelijkheden in de kernen in het landelijke gebied . In en rondom deze kernen staat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal. Voor deze kernen geldt in het algemeen dat er nieuwe woningen alleen mogelijk zijn als dat nodig is voor de natuurlijke bevolkingsgroei. Dat wil zeggen dat nieuwkomers in de kernen en vertrekkende huidige inwoners niet meetellen ( migratiesaldo-nul ). Ook kunnen kernen plaats bieden aan kleinschalige en middelgrote bedrijvigheid. Bedrijven die doorgroeien tot een groot bedrijf behoren in beginsel thuis in een stedelijk concentratiegebied.

Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling; uiteraard binnen de grenzen van wetgeving en de regionale woningbouwafspraken. Wel is in artikel 3.1 een aantal bepalingen opgenomen over zorgvuldig ruimtegebruik en de verantwoording die de provincie daarover vraagt aan gemeenten.

Buiten het bestaand stedelijk gebied geldt als uitgangspunt dat er alleen nieuwe stedelijke ontwikkeling mag plaatsvinden indien deze niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende kern of in een andere kern van een gemeente mogelijk is. De provincie vraagt om dit in de toelichting van een bestemmingsplan -zowel in stedelijke concentratiegebieden als in kernen in landelijk gebied- te verantwoorden. Deze verantwoording is gebaseerd op onderzoek, dan wel op concreet beleid vastgelegd in een gemeentelijke structuurvisie.

Voor het optimaal benutten van het bestaand stedelijk gebied ligt het accent op inbreiden en herstructureren . Hierbij wordt aandacht gevraagd voor:

  • compacte bouwwijzen; en
  • intensivering van ruimtegebruik, bijvoorbeeld door functies als wonen, werken en zorg te combineren.

De provincie realiseert zich dat zorgvuldig ruimtegebruik moet aansluiten op het karakter en de kwaliteiten van het desbetreffende gebied. Bovendien ligt er een opgave om in de stedelijke concentratiegebieden en vooral in de grote steden te bezien welke belangrijke knooppunten zich lenen voor intensief en multifunctioneel ruimtegebruik. Dat speelt een rol bij het maken van de regionale afspraken over programma`s en locaties voor wonen, werken en voorzieningen.

Voordat in de kernen in landelijk gebied bedrijventerreinen en kantoorlocaties worden aangelegd of uitgebreid, is altijd eerst onderzoek naar alternatieven nodig. De voorkeur gaat uit naar bestaand stedelijk gebied van de kernen van de gemeente zelf, van aangrenzende gemeenten of regionale bedrijventerreinen (zoals aangewezen in de Verordening).

Hoofdstuk 4 gaat nader in op de aanduidingen 'zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling' en 'gebieden integratie stad-land'.

4.2 Artikel 4.1 Omschrijving

Dit artikel geeft aan wat onder bestaand stedelijk gebied valt en bevat de indeling in stedelijk concentratiegebied en een kern in het landelijk gebied.

4.3 Artikel 4.2 Stedelijke ontwikkeling

Dit artikel bepaalt dat stedelijke ontwikkeling als hoofdregel alleen mogelijk is binnen vastgesteld bestaand stedelijk gebied. Dit is opgenomen om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen.

In het geval dat het niet mogelijk is om binnen bestaand stedelijk gebied te voorzien in de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling, zijn er specifieke aanduidingen in deze verordening opgenomen. Binnen de aanduidingen zoekgebied stedelijke ontwikkeling (artikel 8) en integratie stad-land (artikel 9) is stedelijke ontwikkeling -onder voorwaarden- afweegbaar.

4.4 Artikel 4.3 Nieuwbouw van woningen

De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de bouw van woningen, en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor, rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel bevat regels over de verantwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten.

Voor de onderbouwing van de behoefte is het nodig een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteit. Als er elders binnen de gemeente nog voldoende capaciteit bestaat om in de behoefte te voorzien, is er mede gelet op zorgvuldige ruimtegebruik geen nieuwe capaciteit voor de bouw van woningen nodig. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de nieuwbouw van woningen. Deze afspraken worden jaarlijks gemaakt en zo nodig herzien. Zij worden gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose, zoals bepaald in artikel 37.6 van deze Verordening.

De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Daarnaast kunnen de afspraken betrekking hebben op:

  • de aard van de woningen voor bijzondere doelgroepen zoals ouderen, jongeren, zorgvragers, arbeidsmigranten, starters op de woningmarkt en in het bijzonder groepen met een lager inkomen;
  • de aard van de woningen met betrekking tot de woningbouwcategorieën sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en particulier opdrachtgeverschap (zoals geregeld in artikel 3.1.2, eerste lid, Besluit ruimtelijke ordening);
  • locaties waaraan in regionaal verband de voorkeur worden gegeven.

4.5 Artikel 4.4 Ontwikkeling van bedrijventerreinen en kantorenlocaties

De provincie vindt het belangrijk dat een substantieel deel van de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen en kantorenlocaties wordt gerealiseerd door verouderde locaties te herstructureren en de ruimte op bestaande locaties beter te benutten. Dit artikel geeft algemene regels over de manier waarop gemeenten hierover verantwoording afleggen. Voorbeelden van mogelijkheden om ruimte intensiever en meervoudig te gebruiken zijn:

  • de aanleg van ondergrondse of inpandige parkeervoorzieningen;
  • het meer in de hoogte bouwen;
  • het terugdringen van restruimte;
  • gezamenlijk parkmanagement.

Vergelijkbaar met artikel 4.3 over woningbouw wordt nadrukkelijk een relatie gelegd met gemaakte afspraken in het Regionaal Ruimtelijk Overleg en de bestaande harde plancapaciteit.

De provincie vraagt daarbij expliciet aandacht om oneigenlijk gebruik van bedrijventerreinen door functies als wonen of detailhandel te beperken.

In het vierde lid wordt aangegeven wat onder oneigenlijk ruimtegebruik wordt verstaan. De genoemde functies zijn in het algemeen goed in te passen in een (gemengde) woonomgeving of op een woon-werklocatie. Bij vestiging op een (middel) zwaar bedrijventerrein, waar juist ruimte geboden wordt aan bedrijven met een hinderprofiel, leveren deze functies beperkingen op voor die bedrijven. Bovendien nemen ze de schaarse ruimte in beslag die voor dit soort bedrijven beschikbaar is. Daarom is het nodig om deze functies in het algemeen te weren van de (middel)zware bedrijventerreinen. De verordening bevat op dit punt echter geen verbod om deze functies toe te laten maar legt een zware motiveringsplicht op waarom dergelijke functies toegelaten worden op (aangewezen delen van) een middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein. Met de in dit lid genoemde milieucategorieën wordt verwezen naar de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'.

4.6 Artikel 4.5 Bestaande bedrijventerreinen en kantorenlocaties

De provincie legt in zijn ruimtelijk beleid sterk de nadruk op een duurzamere inrichting van bedrijventerreinen en kantorenlocaties. Het Brabants centrum voor duurzame ontwikkeling Telos verstaat onder duurzaamheid:

  • zuinig ruimtegebruik;
  • inrichting die bijdraagt aan provinciale milieudoelstellingen;
  • bijzondere aandacht voor aanzien (beeldkwaliteit);
  • optimale economische kwaliteit van het terrein.

De regels in dit artikel zorgen er voor dat deze aspecten uitdrukkelijk aan bod komen bij de herziening van een bestemmingsplan ten behoeve van de herontwikkeling van bedrijventerreinen en kantorenlocaties.

4.7 Artikel 4.6 Aanvullende regels voor bedrijven in kernen in landelijk gebied

De provincie hanteert als uitgangspunt dat grote bedrijven niet passen in kernen in landelijk gebied. Bij doorgroei tot een groot bedrijf dat naar zijn aard, omvang en functie niet langer in landelijk gebied past, is verplaatsing gewenst naar een bedrijventerrein in stedelijk concentratiegebied, het bovenregionale bedrijventerrein Moerdijk of het bovenregionale Logistiek Park Moerdijk. Daarnaast kunnen dergelijke bedrijven terecht op de speciaal aangewezen regionale bedrijventerreinen (artikel 10). Deze terreinen zijn speciaal aangewezen in die delen van het landelijk gebied die op grote(re) afstand liggen van stedelijk concentratiegebied.

Waar mogelijk zal de provincie gewenste ontwikkelingen stimuleren en ongewenste ontwikkelingen tegengaan. Om te voorkomen dat verhouding tussen de schaal van het bedrijf en die van zijn omgeving wordt verstoord, geldt voor bedrijven in kernen een maximum kavelgrootte van 5.000 m2 . Maatwerk is echter mogelijk; gemeenten hebben een zekere mate van vrijheid om bestaande, grote bedrijven te laten groeien. Bij een voorgenomen uitbreiding of vestiging van een bedrijf dat groter is of wordt dan 5.000 m2, is een specifieke afweging noodzakelijk. Dit artikel geeft de criteria daarbij.

4.8 Artikel 4.7 Mestbewerking

Vanuit landelijke regelgeving ontstaat de verplichting om te voorzien in voldoende capaciteit om het mestoverschot te verwerken. Hiervoor is in Brabant een uitbreiding van de mestbewerkingscapaciteit nodig. Het beleid is er daarbij op gericht dat Brabant voldoende capaciteit ontwikkelt om het eigen mestoverschot te verwerken op daarvoor geschikte locaties.

In de nationale regelgeving wordt gesproken over mestverwerking. In deze verordening sluiten wij bij de definitie van mestverwerking uit de nationale regelgeving aan. Deze definitie is gericht op de beleidsmatige doelstelling die bereikt moet worden en niet op de activiteit zelf. Voor de verordening is het relevant om voorwaarden te bepalen voor de activiteit. Daarom wordt in de Vr2014 gesproken over mestbewerking.

De verordening definieert mestbewerking als volgt:

de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygienisatie of indamping van mest.

Dit betekent dat ook vormen van (co)vergisting van mest onder de definitie van mestbewerking vallen.

Om een overaanbod aan mestbewerking tegen te gaan, is sturing op provinciaal niveau gewenst. Daarom zijn er in de verordening regels opgenomen over mestbewerking op bedrijventerreinen en op locaties in het gemengd landelijk gebied (artikel 7.12).

In dit artikel zijn de voorwaarden voor mestbewerking op bedrijventerreinen opgenomen. Hoofdregel is dat een bestemmingsplan de vestiging en uitbreiding van mestbewerking uitsluit.

Een uitzondering op dit verbod is mogelijk als een concreet initiatief aantoont dat het aan de gestelde randvoorwaarden voldoet. Een nadere toelichting op deze randvoorwaarden is bij artikel 7.12 opgenomen. Sluitstuk van de regeling voor mestbewerking is dat er rechtstreekse regels in artikel 33 zijn opgenomen die toegepast moeten worden bij omgevingsvergunningaanvragen zolang een bestemmingsplan nog niet is aangepast aan de regels uit de verordening.

4.9 Artikel 4.8 Detailhandelslocaties

Noord-Brabant heeft de ambitie tot de top van Europese kennis- en innovatie regio's te blijven behoren. Een aantrekkelijk leef-, woon- en vestigingsklimaat is hiervoor een essentiële voorwaarde. Dit zorgt ervoor dat bedrijven de weg naar Brabant weten te vinden, werknemers hier prettig wonen en innovaties sneller plaatsvinden. Juist met het oog op de aantrekkelijkheid van Brabant vindt de provincie een vitale en toekomstbestendige detailhandelsstructuur van groot belang. Een detailhandelsstructuur waarin plaats is voor innovaties en die ruimte biedt aan 'crossovers' (verbindingen) met diverse andere economische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. De Structuurvisie ruimtelijke ordening omschrijft daarom dat de ontwikkeling van detailhandelslocaties een provinciaal belang betreft.

De detailhandelsmarkt verandert structureel van aard. Door een toenemende mobiliteit van de consument, een ruimer blikveld van de ondernemer, demografische ontwikkelingen en een toename van internetshoppen is er minder behoefte aan fysieke winkelruimte. Dit betekent dat ondernemers, ontwikkelaars, gemeenten en beleggers zorgvuldiger moeten omgaan met het bijbouwen van nieuwe winkels. Iedere nieuwe detailhandelsontwikkeling zal namelijk gevolgen hebben voor de bestaande situatie, ook in omliggende gemeenten. Vanwege de schaalvergroting is de detailhandel niet meer uitsluitend een lokale, maar een bovenlokale of regionale aangelegenheid.

De voornaamste taak van de provincie is om (ruimtelijke) ontwikkelingen van detailhandelslocaties regionaal en bovenregionaal af te stemmen. De aanpak van de detailhandel wordt op eenzelfde wijze vormgegeven, zoals dat voor bedrijventerreinen, kantoren en woningbouw het geval is. In de Regionaal Ruimtelijke Overleggen wil de provincie met gemeenten afspraken maken over welke detailhandelslocaties regionaal en bovenregionaal moeten worden afgestemd.

De provincie heeft zich hierover uitgebreid laten adviseren door een expertteam detailhandel, met vertegenwoordigers van overheden, marktpartijen en kennisinstellingen, SER-Brabant en de Provinciale Omgevingscommissie.

In het tweede lid van dit artikel zijn regels opgenomen inzake op detailhandelslocaties op bovenregionale schaal. Hierbij is aangegeven wanneer van zulke detailhandel sprake is. De criteria zijn gebaseerd op onderzoek in het kader van de voorbereiding van de Structuurvisie ruimtelijke ordening (Strategienota detailhandel en leisure, 2009). Bij amendement hebben PS de mogelijke ontwikkeling van een bovenregionale detailhandelslocatie geschrapt. Als er sprake is van een dergelijke ontwikkeling, vergt dat aparte besluitvorming van provinciale staten.

Ontwikkelingen die het lokale niveau overstijgen maar die niet bovenregionaal zijn, worden besproken in de regionale ruimtelijke overleggen. Vergelijkbaar als bij artikel 4.3 over woningbouw wordt nadrukkelijk een relatie gelegd met gemaakte afspraken in het Regionaal Ruimtelijk Overleg en de bestaande harde plancapaciteit (artikel 37.8).

4.10 Artikel 4.9 Leisure voorzieningen

De term 'leisure' omvat vrijwel alle vormen van (stedelijke) vrijetijdsbesteding. In het kader van de Verordening ruimte is de volgende definitie opgenomen (zie ook artikel 1.50):

grootschalige en publiekaantrekkende voorzieningen ten behoeve van entertainment, cultuur, recreatie of sport.

Voorbeelden van leisure voorzieningen zijn: een megabioscoop, een grote speelhal en een grote binnensportvoorziening (bijvoorbeeld een ijsbaan, zwembad). Het onderscheid tussen leisure en detailhandel is niet altijd even duidelijk. Ook 'funshoppen' wordt vaak gezien als een specifieke vorm van leisure. In deze verordening gelden voor ontwikkelingen die overwegend gericht zijn op detailhandel de regels zoals opgenomen in artikel 4.8.

Evenals bij detailhandelsvoorzieningen is ook voor leisure voorzieningen bepaald dat provinciale sturing noodzakelijk is voor grootschalige voorzieningen die een bovenregionale functie vervullen. Om het vestigingsklimaat van Brabant te versterken, is de ontwikkeling van dergelijke voorzieningen alleen mogelijk binnen de gemeenten 's-Hertogenbosch, Breda, Tilburg, Eindhoven en Helmond. De provincie vraagt daarbij om in de toelichting specifiek in te gaan op de aspecten genoemd in lid 4. In het vijfde lid is een redelijke uitbreidingsmogelijkheid voor een bestaande bovenregionale leisure voorziening.

4.11 Artikel 4.10 Windturbines

De provincie wil ruimte bieden voor het opwekken van duurzame energie. Omdat windturbines grote invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit, is het nodig om algemene regels te stellen. De regels in dit artikel hebben betrekking op de stedelijke structuur.

Hierbij hanteert de provincie de volgende indeling:

  • Kleine windturbines: mast tot 15 meter hoog;
  • Middelgrote windturbines: mast van 25 tot 60 meter hoog, wiekdiameter van 10 tot 50 meter en een maximaal opwekkingsvermogen van 50 kW tot 1.000 kW;
  • Grote windturbines: mast vanaf 60 meter, wiekdiameter vanaf 50 meter en een maximaal opwekkingsvermogen vanaf 1.000 kW.

De bouw van windturbines met een hoogte van minder dan 25 meter is een verantwoordelijkheid van gemeenten. In de verordening zijn alleen regels opgenomen voor (middel)grote windturbines.

In de Structuurvisie ruimtelijke ordening is opgenomen dat de ontwikkeling van (middel)grote windturbines zo veel mogelijk dient aan te sluiten bij de karakteristiek van het landschap. Vanwege het grootschalige karakter, kiest de provincie ervoor de ontwikkeling alleen toe te laten bij zogenaamde grootschalige landschappen, zoals (middel)zware bedrijventerreinen, hoofdinfrastructuur en het grootschalige open polderlandschap in West-Brabant. Doordat de grootschalige (middel)zware bedrijventerreinen met name in stedelijk concentratiegebied liggen is ligging in stedelijk concentratiegebied als voorwaarde opgenomen. Om verrommeling tegen te gaan kiest de provincie er voor om geen solitaire windturbines toe te laten.

Voor opstellingen in de stedelijke structuur, of direct aansluitend daarop, geldt dat er sprake moet zijn van minimaal drie windturbines in lijn- of clusteropstelling. De realisatie van de windturbines kan gefaseerd en door meerdere exploitanten geschieden.

In het artikel is onder c bepaald dat moet zijn verzekerd dat windturbines die niet meer worden gebruikt, worden gesloopt. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente er voor te zorgen dat deze zekerheid is gegarandeerd.

4.12 artikel 4.11 Veehouderij

In dit artikel is opgenomen dat een bestemmingsplan binnen bestaand stedelijk gebied geen ontwikkelingsmogelijkheden kan bieden aan veehouderijen. Voor bestaande veehouderijen geldt het zogenaamde 'slot op de muur'.

4.13 Artikel 4.12 Wijziging grenzen bestaand stedelijk gebied op verzoek

Ingeval van een beperkte afronding van bestaand stedelijk gebied kan een gemeente aan GS verzoeken om de grens van het bestaand stedelijk gebied te wijzigen. Hierbij kijkt GS vooral of er sprake is van een logische afronding van de stedenbouwkundige opzet en of er geen waarden van provinciaal belang worden aangetast. De regels omtrent kwaliteitsverbetering van het landschap worden nageleefd. De algemene procedure voor wijziging van grenzen op verzoek staat in artikel 36.5.

4.14 Artikel 5 Ecologische hoofdstructuur

4.14.1 Inleiding

De provincie kiest in de Structuurvisie ruimtelijke ordening voor een vitaal en mooi landelijk gebied in Brabant. Dit is uitgewerkt in twee robuuste structuren: de 'groenblauwe structuur' en het 'gemengd landelijk gebied' , die in artikel 7 van deze verordening is uitgewerkt.

In de groenblauwe structuur kiest de provincie voor een koppeling van het water- en natuursysteem van Brabant. Door meer samenhang in natuur en water worden het landschap en recreatiemogelijkheden versterkt. Deze aanpak maakt het ook mogelijk de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter op te vangen.

De in artikel 5 opgenomen ecologische hoofdstructuur maakt deel uit van de kern van de groenblauwe structuur. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er binnen de groenblauwe structuur ook gebieden opgenomen als verbinding tussen de ecologische hoofdstructuur en het landelijk gebied; de groenblauwe mantel (artikel 6).

4.14.2 EHS: algemeen

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Voorbeelden van dergelijke gebieden in Brabant zijn: de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden en wateren zoals rivieren en beken. Het doel van het EHS-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten.

Om de populaties gezond te houden en de genetische uitwisseling te bevorderen, moeten de gebieden groot genoeg zijn en de mogelijkheid bieden voor migratie tussen de gebieden. Om de EHS als zo`n netwerk te laten functioneren, werkt de provincie samen met andere partijen aan het aanleggen van ecologische verbindingszones en het oplossen van faunaknelpunten in de wegenstructuur. Als de omstandigheden in een bepaald gebied (tijdelijk) verslechteren, dan kan een soort uitwijken naar een ander geschikt gebied. In het licht van de klimaatveranderingen is dit van toenemend belang. De ecologische verbindingszones zijn (vaak) langgerekte landschapselementen die als groene schakels de Brabantse natuurgebieden met elkaar verbinden.

De ecologische hoofdstructuur in Noord-Brabant hangt samen met de ecologische hoofdstructuur in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000.

De EHS bestaat uit:

  • bestaande natuur- en bosgebieden;
  • gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming is verdwenen;
  • nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig.

Het provinciale beleid is erop gericht om het netwerk in 2027 gereed te hebben. Dit wordt in het algemeen bereikt door:

  • het concreet aanwijzen van de gebieden die tot de EHS behoren en het vastleggen van de natuurdoelen ( bepalen );
  • voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer ( deelname );
  • inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden ( inrichting );
  • realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid ( uitvoering ).

Ondanks afnemende rijksmiddelen kiest Brabant er voor om samen met de zogenaamde regionale 'Manifestpartners' de hele EHS in Brabant realiseren. De provincie nodigt particuliere eigenaren en ondernemers uit om delen van de EHS te ontwikkelen. Natuur en landschap wordt meer vanuit de regio en dichter bij de samenleving gerealiseerd. De provincie biedt daarbij de ruimte om economische ontwikkeling te koppelen aan investeringen in natuur. Voor het ruimtelijk beleid heeft dit met name gevolgen voor het compensatiebeleid. De mogelijkheden voor financiële compensatie worden verruimd, fysieke compensatie is in beginsel alleen nog mogelijk binnen de nog niet gerealiseerde delen van de EHS. Een uitzondering op de verplichte compensatie in de EHS is in het geval van gebiedsontwikkelingen waarbij een aantasting van de EHS plaatsvindt en waarbij via de saldobenadering compensatie wordt voorgesteld.

Doordat het rijk nog wel uitvoering geeft aan die delen van de EHS die vanwege Europese verplichtingen gerealiseerd moeten worden, ontstaat er een tweedeling in rijks- en provinciale EHS. Voor de rijks-EHS geldt op basis van het Rijksbeleid (Nota ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting om de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied in stand te houden en te beschermen. Niet alleen het behouden, herstellen en beschermen van bestaande waarden in de EHS is belangrijk: er moet ook ruimte zijn voor ontwikkelingen . Juist daarmee ontstaan ook kansen voor de realisering en versterking van de EHS. Hiertoe zijn in het Rijksbeleid (nota Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) instrumenten ontwikkeld. Deze instrumenten zijn vastgelegd in het door Rijk en provincies opgestelde document “Spelregels EHS beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzen EHS” (20 augustus 2007). Deze spelregels zijn in de Verordening nader uitgewerkt. Het betreft:

  • 1. het zogenoemde 'nee, tenzij-principe' : (nieuwe) plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Wezenlijke actuele en potentiële waarden van het gebied zijn bijvoorbeeld: natuurdoelen en -kwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid en de landschapsstructuur. Indien er inderdaad sprake is van een significant effect op deze waarden, is een ingreep alleen toegestaan indien er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven beschikbaar zijn (bij individuele ingrepen);
  • 2. de saldobenadering: als een combinatie van plannen, projecten of handelingen per saldo tot een kwantitatieve en kwalitatieve verbetering van de EHS leidt.
  • 3. kleinschalige ingrepen: in geval van een kleinschalige ingreep kan de grens van de EHS worden aangepast.

Sluitstuk van de toepassing van de spelregels is dat er compensatie moet plaatsvinden. In deze gevallen is de toepassing van artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering van het landschap) niet van toepassing.

De provincie hanteert dezelfde uitgangspunten voor de zogenaamde provinciale EHS. Op de kaarten van de verordening is dan ook geen verschil gemaakt tussen de rijks- of de provinciale EHS.

Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege de EHS geen grond om de activiteit tegen te houden. Wel wordt de activiteit uiteraard nog getoetst aan ander (ruimtelijk) beleid of regelgeving.

Deze verordening laat ruimte voor bestaande niet-natuurbestemmingen en de daarmee verbonden ontwikkelmogelijkheden (bouw en gebruik) op grond van het geldende bestemmingsplan. Alleen als GS of het bestuur van een waterschap de verplichting heeft de inrichting en beheer voor natuurdoeleinden te verzekeren, verplicht deze verordening tot omzetting naar een adequate natuurbestemming. Een voorbeeld van een dergelijke verplichting is het vaststellen van een inrichtingsplan op grond van de Wet inrichting landelijk gebied. In dat geval zal GS of een waterschap zich daaraan moeten houden en is inrichting en beheer binnen de begrenzing van de EHS verzekerd. De gemeente moet dan op grond daarvan het bestemmingsplan aanpassen. Voor percelen die onder toedeling vallen, is inrichting en beheer pas verzekerd als er naast het inrichtingsplan ook een akte van toedeling is. Op dat moment is duidelijk om welke percelen het gaat en kan van de gemeente worden gevraagd het bestemmingsplan aan te passen.

4.15 Artikel 5.1 Bescherming ecologische hoofdstructuur

4.15.1 Lid 1: basisbescherming van de EHS

Het eerste lid van dit artikel bevat de kern van de planologische bescherming van de EHS. Het verplicht gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen aan te sluiten bij de ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven.

Onder sub b is erkend dat het in stand houden en ontwikkelen van natuurwaarden in strijd kan zijn met cultuurhistorische waarden en dat met deze waarden rekening moet worden gehouden. Met deze bepaling is invulling gegeven aan artikel 3.12 lid 6 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Onder cultuurhistorische waarden worden verstaan: cultureel erfgoed, structuren en landschapselementen met betrekking tot bouwkundig erfgoed, historische groenwaarden, historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. Op provinciaal niveau zijn deze waarden vastgelegd op de Cultuur-historische Waardenkaart van Noord-Brabant en waar nodig vertaald in deze verordening.

Onder c. is een algemene bepaling opgenomen ter bescherming van de gevestigde belangen en rechten. De Verordening respecteert wat in geldende bestemmingsplannen is geregeld. Dit betekent dat de ontwikkelmogelijkheden van een agrarisch bedrijf, een recreatiewoning en een niet-agrarisch bedrijf die zijn opgenomen in een geldend bestemmingsplan in stand blijven. Het betekent ook dat er geen nieuwe ontwikkelmogelijkheden geschapen mogen worden door een bestemmingsplan te herzien of door verlening van een omgevingsvergunning.

4.15.2 Lid 2: ecologische waarden en kenmerken

Het eerste lid bepaalt dat ecologische waarden en kenmerken bescherming behoeven. Deze waarden en kenmerken zijn per gebied vastgelegd in een beheertypenkaart en in een ambitiekaart. Beide kaarten vormen de kern van het natuurbeheerplan. De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele situatie is. De ambitiekaart geeft de gewenste eindsituatie (ambitie) aan.

4.15.3 Lid 3 en 4: bescherming van gevestigde belangen en rechten en kleinschalige nieuwe bebouwing

In lid 3 is een mogelijkheid opgenomen om kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurbestemming of het recreatieve medegebruik daarvan toe te laten. In de praktijk blijkt dat hieraan behoefte bestaat en de verplichting tot vestiging op een bestaand bouwperceel, die in het algemeen geldt, hier op onnodige bezwaren stuit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het oprichten van een brandtoren in een natuurgebied of de aanleg van een boomtoproute in een bosgebied. Voorwaarde is wel dat deze geen aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS tot gevolg hebben. Naast deze specifieke bepaling is het niet gewenst dat zich binnen de EHS rechtstreeks nieuwe ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, anders dan door toepassing van de eerder genoemde spelregels EHS. Daarom is expliciet bepaalt dat de mogelijkheid tot nieuwvestiging uit artikel 3.3 niet van toepassing is.

4.15.4 Lid 5: verplichte omzetting natuurbescherming na verzekerde uitvoering

Indien de inrichting en het beheer voor natuurdoeleinden zijn verzekerd, dient de gemeente de geldende niet-natuurbestemming om te zetten naar een adequate natuurbestemming. Dit is het geval bij (juridische) verplichtingen van GS of van een waterschapsbestuur.

4.15.5 Lid 6: externe bescherming van de EHS

Indien een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten de EHS, kan er nog steeds sprake zijn van aantasting van de EHS. Denk aan aantasting door geluid, geur of vervuiling. In dit lid is bepaald dat de negatieve effecten, waar mogelijk, worden beperkt en als dat niet mogelijk is, worden gecompenseerd . Omdat het hier gaat om een ontwikkeling buiten de EHS, is artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering landschap) van toepassing. Per geval wordt bekeken of de verplichte compensatie voldoende is om aan de verplichte kwaliteitsverbetering te voldoen of dat er aanvullend maatregelen nodig zijn. Voorop staat dat de compensatie van de EHS altijd gebeurt.

4.16 Artikel 5.2 Wijziging van de begrenzing om ecologische redenen

De mogelijkheid bestaat om de begrenzing van de EHS aan te passen vanwege een duidelijke ecologische reden. Voorbeelden zijn de verbetering van milieu- en watercondities in een gebied of verzoeken van particulieren om te starten met particulier- of agrarisch natuurbeheer in ecologisch kansrijke, maar niet begrensde gebieden.

Het initiatief voor aanpassing van de begrenzing ligt bij de provincie.

Binnen de provincie Brabant is er sprake van een overbegrenzing van de EHS. Zolang daarvan sprake is, is er voor GS geen plicht om weer nieuwe EHS aan te wijzen als zij van deze bevoegdheid gebruik maken.

De overbegrenzing van de EHS is in de loop van 15 jaar geleidelijk ontstaan doordat op verzoek van derden extra nieuwe EHS is toegekend. Deze nieuwe EHS heeft de bestaande EHS versterkt en geeft invulling aan ecologisch waardevolle initiatieven van particulieren en terrein beherende organisaties. Deze overbegrenzing is in 2010 opgelopen naar ongeveer 500 ha en is tot en met 2013 verminderd tot 403 ha.

De omvang van de overbegrenzing wordt bijgehouden in het kader van het natuurbeheerplan. Per wijzigingsbesluit van dit plan wordt steeds aangegeven of de overbegrenzing afneemt en zo ja met hoeveel hectare.

4.17 Artikel 5.3 Wijziging van de begrenzing op verzoek met toepassing 'nee-tenzij principe'

Dit artikel beschrijft een eerste uitzondering op het principe dat geen inbreuk is toegestaan op ecologische waarden en kenmerken van de EHS. Een uitzondering kan worden gemaakt indien er sprake is van een groot openbaar belang en alternatieven aantoonbaar ontbreken. Het ontbreken van alternatieven mag niet zonder meer worden aangenomen. Het tweede lid stelt eisen aan het onderzoek dat op dit punt moet worden uitgevoerd. Als eenmaal blijkt dat de ingreep aan deze vereisten voldoet, is deze alleen toegestaan als de effecten van de inbreuk afdoende worden bestreden en gecompenseerd. Dit beleid is in de “Spelregels EHS” terug te vinden onder Uitwerking compensatiebeginsel. Voor omheinde militaire terreinen gelden overeenkomstig het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) aparte regels.

4.18 Artikel 5.4 Wijziging van de begrenzing op verzoek met toepassing van de saldobenadering

Dit artikel beschrijft een tweede uitzondering op het principe dat geen inbreuk is toegestaan op ecologische waarden en kenmerken van de EHS en richt zich op een combinatie van activiteiten. Bij een afzonderlijke beoordeling van deze activiteiten ontstaat geen meerwaarde voor de EHS of juist een inbreuk hierop. Door de activiteiten echter in onderlinge samenhang te beoordelen, kan de kwaliteit en/of kwantiteit van de EHS per saldo verbeteren. Dit is de ' saldo-benadering '. Hiermee wordt een gebiedsgerichte aanpak bevorderd.

Eén van de voorwaarden om de saldobenadering te kunnen toepassen, is dat de activiteiten onderdeel uitmaken van een gebiedsvisie. Dit kan een provinciale of gemeentelijke structuurvisie zijn. Hiermee wordt geborgd dat een combinatie van activiteiten binnen één ruimtelijke gebiedsvisie onderlinge samenhang vertoont. Tevens is zo verzekerd dat toepassing van de saldobenadering de kwaliteit van de EHS daadwerkelijk verbetert.

4.19 Artikel 5.5 Wijziging van de begrenzing op verzoek bij kleinschalige ingrepen

Dit artikel beschrijft een derde en laatste uitzondering op het principe dat geen inbreuk is toegestaan op ecologische waarden en kenmerken van de EHS en is gericht op kleinschalige uitzonderingsgevallen. Deze uitzondering is niet bedoeld om het beschermingsregime van de EHS te omzeilen. Vandaar ook dat als voorwaarde is opgenomen dat er enkel sprake kan zijn van nieuwe begrenzing indien een versterking van de EHS ontstaat. Dit kan bijvoorbeeld zijn doordat er knelpunten worden opgelost of een kwaliteitsverbetering ontstaat naast de verplichte compensatie.

4.20 Artikel 5.6 Compensatie

Ten opzichte van de Verordening ruimte 2012 is er voor gekozen om niet langer het primaat bij fysieke compensatie te leggen. Het eerste lid biedt de initiatiefnemer de keuze tussen fysieke en financiële compensatie. De voorwaarden die hiervoor gelden, zijn in artikelen 5.7 en 5.8 uitgewerkt.

Op deze plaats wordt benadrukt dat hogere wetgeving, zoals de Natuurbeschermingswet en het Barro, altijd voorgaat op de provinciale verordening. Dat betekent dat er in die gevallen in beginsel geen keuzemogelijkheid bestaat tussen fysieke of financiële compensatie maar dat er de verplichting bestaat om fysiek te compenseren. Daarbij gelden dan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 5.7. Bovendien blijven ongeacht de keuze die wordt gemaakt ook altijd de verplichtingen op grond van de Boswet gelden (indien van toepassing).

In bepaalde situaties is het nodig om met een groter areaal te compenseren dan het areaal dat verloren gaat, om zo dezelfde ecologische kwaliteit te realiseren. Hierbij is van belang hoeveel tijd het betreffende natuurtype nodig heeft om tot optimale kwaliteit te komen en welke functie het natuurtype heeft binnen het lokale ecosysteem. De compensatie van dit kwaliteitsverlies houdt er dan rekening mee dat het enige tijd duurt voordat het compenserende gebied dezelfde kwaliteit heeft als het gebied dat verloren is gegaan. De toeslag wordt uitgedrukt in extra te compenseren oppervlakte natuur en een budget. Het budget komt ten laste van de initiatiefnemer en bestaat uit de extra beheerskosten tijdens de periode van het ontwikkelingsbeheer. De vaststelling van het budget is maatwerk. Als algemene vuistregel kan worden uitgegaan van extra beheerskosten van minimaal 1 à 2 keer de normkosten van het betreffende natuurdoeltype.

4.21 Artikel 5.7 Aanvullende regels voor fysieke compensatie

4.21.1 Lid 1 en lid 2 compensatie in nog niet gerealiseerde EHS en evz

Het is ecologisch van groot belang dat het netwerk van natuurgebieden zo snel mogelijk en robuust wordt gerealiseerd. Omdat de financiële middelen voor de EHS en EVZ ten opzichte van enige jaren terug beperkt zijn, is compensatie in de nog niet gerealiseerde delen van de EHS en EVZ geboden. Dit bevordert bovendien dat er geen nieuwe 'losliggende' natuurgebieden ontstaan maar dat de compensatie altijd plaatsvindt binnen het beoogde netwerk van natuurgebieden.

De verordening spreekt van de nog niet gerealiseerde delen van de EHS en EVZ. Daarmee worden die gebieden bedoeld die nog niet zijn ingericht als EHS of EVZ en waarvoor ook nog geen subsidie is verstrekt voor inrichting.
Zolang er in Brabant sprake is van een overbegrenzing van de EHS is verplichte compensatie binnen de EHS geboden. Dit past binnen het rijksbeleid (Barro). Wanneer er geen sprake meer is van een overbegrenzing wordt de verplichte compensatie binnen de EHS heroverwogen. Voor gebiedsontwikkelingen waarbij de saldobenadering wordt toegepast is een uitzondering opgenomen op de verplichte compensatie binnen de EHS, in het tweede lid.

4.21.2 Lid 3: verplichting compensatieplan

Compensatie speelt een rol bij herbegrenzing met toepassing van het 'nee-tenzij principe' (artikel 5.3), met toepassing van de saldobenadering (artikel 5.4) en in geval van een kleinschalige ingreep (artikel 5.5). Daarnaast is compensatie aan de orde bij aantasting van de EHS door activiteiten die buiten de begrenzing plaatsvinden (artikel 5.1 lid 6). In deze situaties is de initiatiefnemer van het plan, project of handeling verantwoordelijk voor maatregelen die de negatieve effecten voor de EHS beperken of compenseren. Dit moet blijken uit een compensatieplan dat, samen met de bestemmingsplanwijziging waarin de aantasting is opgenomen, bij het verzoek aan GS om herbegrenzing wordt ingediend.

4.21.3 Lid 4: inhoud compensatieplan

In het derde lid van dit artikel zijn de volgende vereisten aan een compensatieplan opgenomen:

a. en b. omschrijving van het nettoverlies en de wijze waarop dit wordt gecompenseerd

Het compensatieplan vermeldt exact welk natuurtype aangetast wordt en welke oppervlakte en natuurkwaliteiten hierbij verloren gaan, inclusief de gevolgen van versnippering en verstoring. Het plan geeft aan waar de compensatie plaatsvindt, welk natuurbeheertype wordt gerealiseerd en hoe het ontwikkelingsbeheer plaatsvindt.

c. ruimtelijke begrenzing van het te compenseren gebied en de compensatie

Het betreft de concrete oppervlakte natuurwaarden welke teniet gaat als gevolg van de aantasting en het compensatiegebied.

d. de kwaliteit en kwantiteit van de compensatie

De kwaliteit omvat zowel de tijd die een natuurtype nodig heeft om tot optimale kwaliteit te komen als de functie die het natuurtype heeft binnen het lokale ecosysteem.

In de natuur is sprake van complexe natuurlijke processen en verbanden. De bijdrage die een gebied levert aan instandhouding van natuurlijke processen en verbanden noemen we de functionaliteit . Het gaat dan over (landschaps-)structuren, biotische- en a-biotische omstandigheden. De kwantiteit betreft zowel de oppervlakte van het aangetaste gebied, de toeslag, als de oppervlakte die als gevolg van de aantasting niet meer optimaal kan functioneren. Te denken valt dan aan aantasting van oppervlakte door geluidsoverlast, verlichting, versnippering en verstoring. Bepaling van deze oppervlakte is maatwerk.

e. de realisatietermijn

In een tijdschema dat deel uitmaakt van de uitvoeringsovereenkomst, leggen partijen vast wanneer met de uitvoering van de compensatie wordt begonnen en wanneer deze dient te zijn afgerond. Zie ook lid 8 van dit artikel.

f. inhoud en realisatie van de voorgenomen mitigerende en compenserende maatregelen

Mitigeren houdt in dat nadelige effecten op de locatie van de aantasting worden beperkt. Dit kan gebeuren door een natuurvriendelijke inrichting, landschappelijke inpassing, planning van de werkzaamheden in het juiste seizoen e.d. Voorbeelden van mitigerende maatregelen zijn onder andere geluidschermen, wildviaducten, dassentunnels, beplanting, wijzigingen van grondwaterstand en aanleg van verbindingszones.

g. een beschrijving van het regulier beheer en het ontwikkelingsbeheer

Hiermee worden bedoeld het beheer in de eindfase, dus als de compensatiedoelen zijn gerealiseerd, en het beheer in de overgangsfase, waarin de compenserende maatregelen uitgevoerd worden. Verder moet worden gegarandeerd dat het beheer op een kwalitatief juiste wijze zal worden uitgevoerd. Dit kan zowel gebeuren door een instantie als door een particuliere terreinbeheerder.

4.21.4 Lid 5: compensatieplan als onderdeel bestemmingsplan

De compenserende maatregelen moeten planologisch worden verankerd in een bestemmingsplan. Gezien de grote samenhang tussen het aantastende en het compenserende plan, heeft het de voorkeur om deze plannen gelijktijdig in procedure te brengen.

4.21.5 Lid 6, 7 en 8: realisatietermijn

De uitvoering van het compensatieplan dient uiterlijk op het moment van voltooiing van de aantasting gestart te zijn en wordt op zo kort mogelijke termijn daarna, doch uiterlijk binnen vijf jaar afgerond. In de hiervoor bedoelde overeenkomst kan hiervan, afhankelijk van de zwaarte van het compensatieplan, gemotiveerd worden afgeweken met een uitloop van ten hoogste tien jaar. Als de aantasting direct het leefgebied van een bedreigde soort ernstig en blijvend verstoort, moet er eerst een vervangende en door de soort in gebruik genomen biotoop zijn voordat met de aantastende ingreep mag worden gestart.

4.21.6 Lid 9: privaatrechtelijke uitvoeringsovereenkomst

Om de uitvoering van de compensatie te garanderen, sluiten de gemeente en de initiatiefnemer een juridisch bindende, privaatrechtelijke overeenkomst. Hierin wordt vastgelegd dat de initiatiefnemer zorgt voor de uitvoering van de compensatie conform de afspraken die zijn gemaakt in het compensatieplan. Daarbij gaat het om onder andere de realisatietermijn en de financiële zekerheid in de vorm van een bankgarantie. Voor de uitvoering kan geen gebruik gemaakt worden van een subsidieregeling. Overigens kan voor het beheer onder omstandigheden wel een beroep worden gedaan op een subsidieregeling.

4.21.7 Lid 10 en 11: boeteclausule

In de overeenkomst wordt een boeteclausule opgenomen om een tijdige en volledige compensatie te waarborgen. De clausule legt het bedrag vast dat de initiatiefnemer moet betalen als de compensatie niet of niet volledig wordt uitgevoerd, of als de afgesproken termijn wordt overschreden. De boeteclausule treedt automatisch in werking na verstrijken van deze termijn.

Het boetebedrag is minimaal 150% van alle met de compensatie samenhangende directe en indirecte kosten. Het boetebedrag bestaat zowel uit een dekking van alle kosten (100%) als uit een boete om correcte nakoming te stimuleren (50%). Onder directe- en indirecte kosten worden in ieder geval verstaan:

  • grondverwervingskosten;
  • inrichtingskosten;
  • kosten van beheer van de gerealiseerde nieuwe natuur-, bos- en of landschapswaarden gedurende de eerste vijf jaar na voltooiing van de aanleg; en
  • alle overheadkosten (o.a. voor planvorming, voorbereiding, directie, toezicht, administratie, communicatie en voorlichting en vergunningen).

Het bedrag wordt berekend op het moment dat de realisatietermijn is verstreken, om te waarborgen dat het bedrag voldoende is om in de compensatie te voorzien.

4.21.8 Lid 12 en 13: monitoring en controle

Geen nadere toelichting op deze leden.

4.22 Artikel 5.8 Aanvullende regels voor financiële compensatie

In dit artikel is aangegeven hoe de financiële compensatie wordt berekend. De financiële compensatie wordt gestort in de provinciale compensatievoorziening vastgezet. Daarbij moet de vergoeding van reguliere beheerkosten gewaarborgd te zijn, bijvoorbeeld door er voor te zorgen dat het compensatiegebied in aanmerking komt voor beheersubsidie. Betaling vindt plaats uiterlijk 6 weken nadat het bestemmingsplan is vastgesteld. Ongeacht of de uitvoering van het project dan al gestart is. Om te borgen dat de storting ook daadwerkelijk plaatsvindt, is borging daarvan voor de vaststelling van het plan nodig. Gemeenten zijn daarvoor verantwoordelijk. Dit kan door het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst of een bankgarantie of anderszins.

4.23 Artikel 6 Groenblauwe mantel

4.23.1 Robuust natuur- en watersysteem

De provincie kiest in de Structuurvisie ruimtelijke ordening voor een vitaal en mooi landelijk gebied in Brabant. Deze inzet is uitgewerkt in twee robuuste structuren: de 'groenblauwe structuur' en het 'gemengd landelijk gebied' , die in artikel 7 van deze verordening is uitgewerkt.

In de groenblauwe structuur kiest de provincie voor een koppeling van het water- en natuursysteem van Brabant. Door meer samenhang in natuur en water worden het landschap en recreatiemogelijkheden versterkt. Deze aanpak maakt het ook mogelijk de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter op te vangen.

De in deze verordening opgenomen ecologische hoofdstructuur (artikel 5) maakt deel uit van de kern van de groenblauwe structuur. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er binnen de groenblauwe structuur ook gebieden opgenomen als verbinding tussen de ecologische hoofdstructuur en het landelijk gebied; de groenblauwe mantel.

4.23.2 Wat is de groenblauwe mantel?

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw uit de Structuurvisie RO (in deze verordening: de ecologische hoofdstructuur) en het landelijk gebied, alsook het stedelijk gebied. De mantel beschermt het kerngebied groenblauw en zorgt voor verbinding met het omliggende gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. De precieze definitie van groenblauwe mantel staat in artikel 1.33.

Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten de EHS. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het 'Wijstverschijnsel' (het opstuwen van grondwater) op de Peelrandbreuk in Oost-Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de 'Naad van Brabant'.

De groenblauwe mantel biedt daarbij ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de 'ja-mitsbenadering' . Het is in eerste instantie aan de gemeenten om te beoordelen welke huidige waarden er in een gebied aanwezig zijn en of de beoogde ontwikkeling een bijdrage levert aan de kwaliteit daarvan. Daarbij is vooral de versterking van leefgebieden voor plant- en diersoorten in de groenblauwe mantel van belang. De groenblauwe mantel biedt in beginsel geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal-)intensieve vormen van recreatie en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties). In een aantal specifiek afgewogen gebieden is een aanduiding integratie stad-land (artikel 9) over de groenblauwe mantel gelegd. In die gebieden is onder voorwaarden een beperkte stedelijke ontwikkeling mogelijk mits dit tevens bijdraagt aan de ontwikkeling van groene waarden in het gebied.

4.23.3 Begrenzing van de groenblauwe mantel

Bij het bepalen van de begrenzing is gekeken naar de doelen van de groenblauwe mantel: robuust maken, verbinden en klimaatbestendig maken van het natuur- en watersysteem en het versterken van de landschappelijke en recreatieve kwaliteit. In de bijlage is een kwalitatieve onderbouwing van de begrenzing op systeemniveau opgenomen.

4.23.4 Uitwerking door gemeenten

Veel gebieden in de groenblauwe mantel hadden in eerder provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk beleid al een bepaalde 'groenblauwe status'. De provincie vraagt aan de gemeenten om in het bestemmingsplan doel, begrenzing en ruimtelijke bescherming en ontwikkeling van de groenblauwe mantel uit te werken. Dit doet de gemeente op basis van lokaal inzicht en kijkend naar de gebiedspaspoorten uit de structuurvisie, de Cultuurhistorische waardenkaart en het provinciaal waterplan. Ook de kwalitatieve onderbouwing van de groenblauwe mantel zoals opgenomen in de bijlage bij deze verordening kan daarbij worden gebruikt. In het vooroverleg met de waterschappen, conform de watertoets, wordt gekeken naar de waterbelangen.

4.23.5 Ruimtelijke ontwikkeling in de groenblauwe mantel

Binnen de groenblauwe mantel hanteert de provincie een 'ja, mits' benadering. De 'mits' is daarbij vooral gericht op de voorwaarde dat een ontwikkeling een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in het gebied. Deze voorwaarde wordt in het algemeen aan ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel gesteld en geeft daarmee verplichte invulling van de verplichte verbetering van de kwaliteit van het landschap zoals opgenomen in artikel 3.2.

De groenblauwe mantel biedt grotendeels ruimte voor ontwikkeling van dezelfde functies als binnen het gemengd landelijk gebied; de omvang van de ruimte verschilt daarbij wel. In de groenblauwe mantel is het beleid met name gericht op functies die de groene waarden in de omgeving ondersteunen. Dat betekent dat functies die geen binding (meer) hebben met de groene omgeving minder ontwikkelingsruimte krijgen.

Binnen de groenblauwe mantel zijn ook veel agrarische bedrijven gevestigd. Bij de totstandkoming van de Verordening 2014 heeft er een belangrijke beleidswijziging plaatsgevonden. Deze is nader toegelicht bij artikel 7 Gemengd landelijk gebied. In de toelichting van artikel 6 zijn alleen de hoofdlijnen van het beleid geschetst voor zover deze bedrijven in de groenblauwe mantel zijn gevestigd.

4.24 Artikel 6.1 Bescherming van de groenblauwe mantel

Dit artikel regelt de bescherming en ontwikkeling van de groenblauwe mantel en de ontwikkelingsmogelijkheden voor functies. De groenblauwe mantel is nodig voor de bescherming, maar vooral ook de ontwikkeling van natuur- en waterfuncties. Dit geldt zowel voor de aanliggende groenblauwe kerngebieden als het mantelgebied zelf. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de mantel zijn mogelijk, mits ze gunstig zijn voor de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. De waarden in de groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodem-watersysteem (zoals de aanwezigheid van een kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren.

Het beleid richt zich ook op een toename van de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen passen daarom qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel en houden rekening met omliggende waarden. Dit wordt betrokken bij de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit zoals dat geregeld is in hoofdstuk 2.

In de groenblauwe mantel biedt de provincie ruimte aan de groeiende vraag naar diensten die het landelijk gebied aan de samenleving kan bieden, zoals:

  • de ontwikkeling van grondgebonden melkveehouderijen;
  • agrarisch natuurbeheer;
  • groene en blauwe diensten;
  • vormen van agrarische verbreding die zijn gericht op de beleving van rust en ruimte;
  • ontwikkeling van zorg- en streekproducten.

Met de gebiedspaspoorten uit de structuurvisie en het Groen-Blauw Stimuleringskader vult de provincie elk gebied in op de gewenste wijze. Ruimtelijke ontwikkelingen in de groenblauwe mantel dragen bij aan de versterking van natuur, water en landschap. De gebieden van de groenblauwe mantel in de nabijheid van stedelijke omgeving zijn naast de natuur- en waterdoelen vooral gericht op het recreatieve gebruik en de beleving van natuur en landschap bij de stad. Het gaat hier bijvoorbeeld over het middengebied Eindhoven-Helmond, de Groene Mal Tilburg en de Groene Delta rondom 's-Hertogenbosch.

In een aantal gebieden binnen de groenblauwe mantel ligt ook de aanduiding Integratie stad-land. Binnen deze gebieden is onder specifieke voorwaarden stedelijke ontwikkeling mogelijk in samenhang met een groene en blauwe landschapsontwikkeling (artikel 9).

4.25 Artikel 6.2 (Vollegronds)teeltbedrijven

In dit artikel zijn regels opgenomen voor (vollegronds)teeltbedrijven in de groenblauwe mantel. Er wordt geen maximum gesteld aan de omvang van dit soort bedrijven. De gemeente bepaalt dit in het bestemmingsplan afhankelijk van de noodzaak voor de bedrijfsvoering van het desbetreffende bedrijf. Hiervoor kan de gemeente advies vragen bij de Agrarische adviescommissie bouwaanvragen. Vanwege de doelen voor de groenblauwe mantel is er wel een grens gesteld aan het gebruik van permanente teeltondersteunende voorzieningen in de groenblauwe mantel en is de bouw van teeltondersteunende kassen uitgesloten. Het beleid van de provincie is er nadrukkelijk op gericht spreiding van glas tegen te gaan. Hiervoor worden ook middelen vrijgemaakt. Vanuit die gedachte is het niet gewenst dat er nieuw glas wordt opgericht.

4.26 Artikel 6.3 en 6.4 Veehouderijen

Om de transitie naar zorgvuldige veehouderij in gang te zetten, hebben provinciale staten in maart 2013 besloten dat zij dit proces willen ondersteunen met regels in de verordening. De vastgestelde denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd' is hiervoor de basis. Er is daarbij besloten dat er alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen, als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. De basis voor die systematiek wordt in dit artikel gelegd door alleen ontwikkelingen toe te laten indien er sprake is van een ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij. In artikel 6.4 zijn regels opgenomen wanneer afwijking van de regels mogelijk is. Kortheidshalve wordt hier verwezen naar de toelichting op artikel 7.3 en artikel 7.4.

Zolang de bestemmingsplannen nog niet zijn aangepast aan de regels uit deze verordening gelden er rechtstreeks werkende regels (artikel 34).

4.27 Artikel 6.5 Glastuinbouwbedrijven

De provincie streeft de concentratie van glastuinbouw na in daarvoor speciaal aangewezen gebieden; de glastuinbouwvestigingsgebieden en de doorgroeigebieden glastuinbouw. De ontwikkelingsmogelijkheden voor solitaire glastuinbouwbedrijven buiten die gebieden worden beperkt. Daarnaast streeft de provincie er naar om juist in kwetsbare gebieden bestaande kassen te saneren. Binnen de groenblauwe mantel is derhalve vestiging, omschakeling naar en uitbreiding van solitair gevestigde glastuinbouwbedrijven uitgesloten. De bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van solitaire glastuinbouwbedrijven in vigerende bestemmingsplannen worden gerespecteerd.

4.28 Artikel 6.6 Overige agrarische bedrijven

Een laatste categorie agrarische bedrijven zijn de overige agrarische bedrijven. Hiermee wordt een breed scala aan bedrijven bedoeld. Het gaat daarbij -volgens de definitie in artikel 1.61- over alle agrarische bedrijven die niet onder definitie van (vollegronds)teelt-, veehouderij- en glastuinbouwbedrijven vallen. Voorbeelden zijn paardenfokkerijen, slakken-, vissen-, wormen- of insectenkwekerijen of bedrijven waar gewassen worden geteelt in gebouwen zoals champignon- en witlofkwekerijen.

Omdat in de groenblauwe mantel juist de ontwikkeling van bedrijven met een binding aan de omliggende grond wenselijk is, stelt de verordening beperkingen aan de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven door een maximum omvang van 1,5 hectare toe te staan. Ten opzichte van de Verordening ruimte 2012 worden er mogelijkheden geboden voor omschakeling, indien dit bijdraagt aan de verbetering van de milieukwaliteit en/of de kwaliteit van de woon-/leefomgeving.

Hierdoor blijft er wel een beperking bestaan voor omschakeling naar een overig agrarisch bedrijf, bijvoorbeeld in geval van een bedrijf die in de bestaande situatie nog gewassen in de grond teelt maar wil omschakelen naar een bedrijfgebonden teelt.

4.29 Artikel 6.7 Wonen

4.29.1 Lid 1: basisregels over woningen

Onderdeel a bepaalt dat bestemmingsplannen de nieuwbouw van bedrijfs- of burgerwoningen of solitaire recreatiewoningen in het buitengebied niet mogen toelaten. In onderdeel b is bepaald dat bestemmingsplannen regels moet bevatten om zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen te voorkomen. Een dergelijk gebruiksverbod betreft bijvoorbeeld agrarische bedrijfsgebouwen, bedrijfsgebouwen van niet-agrarische bedrijven, maar ook solitaire of complexmatige recreatiewoningen of andere niet voor bewoning bestemde gebouwen. Met bewoning wordt bedoeld permanent gebruik van een gebouw als (zelfstandige) woonfunctie.

In deze verordening hanteren wij dezelfde definities als in het Bouwbesluit, te weten:

  • woongebouw: gebouw of gedeelte daarvan met uitsluitend woonfuncties of nevenfuncties daarvan, waarin meer dan een woonfunctie ligt die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute,
  • woonfunctie: gebruiksfunctie voor het wonen,
  • wooneenheid: gedeelte van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur dat bestemd is voor afzonderlijke bewoning.

De regeling is bedoeld om te voorkomen dat zelfstandige woningen ontstaan die als afzonderlijke woonfuncties op de markt aangeboden kunnen worden. Afhankelijk wonen  zoals het inpandige wonen in verband met mantelzorg blijft uiteraard wel mogelijk, omdat hierbij geen sprake is van een zelfstandige woonfunctie.

Er bestaan veel vragen rondom het voorzien in permanente opvang van (wisselende groepen) arbeidsmigranten in het buitengebied. Gebaseerd op de regeling in het eerste lid is het niet mogelijk om de functie van bedrijfsgebouw om te zetten naar een zelfstandige woonfunctie. Wel is een tijdelijk gebruik van bedrijfsbebouwing voor het huisvesten van bijvoorbeeld arbeidsmigranten mogelijk voor de piekopvang in een aantal maanden per jaar. Dit kan worden geregeld door middel van een omgevingsvergunning voor een planologische gebruiksactiviteit voor een bepaalde termijn op grond van artikel 2.12, tweede lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Als het gaat om het bieden van een meer permanente opvangmogelijkheid voor arbeidsmigranten biedt de Verordening op grond van artikel 6.10 de mogelijkheid om een logiesfunctie toe te kennen aan een bedrijfsgebouw.

In dit verband is het van belang om te vermelden dat onder omstandigheden een woonboot op grond van de Woningwet aangemerkt kan worden als gebouw waarvoor een omgevingsvergunning om te bouwen vereist is. Zie uitspraken van de Raad van State: uitspraak 7 april 2010, 200905090/1/H1, Waalwijk, en uitspraak 25 augustus 2010, 200908871/1/H1, Teylingen. Het eerste lid geldt daarom ook in gevallen waarin een woonboot als gebouw aangemerkt moet worden.

4.29.2 Lid 2: bedrijfswoningen

Het tweede lid formuleert een uitzondering op de basisregel: de nieuwbouw van een eerste bedrijfswoning, behorend bij een bedrijf dat toegelaten is op grond van de Verordening ruimte, is onder voorwaarden wel toegelaten. In de eerste plaats moet de woning noodzakelijk zijn in verband met de aard van de bedrijfsvoering. Daarbij mag er geen sprake zijn van een eerder aanwezige bedrijfswoning die is afgestoten. Dit voorkomt een ongewenste afstoting (bijvoorbeeld door afzonderlijke verkoop) van een bedrijfswoning. Een tweede bedrijfswoning is uitgesloten.

4.29.3 Lid 3: Vervangende bouw en splitsingen

Het derde lid regelt twee andere uitzonderingen op de basisregel:

  • 1. vervangende bouw is toegestaan mits overtollige bebouwing wordt gesloopt en feitelijk en juridisch wordt opgeheven;
  • 2. een bestemmingsplan kan voorzien in de vestiging of splitsing van een of meer woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing (waaronder karakteristieke boerderijen).

Voorwaarde bij de tweede uitzondering is dat met deze vestiging of splitsing het belang van het behoud of herstel van deze waardevolle bebouwing gediend is. Omdat het hier gaat om een kwaliteitsverbeterende ingreep, kunnen de kosten van dit behoud of herstel onderdeel uitmaken van de regeling voor kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.2).

Om welke cultuurhistorische bebouwing het gaat moet aangetoond worden aan de hand van de gemeentelijke erfgoedkaart of bij ontstentenis van een gemeentelijke erfgoedkaart, aan de hand van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant (informatielaag: overige cultuurhistorische informatie).

4.29.4 Lid 4: Omzetten bestemming voormalige bedrijfswoningen

Dit artikellid maakt bestemmingswijziging van een voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning onder voorwaarden mogelijk. Er mag geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvinden en overtollige bebouwing moet worden gesloopt. De gemeente bepaalt in het bestemmingsplan welke bebouwing overtollig is. In het algemeen geldt dat als er geen concrete gebruiksfunctie voor bebouwing aanwezig is, gerelateerd aan de woonfunctie dat er dan sprake is van overtollige bebouwing. In het geval er tevens sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is het beleid gericht op behoud van de bebouwing en geldt het bepaalde in het derde lid.

4.29.5 Lid 5: vergroting solitaire recreatiewoning

Dit artikellid bepaalt uitdrukkelijk dat de ontwikkeling van nieuwe solitaire recreatiewoningen niet is toegestaan, behalve op locaties waar ook een reguliere woonfunctie is toegelaten. Uitbreiding is eenmalig mogelijk, tot ten hoogste 10 procent en onder voorwaarden.

4.30 Artikel 6.8 Ruimte-voor-ruimte

In dit artikel is de 'ruimte-voor-ruimte' regeling beschreven. Het doel van deze regeling is om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen de bouw van woningen op een passende locaties toe te staan. De regeling is een afwijking van de regel dat geen nieuwe (burger-)woningen mogen komen in het buitengebied.

Voorwaarden zijn dat het milieu op die locatie ervan profiteert en dat de ruimte voor ruimte woning op een passende locatie komt in een bebouwingsconcentratie binnen de groenblauwe mantel. Aanvullende voorwaarden voor de toepassing van de ruimte-voor-ruimte zijn opgenomen in de beleidsregel Ruimte voor Ruimte die Gedeputeerde Staten in 2006 hebben vastgesteld. In de Verordening is bepaald dat de Beleidsregel ruimte voor ruimte 2006 wordt aangemerkt als nadere regels, gebaseerd op deze verordening, voor bestemmingsplannen die voorzien in een ruimte voor ruimte kavel. In de nadere regels is als voorwaarde opgenomen dat er altijd sprake moet zijn van de sanering van een intensieve veehouderij.

In het artikel is uitdrukkelijk bepaald dat geen toepassing hoeft te worden gegeven aan de regel dat een bestaande locatie moet worden gebruikt (artikel 3.1, tweede lid onder a). Doordat de ruimte-voor-ruimte regeling zelf al bijdraagt aan een investering in het landschap, is ook artikel 3.2 niet van toepassing.

4.31 Artikel 6.9 Landgoederen

Deze regeling is op de eerste plaats bedoeld voor nieuwe landgoederen. Ook bestaande landgoederen (indien niet aangemerkt als complex van cultuurhistorisch belang, bedoeld in artikel 24) kunnen voor het toevoegen van nieuwe woningen aan hun landgoed hier gebruik van maken ,

Onder een landgoed wordt verstaan: “een ruimtelijke eenheid bestaande uit bos en overige natuur al dan niet in combinatie met agrarische bedrijfsgronden en met een overwegende woonfunctie”.

De landgoedregeling is niet alleen bedoeld om meer natuur in het buitengebied te realiseren, maar ook om kwaliteit en allure aan het buitengebied toe te voegen. Het is daarom van belang om het aspect 'ruimtelijke kwaliteit' en daarbij ook de 'kwaliteit van het ontwerp' te betrekken. Onder de kwaliteit van het ontwerp wordt verstaan: eenheid tussen bebouwing en landgoed, eenheid in vorm/uitstraling van de aanwezige bebouwing, zoveel mogelijk concentratie van bebouwing en de wijze waarop gebruik is gemaakt van kenmerken van de omgeving. Hoewel van belang, is dit niet goed in formele regels te “vangen”.

Lid 1

In dit lid is bepaald dat een bestemmingsplan in de groenblauwe mantel kan voorzien in de aanwijzing van een nieuw landgoed of de aanwijzing van een (onderdeel van een) bestaand landgoed.

Onder welke voorwaarden dit kan is bepaald in het tweede lid.

Lid 2

onder a. Om ieder misverstand te voorkomen dient het desbetreffende bestemmingsplan aan te geven op welke gronden het landgoed aangewezen wordt. Dit kan door middel van een aanduiding 'landgoed' of een sub-bestemming landgoed binnen diverse aldaar aangewezen (hoofd-)bestemmingen. Tevens is hier geregeld dat in ieder geval de aanwijzing ten minste 10 hectare dient te betreffen. Reden hiervoor is dat een kleinere omvang tot gevolg heeft dat allerlei kleine initiatieven ontwikkeld kunnen worden die onvoldoende robuust zijn.

onder b. I. Gelet op het wezenlijke kenmerk van een landgoed moet een Woongebouw (al dan niet na nieuwbouw of verbouw) een karakteristieke verschijningsvorm van allure hebben. Met het begrip ' allure ' wordt in essentie bedoeld dat de woonbebouwing van een aangewezen landgoed een geheel eigen verschijningsvorm heeft dat afwijkt van een reguliere woonbebouwing, ook al zou dit een groot landhuis betreffen. Het is aan de gemeente(n) en initiatienemer(s) over hieraan invulling te geven. Uiteraard wel in de context van andere in deze verordening opgenomen voorwaarden met betrekking tot de ecologische hoofdstructuur, groenblauwe mantel en agrarisch gebied. Ook kunnen aardkundige of cultuurhistorische waarden een rol spelen. Van belang is ook dat geen gebruik gemaakt hoeft te worden van een bestaande bebouwing of bestaande bouwmogelijkheden. Woningen op landgoederen vallen onder de regionale woningbouwafspraken.

onder b. II. Per 750m3 woongebouw wordt maximaal 1 woonfunctie toegelaten. Voor de definitie van de begrippen 'woongebouw' en woonfunctie is in deze verordening aangesloten bij het Bouwbesluit (2012).

onder c. Door een minimum te stellen aan de oppervlakte van aan te wijzen landgoed in relatie tot de omvang van de bebouwing wordt bereikt dat het landgoed robuust is. Daarbij dient ingeval van de nieuwbouw van een woongebouw per 1500m3 woongebouw ten minste 5 hectare landgoed te worden aangewezen en tenminste de aanleg van 2,5 hectare nieuwe natuur of bos verzekerd te zijn. Overigens geldt hierbij uiteraard onverkort de basisregel dat een landgoed ten minste 10 ha beslaat.

Ter illustratie twee voorbeelden:

Plan 1:

3 woongebouwen van respectievelijk 1250m3, 1250m3 en 2000m3 (totaal 4500m3). Betekent als tegenprestatie het realiseren van tenminste 7,5 ha nieuwe natuur , aanwijzing van tenminste15 hectare landgoed en maximaal 6 woonfuncties.

Plan 2:

3 woongebouwen van respectievelijk 1250m3, 1250m3 en 2500m3 (totaal 5000m3)

Betekent als tegenprestatie het realiseren van tenminste 8,3ha nieuwe natuur, aanwijzing van tenminste 16,6ha landgoed en maximaal 6 woonfuncties.

De hier bedoelde nieuwe natuur kan de aanleg van nieuw bos- of natuurgebied betreffen. Nieuwe natuur moet aansluiten op de landschappelijke en ecologische karakteristieken en kwaliteiten ter plekke en een bijdrage leveren aan de te ontwikkelen groenstructuur. Naast bos kunnen ook andere vormen van natuur (bijv. (schraal)grasland, heide, water) onderdeel uitmaken van de nieuwe natuur. Onder omstandigheden kan deze aanleg van nieuwe natuur een fysieke bijdrage zijn aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur of ecologische verbindingszones.

De gemeente dient inrichtingsvoorstellen te beoordelen aan de hand van beoogde natuurbeheertypen in relatie tot de bestaande omgevingskwaliteiten. Er is geen eenduidige definitie van 'nieuwe natuur' te geven. Van belang is dat er substantiële natuurwaarden worden toegevoegd, wat per situatie wordt beoordeeld op basis van de a-biotiek (bodem en water), de landschappelijke omstandigheden en de wijze waarop inrichting en beheer plaatsvindt. Hierbij kan de provinciale systematiek van de natuurbeheertypen worden gehanteerd. Substantiële natuurwaarden worden toegevoegd wanneer er nieuw bos- of natuurgebied gerealiseerd wordt met een bepaalde kwantiteit (omvang en oppervlakte) en kwaliteit (kenmerken en aard). Ook is de openbare toegankelijkheid van de voorzieningen voor extensieve recreatie op het nieuwe landgoed een wezenlijk kenmerk.

onder d. Het kan in de praktijk uiteraard voorkomen dat binnen een aangewezen landgoed cultuurhistorisch waardevolle bebouwing voorkomt waarvan het behoud gewenst is. In zo'n geval kan de bestemmingsregeling voorzien in de vestiging van of splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing zonder dat deze woonfuncties enige relatie hebben met de vereiste om nieuwe natuur aan te leggen.

onder e. In de omschrijving van een landgoed is al aangegeven dat binnen zo'n landgoed sprake kan zijn van agrarische bedrijvigheid. Dit kan dan gelet op het karakter van een landgoed uitsluitend een (vollegronds)teeltbedrijf of veehouderij zijn met een veebezetting van 2 GVE per hectare of minder. Een toelichting op de toepassing van de GVE-norm is opgenomen bij artikel 7.4.

onder f. Voor alle duidelijkheid is in dit onderdeel aangegeven dat situering van de beoogde woonbebouwing in de ecologische hoofdstructuur is uitgesloten.

onder g. Openbare toegankelijkheid voor extensieve recreatie kan bijvoorbeeld worden verzekerd door voorzieningen zoals wandel- of fietspaden aan te leggen.

onder h. Uiteraard is van belang dat een landgoed als ruimtelijk-functionele eenheid aangelegd wordt en ook als zodanig in stand blijft. Het desbetreffende bestemmingsplan en bijbehorende exploitatieovereenkomst of -plan dienen deze duurzame instandhouding te verzekeren. De regeling laat open op welke privaatrechtelijke wijze deze duurzame instandhouding wordt vormgegeven. Dit zou ook kunnen door een vorm van samenwerking tussen private partijen. Met deze bepaling wil de provincie ook voorkomen dat de aanleg en duurzame instandhouding van een landgoed afhankelijk is van een financiering uit (provinciale of rijks-) subsidieregelingen. De provincie acht een dergelijk afhankelijkheid ongewenst vanuit de grondgedachte van het landgoederenbeleid. Voor het reguliere onderhoud en beheer van het landgoed kan onder omstandigheden wel een beroep worden gedaan op een regeling.

Derde t/m zesde lid:

Ingevolge het zesde lid is artikel 6.10 niet van toepassing. Hierdoor kan ook geen beroep worden gedaan op de artikelen die afwijkende regels bevatten van dat artikel zoals opgenomen in artikel 6.11 tot en met 6.13.

4.32 Artikel 6.10 Niet-agrarische functies

4.32.1 Lid 1: voorwaarde bestaand bouwperceel

Niet-agrarische functies kunnen zich vestigen in de groenblauwe mantel op een bestaand bouwperceel als bedoeld in artikel 3.1. Belangrijke voorwaarden zijn dat deze functies behoren tot de milieucategorie 1 of 2, waarbij het bouwperceel ten hoogste een omvang van 5.000 m2 heeft. Deze omvang sluit aan op de regeling voor bestaande en nieuw te vestigen bedrijven in kernen in landelijk gebied (artikel 4.6).

Voor de beoordeling of er sprake is van bedrijf behorende tot milieucategorie 1 of 2 hanteert de provincie de VNG brochure. Gelet op jurisprudentie zijn ook bedrijven mogelijk die op grond van deze lijst behoren tot milieucategorie 3 maar die gelet op de concrete ontwikkeling vergelijkbaar zijn met een categorie 1 of 2 bedrijf. De gemeente moet dit in de toelichting op het plan nader onderbouwen.

Binnen de groenblauwe mantel zijn geen afwijkende regels opgenomen voor de vestiging van agrarisch technische - en agrarisch verwante bedrijven of mestbewerking. In het gemengd landelijk gebied zijn daarvoor wel een specifieke regels opgenomen (artikel 7.11 en artikel 7.12). Het opnemen van afwijkende regels voor die functies is binnen de groenblauwe mantel niet gewenst. Dit betekent dat vestiging van dergelijke functies alleen mogelijk is mits aan de voorwaarden van artikel 6.10 wordt voldaan.

Een eventuele vestiging of uitbreiding mag niet leiden tot een voorziening met een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie of tot een, al dan niet zelfstandige, detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m2. Dergelijke functies passen gelet op hun publieksaantrekkende werking niet in het buitengebied maar horen een plek te krijgen in bestaand stedelijk gebied.

Tenslotte is als voorwaarde opgenomen dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen het op grond van deze verordening toegestane oppervlakte. Dit is opgenomen om te voorkomen dat eerst een vestiging plaatsvindt, die binnen de regels van deze verordening blijft, en dat er vervolgens binnen korte periode een beroep wordt gedaan op de mogelijkheid van een redelijke uitbreiding, als opgenomen in het tweede lid. De toegelaten omvang van een bouwperceel voor niet-agrarische functies zoals opgenomen in dit artikel is ten hoogste 5000 m2. In de artikelen 6.11 tot en met 6.13 zijn afwijkende regels opgenomen voor de maximaal toegestane omvang die dan als uitgansgpunt gelden voor de afweging.

De ontwikkeling mag tot slot niet leiden tot een grootschalige voorziening . Er is sprake van een grootschalige voorziening als blijkens een economisch effectenonderzoek, het te verwachten aantal bezoekers en overnachtingen samen genomen meer dan 150.000 per jaar bedraagt (zie ook artikel 1.36). Nieuwe grootschalige voorziening zijn vanwege de daarmee gepaard gaande verkeerseffecten in beginsel niet gewenst in het buitengebied.

Van gemeenten wordt verwacht dat zij bij de voorbereiding van een bestemmingsplan deze voorwaarden concretiseren en een bij de omgeving passende regeling opnemen, waaronder maximale maatvoeringen en bouwhoogten, overeenkomstig artikel 3.1, derde lid.

4.32.2 Lid 2: uitbreiding

De verordening biedt aan bestaande niet-agrarische functies de mogelijkheid van een redelijke uitbreiding indien dit in de toelichting wordt verantwoord. Deze redelijke uitbreiding geldt voor alle bestaande niet-agrarische functies; dus ook indien de functie niet (meer) past binnen de voorwaarden die in het eerste lid zijn gesteld., zoals een bedrijf waarvan de omvang groter is dan 5000 m2 of een niet-agrarische functies in de milieucategorie 3 of hoger. Wat in een concrete situatie redelijke uitbreiding is betreft maatwerk.

Om iedere discussie uit te sluiten is duidelijk aangegeven in de regels dat de redelijke uitbreiding zowel betrekking heeft op de omvang van de functie als het aantal bezoekers/overnachtingen van die functie. Deze dubbele afweging is gevraagd om te voorkomen dat er ingeval van een redelijke uitbreiding tevens omschakeling plaatsvindt van een bezoekersextensieve functie naar een bezoekersintensive functie. Uiteraard is het bezoekersaantal niet voor iedere functie relevant. De toelichting kan dat onderbouwen.

Voor bedrijven waarvoor vestiging op een bedrijventerrein wordt nagestreefd is in de regels een verantwoording opgenomen die vergelijkbaar is met de uitbreiding van bedrijven boven de 5000 m2 in kernen in het landelijk gebied, zoals opgenomen in artikel 4.6 tweede lid. Hierbij wordt inzicht gevraagd in de ruimtelijk-economische noodzaak van de uitbreiding en de (on-)mogelijkheid tot verplaatsing naar een bedrijventerrein of elders binnen bestaand stedelijk gebied.

4.33 Artikel 6.11 Afwijkende regels voor recreatiebedrijven

Deze artikelleden bevatten regels voor een vestiging van een recreatiebedrijf in de groenblauwe mantel. Het artikel bevat regels die afwijken van de algemene regels verwoord in artikel 6.10. Dit betekent derhalve dat voor besluiten de regels uit artikel 6.10 onverkort gelden, behoudens voor zover in dit artikel anders is bepaald.

Onder een recreatiebedrijf wordt verstaan (artikel 1.64):
een aaneengesloten terrein ten behoeve van de bedrijfsmatige uitoefening van diensten op het gebied van dag- en verblijfsrecreatie, met de daarbij behorende voorzieningen .

Een verblijfsrecreatief terrein is een kampeerterrein of een terrein ten behoeve van recreatiewoningen, al dan niet in combinatie met elkaar. Voor alle duidelijkheid zijn in de begripsomschrijvingen ook de begrippen kampeerterrein, kampeermiddel en recreatiewoning omschreven. Hotel- of groepsaccommodatie, met inbegrip van de daarbij behorende bedrijfswoningen, vallen onder de werking van artikel 6.12.

Wat onder een dagrecreatief terrein verstaan moet worden is divers. Voorbeelden zijn: dierentuin, safaripark, sprookjestuin, attractiepark, openluchtmuseum, een (omvangrijke) speeltuin, mini- en midgetgolfterrein, golfbaan, sauna, kinderboerderij, hertenkamp of combinaties hiervan.

Bij de ruimtelijke beoordeling van een recreatiebedrijf wordt het geheel aan activiteiten als totaal afgewogen.

De toegstane omvang van de bebouwing van een recreatiebedrijf in de groenblauwe mantel bedraagt ten hoogste 1,5 hectare. In dit artikel is bewust gekozen om de omvang van de bebouwing vast te leggen en niet de omvang van het bouwperceel. Bijvoorbeeld een golfbaan of een park met recreatiewoningen omvat vaak een grotere oppervlakte dan 1,5 hectare. een dergelijke ontwikkeling is goed inpasbaar in de groenblauwe mantel zolang de ontwikkeling niet te grootschalig wordt. Door een maatvoering te geven voor de toelaatbare omvang van de bebouwing wordt enerzijds voorkomen dat er een grotschalige ontwikkeling ontstaat, terwijl anderzijds de ontwikkeling op extensieve wijze, passend in het landschap ontwikkeld kan worden. Juist daardoor wordt de ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling bevordert.

Onder een bedrijfsmatige exploitatie zoals genoemd in lid 1 onder b wordt in dit kader verstaan het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer en exploitatie, dat in de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief gebruik plaatsvindt. De exploitant en gemeente zijn er voor verantwoordelijk dat permanente bewoning op het complex wordt tegengegaan.

Onder de aangegeven voorwaarden in artikel 6.10 tweede lid, is een redelijke uitbreiding van een bestaand bedrijf mogelijk.

In afwijking van artikel 6.7 is bij een bestaand grootschalig recreatiebedrijf een tweede bedrijfswoning toegestaan in verband met het noodzakelijke toezicht op de veiligheid van de recreanten.

4.34 Artikel 6.13 Afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen

Dit artikel bevat regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen voor zover het gaat om regels die afwijken van de basisregels zoals opgenomen in artikel 6.10. Dit betekent dus dat voor besluiten de regels uit artikel 6.10 onverkort gelden, voor zover in dit artikel niet anders is bepaald.

Het begrip 'horeca' is omschreven in de begripsbepalingen (artikel 1.38):

het bedrijfsmatig verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse; het bedrijfsmatig bieden van hotel- of groepsaccommodatie of het bedrijfsmatig bieden van congres- of vergaderfaciliteiten, één en ander al dan niet in combinatie met elkaar.

Onder de aangegeven voorwaarden in artikel 6.10 tweede lid, is een redelijke uitbreiding van een bestaand bedrijf mogelijk.

4.35 Artikel 6.13 Afwijkende regels voor tuincentra

Het artikel maakt onder voorwaarden de vestiging of uitbreiding van een tuincentrum in een kernrandzone in de groenblauwe mantel mogelijk. Het gaat hier om een specifieke vorm van detailhandel. Door de aard en omvang van het ruimtebeslag is hiervoor vaak geen plaats beschikbaar binnen bestaand stedelijk gebied of binnen een stedelijk uitbreiding in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling. In de praktijk zijn tuincentra daarom vaak gelegen in de kernrandzone. Dit artikel sluit hierop aan en voorkomt willekeurige vestiging van tuincentra in de groenblauwe mantel. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar artikel 7.15. Extra randvoorwaarde is dat de ontwikkeling bijdraagt aan een positieve bijdrage van de doelen voor de groenblauwe mantel.

4.36 Artikel 6.14 Kleinschalige voorzieningen

Dit artikel regelt dat in de kernrandzone binnen de groenblauwe mantel, of daarmee qua ligging en functie gelijk te stellen gebieden, kleinschalige voorzieningen zijn toegestaan.

Voor de definitie van kleinschalige bebouwing of voorziening wordt verwezen naar artikel 1.46. Om te voorkomen dat er ingevolge deze verordening een bestaand bouwperceel ontstaat waar vestiging van functies mogelijk wordt, is een maximale oppervlakte opgenomen van 90 m2. Het bestemmingsplan moet borgen dat de omvang van de bebouwing daartoe beperkt blijft. Gelet op de bepalingen inzake vergunningvrij bouwen zoals opgenomen in het Besluit omgevingsrecht vraagt dat extra aandacht voor de regeling in het bestemmingsplan. Voorwaarde is verder dat deze voorzieningen gepaard gaan met beperkte bebouwing en dat ze een beperkte publiek aantrekkende werking hebben. Daarom zijn -al dan niet verenigingsgebonden- horeca-activiteiten (alcoholische drankverstrekking en fast-service e.d.) ongewenst. Voor de ontwikkeling van deze functies geldt niet dat deze op een bestaande locatie moet gebeuren, omdat er sprake moet zijn van beperkte bebouwing. Onder beperkte bebouwing wordt in dit geval verstaan: bebouwing met één bouwlaag, een beperkte oppervlakte en een beperkt investeringsniveau (bijv. houten bebouwing).

In het artikel is ook aangegeven dat het hier om schuilhutten kan gaan. Deze schuilhutten zijn soms gewenst in verband met het hobbymatig houden van paarden. Binnen een toegekende woonbestemming is het vaak niet mogelijk hiervoor een voorziening te treffen. Het gaat nadrukkelijk niet om voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Zoals in artikel 3.1, tweede lid is opgenomen, zijn de voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf in beginsel alleen toegestaan binnen het toegekende bouwperceel.

4.37 Artikel 6.15 Watergebonden voorzieningen

Onder watergebonden voorzieningen worden verstaan voorzieningen die ruimtelijk en functioneel gebonden zijn aan water in de vorm van:

  • (kunst)werken ten behoeve van waterstaatkundige en waterhuishoudkundige doeleinden, zoals bruggen, sluizen, stuwen, gemalen en waterkeringen met bijbehorende voorzieningen;
  • voorzieningen ten behoeve van een betere en veilige afwikkeling van de beroeps-, recreatie- en toervaart, evenals voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie en watersport zijn verbonden, zoals aanlegkades en -steigers, insteekhaventjes en jachthavens met bijbehorende voorzieningen zoals parkeervoorzieningen.

Voorzieningen met of ten behoeve van een primaire woonfunctie (zoals woonarken, “drijvende” huizen, e.d.) en voorzieningen ten behoeve van watergebonden bedrijvigheid (zoals scheepswerven, overslagbedrijven, bedrijfshavens, e.d.) worden hier niet toe gerekend.

In tegenstelling tot de overige niet agrarische functies zoals bedoeld in artikel 6.10 is nieuwvestiging van een watergebonden voorziening mogelijk, vanwege de specifieke binding aan water waar niet altijd een bestaand bouwperceel voorhanden is. Naast de effecten die de ontwikkeling van een voorziening heeft op het gebied zelf, wijzen wij nadrukkelijk op de afweging die vanwege artikel 3.1 van deze verordening gemaakt moet worden. In deze afweging moeten ook eventuele effecten op de ecologische hoofdstructuur (bijvoorbeeld een toename van de recreatiedruk) worden betrokken.

Onder de aangegeven voorwaarden in artikel 6.10 tweede lid, is een redelijke uitbreiding van een bestaand bedrijf mogelijk.

4.38 Artikel 6.16 Lawaaisporten

De provincie streeft naar de opheffing van lawaaisportterreinen in het buitengebied. Uitbreiding van bestaande terreinen en vestiging in de groenblauwe mantel van een lawaaisport zijn niet mogelijk. Gelet op de effecten van lawaaisport hanteert de provincie als uitgangspunt dat deze zich alleen kunnen vestigen op of aansluitend op een bedrijventerrein. De provincie vindt het onwenselijk om ruimere mogelijkheden in het kader van de Verordening ruimte op te nemen.

4.39 Artikel 6.17 Wegen

Dit artikel bevat enkele algemeen geformuleerde regels waaraan een bestemmingsplan, dat voorziet in de aanleg of wijziging van een gemeentelijke of provinciale weg in de groenblauwe mantel, moet voldoen. Deze regels zijn met name gericht op een goede onderbouwing van de ruimtelijke ontwikkeling. Onderdelen van deze regels zijn ontleend aan (de wijziging van) de Tracéwet.

Wat betreft provinciale wegen nog het volgende. De aanleg of wijziging van een provinciale weg kan planologisch op twee wijzen geregeld worden: in een provinciaal inpassingsplan of – op verzoek van de provincie – in een (gemeentelijk) bestemmingsplan. Uiteraard wordt, indien een bestemmingsplan voorziet in de aanleg of wijziging van een provinciale weg, de in dit artikel benodigde informatie van de kant van de provincie verstrekt. Overigens wordt van provinciale zijde per geval bestuurlijk afgewogen welke planologisch proces gevolgd wordt.

Tenslotte wordt opgemerkt dat de Verordening wegen Noord-Brabant 2010 een provinciale weg als volgt omschrijft (art.1, onder j): openbare weg waarvan het onderhoud ingevolge artikel 15 van de Wegenwet bij de provincie berust, waarvoor de provincie de belangen ingevolge artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 beschermt en waartoe in ieder geval behoren rijbanen, fiets- en voetpaden, parkeer-, carpool- bus-, en halteplaatsen, vlucht- en andere stroken, bermen, glooiingen, grondkeringen, bermsloten, alsmede de tot de weg behorende verkeersvoorzieningen.

4.40 Artikel 6.18 Wijziging van de begrenzing

Dit artikel regelt wijziging van de begrenzing van de groenblauwe mantel als dit bijdraagt aan behoud, herstel en ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke kenmerken en waarden van de onderscheidene gebieden. Door wijzigingen mag het areaal groenblauwe mantel niet substantieel veranderen.

In het eerste lid is een zelfstandige bevoegdheid opgenomen voor GS. Indien de begrenzing is aangepast zal de gemeente op haar beurt binnen negen maanden het bestemmingsplan -voor zover noodzakelijk- met de gewijzigde begrenzing in overeenstemming moeten brengen.

Daarnaast is in het tweede lid grenswijziging op verzoek van het gemeentebestuur mogelijk. Ook als vanwege een ruimtelijke ontwikkeling het nastreven van behoud of ontwikkeling niet zinvol meer is, kan tot wijziging worden overgegaan. De bepalingen zien er op toe dat een voorgenomen wijziging deel uitmaakt van de voorbereiding van het bestemmingsplan (of ander ruimtelijk besluit) waarop dit betrekking heeft.

4.41 Artikel 7 Gemengd landelijk gebied

In de Structuurvisie RO heeft de provincie haar visie neergelegd voor het gemengd landelijk gebied. In het landelijk gebied stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen.

De Structuurvisie RO maakt binnen het landelijk gebied onderscheid in:

  • gemengd landelijk gebied
  • accentgebied agrarische ontwikkeling.

Dit onderscheid komt niet terug in de Verordening. Voor de vertaling op bestemmingsplan niveau is alleen het gemengd landelijk gebied relevant. De aanduiding accentgebied agrarische ontwikkeling is alleen relevant op provinciaal visieniveau, bijvoorbeeld in het geval er in de toekomst behoefte bestaat aan de ontwikkeling van nieuwe glastuinbouwclusters.

Nieuwe uitgangspunten beleid

De toelichting op de verschuivingen in het beleid aangaande met name de transitie naar zorgvuldige veehouderij zijn in deze verordening opgenomen binnen het artikel over het “gemengd landelijk gebied”. Ook elders in deze verordening zijn daarover bepalingen opgenomen, zoals in artikel 6 (Groenblauwe mantel) of artikel 25 (Beperkingen veehouderij).

In deze verordening zijn een aantal gewijzigde beleidsuitgangspunten over veehouderij in regels vertaald. Een belangrijke basis voor deze wijzigingen is gelegd in het zogenoemde ' Brabant-beraad '. In dit beraad hebben ruim 70 betrokkenen vanuit diverse maatschappelijke partners een gezamenlijke lijn afgesproken ten aanzien van het duurzamer maken en vernieuwen van de veehouderij in Brabant.

De kern van de gemaakte afspraken is dat uitbreiding van veehouderijen enkel mogelijk is indien het bedrijf voldoet aan specifieke eisen op het gebied van zorgvuldigheid of duurzaamheid. Om de transitie naar zorgvuldige veehouderij in gang te zetten, hebben provinciale staten in maart 2013 besloten dat zij dit proces willen ondersteunen met regels in de verordening. De vastgestelde denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd' is hiervoor de basis. Er is daarbij besloten dat er alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen, als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. Om de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij te bevorderen is een bevoegdheid opgenomen voor GS tot het stellen van nadere regels. Deze nadere regels zijn de zogenoemde ' Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij' , ook wel aangeduid als maatlat.

Vanuit ruimtelijk perspectief worden de volgende grenzen ten aanzien van ontwikkelruimte gehanteerd:

  • Voor alle diercategorieën die tot de veehouderij behoren geldt eenzelfde regiem;
  • Maximale omvang van een bouwperceel is 1,5 hectare;
  • Uitbreiding van bebouwing binnen het bouwperceel wordt alleen mogelijk via de nadere eisen gesteld door GS;
  • Uitbreidingen boven de 1,5 ha worden uitsluitend mogelijk in bijzondere gevallen, om overbelaste situaties op te lossen, voor bedrijven die over voldoende grond beschikken om de kringlopen te sluiten en voor innovatieve bedrijfsconcepten.

In de Verordening wordt niet langer een onderscheid gemaakt tussen categorieën dieren die tot de intensieve of niet-intensieve veehouderij worden gerekend. De ruimtelijke regels gelden voor alle veehouderijen ongeacht of het varkens, kippen, melkrundvee of geiten zijn. De hoeveelheid grond waarover een veehouderij beschikt is daarbij nog steeds relevant. Allereerst in combinatie met de hoeveelheid vee per hectare om te bepalen of een uitbreiding tot meer dan 1,5 ha is toegestaan (artikel 7.4 eerste lid). Daarnaast is de hoeveelheid grond relevant voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen binnen de aanduiding Beperkingen veehouderij.

Deze wijziging heeft ook geleid tot een aanpassing van de definities van agrarische bedrijven. Voor het begrip agrarisch bedrijf (artikel 1.6) is aansluiting gezocht bij het inrichtingen begrip uit de Wet milieubeheer. Hierdoor is duidelijk dat kleinschalige hobbymatige activiteiten geen agrarisch bedrijf betreffen. Verder is er een vierdeling gemaakt in type agrarisch bedrijf: (vollegronds)teeltbedrijf (artikel 1.87), veehouderijbedrijf (artikel 1.81), glastuinbouwbedrijf (artikel 1.32) en overig agrarisch bedrijf (artikel 1.61).

Ook ten aanzien van de zonering van ruimtelijke ontwikkelingen in de veehouderij is een wijziging doorgevoerd. In de oude Verordening werd een onderscheid gemaakt tussen “extensiveringsgebieden”, “verwevingsgebieden” en “landbouwontwikkelingsgebieden”. De ontwikkelruimte van bestaande intensieve veehouderij was afhankelijk van het type gebied. Deze indeling was ontleend aan de zonering in de Reconstructiewet concentratiegebieden (voorts: 'Reconstructiewet') en vertaald in de reconstructieplannen die op 22 april 2005 door Provinciale Staten zijn vastgesteld. In de oude Verordening (2012) is de zonering overgenomen, maar niet vastgesteld. De juridische basis vloeide dan ook direct voort uit de reconstructieplannen. Provinciale Staten hebben bij besluit van 22 maart 2012 besloten de reconstructieplannen in te trekken. Vanwege de uitspraak van de Raad van State van 27 november 2013 is dit besluit vernietigd. Daarom is op 7 februari 2014 een gecorrigeerd besluit tot intrekking van de reconstructieplannen genomen.

In deze Verordening is genoemd onderscheid in typen gebieden (zonering) vervallen. De ontwikkelruimte van bestaande veehouderijen is in de eerste instantie afhankelijk van de ligging binnen de geldende structuur. Daarnaast kent deze Verordening de aanduiding “ Beperking veehouderij ” (artikel 25.1). In deze gebieden geldt dat er in beginsel geen uitbreidingsmogelijkheden zijn voor een veehouderij, tenzij het bedrijf over voldoende grond beschikt om (een deel van) de kringlopen te sluiten. Met deze aanduiding wordt het bestaande beleid in extensiveringsgebied feitelijk voortgezet. De regels binnen het gebied beperkingen veehouderij zijn er op gericht om een ongewenste intensivering van de veehouderij in dit gebied te voorkomen.

4.42 Artikel 7.1 Beschrijving gemengd landelijk gebied

Dit artikel geeft twee mogelijke ontwikkellijnen aan om op te nemen in een bestemmingsplan in agrarisch gebied: een gemengde plattelandseconomie en een agrarische economie . De Verordening geeft geen nadere definities van deze ontwikkellijnen zodat er ruimte is voor lokaal beleid. Uiteraard houden gemeenten bij het bepalen van het lokale beleid rekening met de aard van de economieën die in een bepaald gebied aanwezig zijn. Het artikel veronderstelt dat het bedoelde lokale beleid een ruimtelijke ontwikkelvisie op het agrarische gebied bevat, bij voorkeur gebaseerd op de gemeentelijke structuurvisie. De aanduiding van een gebied als gemengde plattelandseconomie impliceert meer ruimte voor niet-agrarische functies. Het gaat daarbij onder andere om het zoeken naar nieuwe economische dragers voor een vitaal platteland. Het aanwijzen van de bestemmingen zoals in dit artikel benoemd draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3 en het gewenste ontwikkelingsperspectief.

Op delen van het gemengd landelijk gebied is een aanduiding zoekgebied stedelijke ontwikkeling of integratie stad-land gelegd. Indien toepassing wordt gegeven aan de mogelijkheden voor stedelijke ontwikkeling geldt deze bepaling niet.

4.43 Artikel 7.2 (Vollegronds)teeltbedrijven

In dit artikel zijn regels opgenomen voor (vollegronds)teeltbedrijven in gemengd landelijk gebied. Er wordt geen maximum gesteld aan de omvang van dit soort bedrijven. De gemeente bepaalt dit in het bestemmingsplan afhankelijk van de noodzaak voor de bedrijfsvoering van het desbetreffende bedrijf. Hiervoor kan de gemeente advies vragen bij de Agrarische adviescommissie bouwaanvragen.

4.44 Artikel 7.3 Veehouderijen

Om de transitie naar zorgvuldige veehouderij in gang te zetten, hebben provinciale staten in maart 2013 besloten dat zij dit proces willen ondersteunen met regels in de verordening. De vastgestelde denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd' is hiervoor de basis. Er is daarbij besloten dat er alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen, als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. De basis voor die systematiek wordt in dit artikel gelegd door de huidige omvang van alle veehouderijen vast te leggen, zowel qua omvang van het bouwperceel als omvang van de bebouwing.

Nieuw daarbij is dat dit artikel geldt voor alle veehouderijen en dat de integrale zonering voor de intensieve veehouderij is ingetrokken. Voor gebieden rondom kernen en natuur gelden nog wel beperkingen, daarvoor is de aanduiding Beperkingen veehouderij opgenomen (art. 25). Ook het specifieke beleid dat sinds 2009 was ingesteld voor schapen- en geitenhouderijen is ingetrokken. Voor alle veehouderijbedrijven geldt een zelfde regime. Aan dit artikel zijn ook rechtstreeks werkende regels gekoppeld gebaseerd op artikel 4.1 lid 3 Wro. Deze rechtstreeks werkende regels zijn in artikel 34 opgenomen.

In dit artikel wordt aangegeven onder welke voorwaarden ontwikkeling van een veehouderij mogelijk is. Dit is gebaseerd op de denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd'. Deze behelst drie principes of sporen):

  • ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van (bovenwettelijke) maatregelen;
  • de som van het effect van alle bedrijven in een gebied mag de draagkracht van een gebied niet te boven gaan;
  • door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen.

Om ontwikkelruimte te verdienen moet er sprake zijn van (een ontwikkeling naar) een zorgvuldige veehouderij. Dit doet een ondernemer door maatregelen te treffen voor zijn veehouderij die deze ontwikkeling ondersteunen. In het derde lid van dit artikel is opgenomen dat GS nadere regels stellen over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij. Deze nadere regels staan inmiddels bekend als de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). In de tekst van de verordening zelf wordt de BZV niet genoemd. Dat is bewust gedaan om te voorkomen dat een aanpassing van de BZV ook moet leiden tot een aanpassing van de Vr. De BZV stuurt, stimuleert en objectiveert de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij. Het idee daarbij is dat een ondernemer punten verdient door maatregelen te treffen die de inpasbaarheid van het bedrijf in de omgeving verbeteren. De ondernemer heeft daarbij keuzevrijheid in welke maatregelen het beste passen bij zijn bedrijfsvoering of de wensen van de omgeving. Door de eisen periodiek aan te passen aan de meest moderne inzichten en mogelijkheden, wordt de transitie ondersteund.

Voor de toepassing van dit artikel is het verder relevant of artikel 25 (Beperkingen veehouderij) van toepassing is. Als een veehouderij binnen deze aanduiding ligt gelden namelijk aparte regels. Hoofdregel binnen deze aanduiding is dat veehouderijen geen ontwikkelingsruimte hebben: het zogenaamde 'slot op de muur'. De beperkingen uit dat artikel gelden niet als er sprake is van een grondgebonden veehouderij. Voor het overige verwijzen wij naar de toelichting op artikel 25.

Artikel 7.3 richt zich op twee verschillende situaties.

De bepalingen in het eerste lid zijn opgenomen in geval van uitbreiding, omschakeling of vestiging van een veehouderij. Hoofdregel is dat bedrijven niet groter groeien dan 1,5 hectare.

De bepalingen in het tweede lid richten zich op het stellen van voorwaarden aan de toename van de bestaande bebouwingsoppervlakte binnen het bouwperceel of het in gebruik nemen van bebouwing die eerder niet voor de veehouderij in gebruik was.

Belangrijke voorwaarde is dat een bestemmingsplan bepaalt dat een toename van de bestaande bebouwingsoppervlakte alleen mogelijk is als er maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij. Hieruit vloeit tevens voort dat het bestemmingsplan zo ingericht moet worden dat er handhavend opgetreden kan worden indien een veehouder de maatregelen niet in stand houdt. Er zijn diverse manieren waarop de toename van bebouwing aan de voorwaarden gekoppeld kan worden, dit is uiteraard ter keuze van de gemeente:

- voorwaardelijke bepalingen;

- omgevingsvergunning inhoudende binnenplanse afwijking

- wijzigingsbevoegdheid

- omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan (projectafwijkingsbesluit)

- bestemmingsplanherziening

De planologische borging laat onverlet dat er daarnaast ook nog mogelijkheden voor privaatrechtelijke borging mogelijk (en wellicht wenselijk) zijn.

Nieuw in dit artikel is de bepaling dat de toelichting op een bestemmingsplan een verantwoording bevat dat er een zorgvuldige dialoog is. Ondernemers en hun omgeving hebben beide een belang voor het onderhouden van een goede relatie. Deze dialoog is er specifiek op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat die bij de uitwerking kunnen worden betrokken. Dit kan bijvoorbeeld door samen met de omgeving te bespreken hoe vanuit ieders perspectief een goede invulling geven wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip. Dit is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. De gemeente kan dit het beste beoordelen. Het is overigens niet zo dat partijen het altijd met elkaar eens moeten worden; het gaat er om dat inzicht bestaat in de wensen van de omgeving in relatie tot de mogelijkheden die de ondernemer heeft. De gemeente beslist of de dialoog op een (voldoende) zorgvuldige wijze is gevoerd.

Onder lid 1 sub d en e, en lid 2 sub c en d, zijn normen voor geur en fijn stof op gebiedsniveau opgenomen. Deze normen geven invulling aan de grenzen die vanuit gebiedsniveau aan individuele ontwikkelruimte gesteld worden.

De geurnormen zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat er op gebiedsniveau, geen nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Door voor het aspect geurhinder onder voorwaarde van een proportionele bijdrage aan de afname van geurhinder ontwikkelingen toe te staan neemt de overbelasting af. Maatregelen op het gebied van geurhinder hebben over het algemeen ook een verlagend effect op emissie van fijn stof.

Ten aanzien van het bepalen van een proportionele bijdrage aan de afname van de achtergrondbelasting, in de situaties waarin deze reeds hoger is dan de daarvoor gegeven normen, zorgt de provincie dat hiervoor nadere informatie ter beschikking wordt gesteld. Veehouderijen die, bijvoorbeeld door de afstand tot een geurgevoelig object, beperkt bijdragen aan een cumulatieve overbelasting (achtergrond) op dat object worden hierdoor niet beperkt. Gemeenten kunnen hiervoor een zogenaamde afkapwaarde gebruiken. In de nadere informatie wordt hier verder op ingegaan.

Indien er voor een diercategorie in de Regeling geuremissie en veehouderij en volgens de laatste milieutechnische inzichten geen geschikte geuremissiefactor beschikbaar is, wordt die diercategorie in de berekening van de geurbelasting buiten beschouwing gelaten.

Ook de regels die zijn opgenomen voor fijn stof beogen om op gebiedsniveau verdere overschrijdingen van de wettelijke norm tegen te gaan. Het wordt steeds duidelijker dat stof uit de veehouderij ook drager kan zijn van ziektekiemen en drager is van zogenaamde endotoxinen welke zich via de lucht verspreiden. Een belangrijke doelstelling van de provincie bij de Transitie naar zorgvuldige veehouderij is om volksgezondheidsaspecten in zijn volle omvang te betrekken bij het bieden van ontwikkelruimte aan veehouderijen. Gebleken is dat de landelijke normstelling voor fijn stof (nog) onvoldoende sturing geeft om op gebiedsniveau een overbelaste situatie te voorkomen.

Ook de regels die zijn opgenomen voor fijn stof beogen om op gebiedsniveau verdere overschrijdingen van de wettelijke norm tegen te gaan. Het wordt steeds duidelijker dat stof uit de veehouderij ook drager kan zijn van ziektekiemen en drager is van zogenaamde endotoxinen welke zich via de lucht verspreiden. Een belangrijke doelstelling van de provincie bij de Transitie naar zorgvuldige veehouderij is om volksgezondheidsaspecten in zijn volle omvang te betrekken bij het bieden van ontwikkelruimte aan veehouderijen. Gebleken is dat de landelijke regels voor fijn stof (nog) onvoldoende sturing geeft om op gebiedsniveau een overbelaste situatie te voorkomen.

Uit het monitoringsprogramma van het NSL blijkt dat de gemiddelde concentraties fijn stof de afgelopen jaren zijn gedaald waardoor de concentraties in het grootste deel van Nederland onder de grenswaarden liggen. De fijn stof emissie uit de veehouderij is daarentegen toegenomen. En in sommige gebieden blijft sprake van een beperkt aantal hardnekkige overschrijdingen. Uit de meest recente door de provincie opgestelde monitor rondom de uitstoot van fijn stof uit de veehouderij blijkt dat tussen 2011 en 2012 in diverse gebieden de concentratie fijn stof op gebiedsniveau met enkele microgrammen is gestegen. De berekende concentraties fijn stof liggen daardoor op veel locaties maar net onder de grenswaarde. Hierdoor neemt de noodzaak toe om een norm op te nemen die nieuwe overschrijdingssituaties in de nabijheid van veehouderijen voorkomt. De provincie neemt daarom een jaargemiddelde waarde van 31,2 microgram op in de verordening. Deze waarde komt volgens het RIVM overeen met de wettelijke norm van 35 keer overschrijding van de etmaalnorm van 50 microgram.

De provincie wil met de regels rondom geur ingrijpen op de hoogte van de toetswaarde voor geur en voor fijnstof op het ontstaan van nieuwe overschrijdingen in een gebied, maar treedt niet in de wijze waarop belastingen van geur en fijn stof op gevoelige en te beschermen objecten volgens de nu al bestaande regels en jurisprudentie worden berekend. Wij wijzen er daarbij op dat de rechter binnen het ruimtelijk spoor een ruimere interpretatie geeft aan het begrip geurgevoelig object uit de Wet geurhinder en veehouderij. Het is zinvol om die uitleg bij de planvorming te betrekken.

In het derde lid van dit artikel is opgenomen dat GS nadere regels stellen over de inzet voor maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij. Deze nadere regels staan inmiddels bekend als de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij  (BZV). De BZV stuurt, stimuleert en objectiveert de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij. Het idee daarbij is dat een ondernemer punten verdient door maatregelen te treffen die de inpasbaarheid van het bedrijf in de omgeving verbeteren. De ondernemer heeft daarbij keuzevrijheid in welke maatregelen het beste passen bij zijn bedrijfsvoering of de wensen van de omgeving. Door de eisen periodiek aan te passen aan de meest moderne inzichten en mogelijkheden, wordt de transitie ondersteund.

4.45 Artikel 7.4 Afwijkende regels veehouderij

In dit artikel zijn de afwijkende regels opgenomen van de hoofdregels uit artikel 6.3.

Zo zijn er drie uitzonderingen benoemd op de maximale omvang van 1,5 hectare.

De eerste uitzondering betreft bedrijven met een veebezetting van ten hoogste 2 GVE per hectare en die blijvend beschikken over voldoende grond. Het streven van de provincie is er op gericht kringlopen zo veel mogelijk te sluiten; dergelijke bedrijven voldoen daaraan. Het aantal GVE op een bedrijf dient te worden afgeleid uit Annex 1 uit de verordening EU 1200/2009 van de Europese Commissie. Wat betreft de hoeveelheid grond moet worden uitgegaan van de grond waarover het bedrijf blijvend beschikt. Hiertoe behoort grond die in eigendom is, erfpacht en langjarige pacht; grond met een pachtcontract van 5 jaar of meer. Deze grond moet binnen een straal van 15 km van het bedrijf gelegen zijn.

Een tweede uitzondering betreft een uitbreiding boven de 1,5 hectare wanneer dit bijdraagt aan het oplossen van een zogenaamd knelpunt . Hieraan zijn strenge voorwaarden verbonden, waaronder dat er elders een bedrijf gesaneerd wordt en dat die sanering bijdraagt aan het oplossen van een overbelaste situatie. Een overbelaste situatie is gedefinieerd in het tweede lid.

De derde uitzondering betreft een situatie waarin een bedrijf vanwege een innovatief bedrijfsconcept meer ruimte nodig heeft. Het gaat er hierbij niet om dat een bedrijf meer beesten houdt dan een gemiddeld ander bedrijf op 1,5 hectare doet. Het gaat er om dat vanwege het innovatieve concept meer ruimte nodig is. Hierbij wordt advies voorgeschreven van een deskundigen commissie. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij het deskundigenpanel dat ten behoeve van innovatie wordt ingesteld vanwege de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij.

In het derde lid is een verruiming opgenomen van het bouwperceel voor bedrijven die afhankelijk zijn van de opslag van ruwvoer. Harde voorwaarde hierbij is dat het bestemmingsplan er voor zorgt dat deze verruiming alleen benut wordt voor het oprichten van voorzieningen ten behoeve van ruwvoeropslag.

Tot slot is in het vierde lid een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt dat er binnen het bouwperceel bebouwing wordt opgericht, zonder dat aan de voorwaarden van artikel 7.3 lid 2 is voldaan. Het gaat daarbij om bebouwing die niet wordt gebruikt voor de uitoefening van de veehouderij of om voorzieningen ten behoeve van ruwvoeropslag. Om te voorkomen dat het gebruik van de bebouwing wordt omgezet, moet het bestemmingsplan borgen dat dit niet mogelijk is. Sluitstuk van deze regeling is dat als een ondernemer de bebouwing alsnog voor de veehouderij wil gebruiken, in zo'n geval alsnog de voorwaarden ex artikel 6.3, lid 2 gelden. Bijvoorbeeld door het opnemen van een omgevingsvergunning voor binnenplanse afwijking. In de nadere regels van de BZV is tot slot een uitzondering opgenomen voor bebouwing ten behoeve van de uitoefening van een veehouderij tot 100 m2 (de zogenaamde kruimelgevallen). Om 'salamitactiek' te voorkomen, is in die regels bepaald dat dit cumulatief geldt voor een planperiode van tien jaar, gerekend vanaf de inwerking treding van de BZV. De provincie gaat er daarbij vanuit dat gemeenten nauwlettend toezien op een juiste toepassing van deze regel.

4.46 Artikel 7.5 Glastuinbouwbedrijven

4.46 Artikel 7.5 Glastuinbouw

De provincie streeft de concentratie van glastuinbouw na in daarvoor speciaal aangewezen gebieden; de glastuinbouwvestigingsgebieden en de doorgroeigebieden glastuinbouw. De ontwikkelingsmogelijkheden voor solitaire glastuinbouwbedrijven buiten die gebieden worden beperkt. Concentratie leidt tot een aantal synergievoordelen zoals de mogelijkheid om producten gezamenlijk aan- en af te voeren, in- en verkoop te bundelen en milieuproblemen gezamenlijk aan te pakken. Nieuw is dat de voorwaarde voor uitbreiding van bestaande solitaire glastuinbouwbedrijven in gemengd landelijk gebied aan voorwaarden wordt verbonden. Uitbreiding is alleen mogelijk voor bedrijven waarvoor een toekomstperspectief aanwezig is bij een maximale glasomvang van 3 hectare. Deze nieuwe lijn is ingezet om de verdere concentratie van glas te bevorderen, de leegstand en de spreiding van glas te voorkomen.

4.47 Artikel 7.6 Overige agrarische bedrijven

Een laatste categorie agrarische bedrijven zijn de overige agrarische bedrijven. Hiermee wordt een breed scala aan bedrijven bedoeld. Het gaat daarbij -volgens de definitie in artikel 1.61- over alle agrarische bedrijven die niet onder definitie van (vollegronds)teelt-, veehouderij- en glastuinbouwbedrijven vallen. Voorbeelden zijn paardenfokkerijen, slakken-, vissen-, wormen- of insectenkwekerijen of bedrijven waar gewassen worden geteelt in gebouwen zoals champignon- en witlofkwekerijen.

De maximale omvang van een bouwperceel voor deze bedrijven is 1,5 hectare. Vanuit landschappelijk oogpunt is hierbij aangesloten bij de omvang van een bouwperceel voor de veehouderij die doorgaans ook maximaal 1,5 ha groot mogen zijn. In het bestemmingsplan kan worden bepaald dat uitbreiding van een overig agrarisch bedrijf tot maximaal 1,5 ha mogelijk is. Voorwaarde is wel dat uit de toelichting van het bestemmingplan blijkt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering.

4.48 Artikel 7.7 Wonen

De regels met betrekking tot nieuwbouw van woningen of solitaire recreatiewoningen zijn in hoofdzaak gelijk aan de regels in artikel 6.7 betreffende de groenblauwe mantel (zie de toelichting op dat artikel).

4.49 Artikel 7.8 Ruimte-voor-ruimte

De zogenoemde ruimte-voor-ruimte regeling wordt voortgezet. Voor de toelichting van deze regeling wordt verwezen naar artikel 6.8.

4.50 Artikel 7.9 Landgoederen

Dit artikel is nagenoeg gelijk aan de regels die in artikel 6.9 zijn neergelegd (landgoederen in de groenblauwe mantel). Dit artikel wijkt in zoverre af dat in het eerste lid is bepaald dat een bestemmingsplan niet kan voorzien in de aanwijzing van een landgoed in een vestigingsgebied voor glastuinbouw. Een dergelijke aanvulling is niet aan de orde in de groenblauwe mantel. Voor het overige verwijzen we kortheidshalve naar de toelichting op artikel 6.9 (Regels voor landgoederen), welke (mutatis mutandis) ook voor dit artikel geldt.

4.51 Artikel 7.10 Niet-agrarische functies

Dit artikel bevat bepalingen ten aanzien van niet agrarische functies in gemengd landelijk gebied. Het gaat hierbij niet om ontwikkelingen waarvoor bijzondere bepalingen in de artikelen 7.7, 7.8, 7.9 (wonen, landgoederen, ruimte voor ruimte) zijn opgenomen. Overige niet-agrarische ontwikkelingen zijn mogelijk indien er sprake is van een vestiging op een bestaand bouwperceel. In het artikel zijn onder a t/m i de voorwaarden opgenomen voor vestiging. In het tweede lid wordt de mogelijkheid geboden voor een redelijke uitbreiding van bestaande niet agrarische functies. Voorwaarde voor een dergelijke uitbreiding is wel dat deze in redelijke verhouding staat tot de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit, zoals beschreven in artikel 3.1.

Voor de overige toelichting verwijzen wij naar artikel 6.10. Specifiek binnen gemengd landelijk geldt dat een afweging wordt gevraagd overeenkomstig artikel 7.1 van deze verordening. In bijvoorbeeld een vestigingsgebied glastuinbouw zijn in beginsel alleen functies wenselijk die de ontwikkeling van het gebied ondersteunen. Functies die gericht zijn op bewoners van kernen passen eerder in zogenaamde kernrandzones dan in gebieden die ver van een kern afliggen.

4.52 Artikel 7.11 Afwijkende regels voor agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarische-verwante bedrijven

Dit artikel bevat afwijkende regels voor agrarisch-technisch hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven ten opzichte van de bepalingen in artikel 7.10. De afwijking heeft zowel betrekking op de omvang van de functie als de toegelaten milieucategorie. De overige bepalingen uit artikel 7.10 blijven verder van toepassing.

In de artikelen 1.4 en 1.5 zijn deze begrippen nader aangeduid. Paardenhouderijen worden hierin niet expliciet genoemd. Voor zover een paardenhouderij niet overwegend gericht is op het fokken van dieren en om die reden als een overig agrarisch bedrijf wordt aangemerkt, valt deze onder de begripsomschrijvingen.

Nieuw ten opzichte van de oude verordening is dat de (co)vergisting van mest niet meer als aparte activiteit in diot artikel is opgenomen. Mestvergisting valt ingevolge de begripsbepalingen onder mestbewerking en daarvoor is een apart artikel in de Verordening opgenomen. Dit betekent niet dat mestbewerkingsactiviteiten (inclusief covergisting) niet mogelijk zijn bij agrarisch technische hulpbedrijven. Een bestemmingsplan kan voorzien in mestbewerking bij een specifiek loonwerkbedrijf indien is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 7.12. Een bestemmingsplan kan dus niet regulier voor ieder loonwerkbedrijf mestbewerking toelaten.

Uit de systematiek van dit artikel volgt dat de regels uit artikel 7.10 onverkort gelden, behalve voor zover in dit artikel anders is bepaald.

4.53 Artikel 7.12 Afwijkende regels voor mestbewerkingsactiviteiten

Dit artikel bevat afwijkende regels voor mestbewerking ten opzichte van de bepalingen in artikel 7.10. Dit betekent dat alle overige bepalingen uit artikel 7.10 van toepassing blijven. Vanuit landelijke regelgeving ontstaat de verplichting om te voorzien in voldoende capaciteit om het mestoverschot te verwerken. Hiervoor is in Brabant een uitbreiding van de mestbewerkingscapaciteit nodig. Het beleid is er daarbij op gericht dat Brabant voldoende capaciteit ontwikkelt om het eigen mestoverschot te verwerken op daarvoor geschikte locaties.

In de nationale regelgeving wordt gesproken over mestverwerking. In deze verordening sluiten wij bij de definitie van mestverwerking uit de nationale regelgeving aan. Deze definitie is gericht op de beleidsmatige doelstelling die bereikt moet worden en niet op de activiteit zelf. Voor de verordening is het relevant om voorwaarden te bepalen voor de activiteit. Daarom wordt in de Vr2014 gesproken over mestbewerking.

De verordening definieert mestbewerking als volgt:

de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygienisatie of indamping van mest.

Dit betekent dat ook vormen van (co)vergisting van mest onder de definitie van mestbewerking vallen.

Om een overaanbod aan mestbewerking tegen te gaan, is sturing op provinciaal niveau gewenst. Daarom zijn er in de verordening regels opgenomen over mestbewerking op bedrijventerreinen (artikel 4.7) en op locaties in het gemengd landelijk gebied. De vestiging van mestbewerking in de groenblauwe mantel is niet gewenst.

Hoofdregel is dat de vestiging en uitbreiding van mestbewerking niet zijn toegestaan. Een uitzondering op dit verbod is mogelijk als een concreet initiatief aantoont dat het aan de gestelde randvoorwaarden voldoet. Het ontplooien van mestbewerkingsactiviteiten is onder de voorwaarden zoals opgenomen in dit artikel mogelijk als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf of een agrarisch technisch hulpbedrijf maar ook als zelfstandige activiteit. Uiteraard binnen de kaders die elders in deze verordening voor die bedrijven zijn gesteld.

Sluitstuk van de regeling voor mestbewerking is dat er rechtstreekse regels in artikel 33 zijn opgenomen die toegepast moeten worden bij omgevingsvergunningaanvragen zolang een bestemmingsplan nog niet is aangepast aan de regels uit de verordening.

De verwerking van eigen mest, van het ter plaatse gevestigde agrarische bedrijf maakt deel uit van de agrarische bedrijfsvoering en is mogelijk binnen het bouwperceel dat op grond van deze verordening is toegestaan.

In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen voor het verwerken van mest van derden. De provincie wil daar sterk op sturen.

Belangrijke randvoorwaarde is dat de mestbewerking geen overlast veroorzaakt naar de omgeving. De randvoorwaarden zoals geformuleerd onder a, d en f richten zich daar op.

De sturing vanuit de provincie op mestbewerking is er op gericht dat er geen overaanbod  van mest wordt verwerkt. Neveneffect daarvan kan zijn dat er daardoor ook een groei van de veestapel mogelijk is. Dat is gelet op de situatie in Brabant niet gewenst. In de regels is daarom bepaald dat de mestbewerking noodzakelijk moet zijn vanwege het mestoverschot in Brabant. Dit betekent dat er geen ruimte wordt geboden om mest van buiten Brabant te verwerken.

Het is daarom nodig dat een initiatiefnemer een bedrijfsplan overlegt waaruit blijkt dat afkomst en aanbod van de mest voor een periode van vijf jaar is gegarandeerd. Vanuit ruimtelijke optiek vinden wij dat de bewerking van dikke fractie in beginsel thuishoort op een daartoe geschikt bedrijventerrein. daarom is de aanvoer van de dikke fractie uitgesloten, behoudens indien dit nodig is voor vergistings- of hygienisatie doelen. Doordat bij mestbewerking veel vervoersbewegingen aan de orde zijn, is specifiek aangegeven dat de locatie in het landelijk gebied op een goed ontsloten plek moet liggen.

Voor een toelichting op de zorgvuldige dialoog wordt verwezen naar artikel 7.3. Mestopslag (en het roeren of verwijderen van vreemde objecten) valt niet onder de werking van dit artikel.

4.54 Artikel 7.13 Afwijkende regels voor recreatieve bedrijven

In artikel 7.10 zijn de hoofdregels met betrekking tot niet agrarische functies in gemengd landelijk gebied beschreven. Dit artikel 7.13 bevat alleen de afwijkingen op genoemde hoofdregels ten aanzien van recreatiebedrijven. Dit betekent dat alle overige bepalingen uit artikel 7.10 van toepassing blijven. De definitie van een recreatiebedrijf is gegeven in artikel 1.64.

Voor de toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6.11.

Voor de vestiging van een recreatiebedrijf in gemengd landelijk gebied geldt, in tegenstelling tot de bepalingen over recreatiebedrijven in de groenblauwe mantel (artikel 6.11), geen limiet van 1,5 ha.

Ook de uitbreidingsmogelijkheden voor recreatiebedrijven zijn in gemengd landelijk gebied ruimer dan in de groenblauwe mantel. De grens voor recreatiebedrijven in gemengd landelijk gebied ligt in de te verwachten aantallen bezoekers. Achterliggende reden is om te voorkomen dat een functies zo grootschalig wordt dat deze die gelet op die omvang en uitstraling niet meer in het landelijk gebied thuishoort. Een andere reden is dat de infrastructuur in het landelijk gebied niet is ingericht op het verwerken van grote stromen bezoekers. De grens is gesteld op 300.000 bezoekers c.q. overnachtingen. Er wordt daarom onderzoek gevraagd naar het te verwachten aantal bezoekers c.q. overnachtingen indien de uitbreiding wordt gerealiseerd. Indien er sprake is van een ontwikkeling die de gestelde grens overschrijdt, vraagt dat een aparte afweging van Provinciale Staten.

4.55 Artikel 7.14 Afwijkende regels voor horecabedrijven en maatschappelijke voorzieningen

In artikel 7.10 zijn de hoofdregels met betrekking niet agrarische ontwikkelingen in gemengd landelijk gebied opgenomen. In dit artikel staan alleen afwijkingen op genoemde hoofdregels ten aanzien van horeca en maatschappelijke voorzieningen. Dit betekent dat alle overige bepalingen uit artikel 7.10 van toepassing blijven. De definities van horeca en maatschappelijke voorzieningen staan in de artikelen 1.40 en 1.54.

Een VAB vestiging van horeca of maatschappelijke voorzieningen in gemengd landelijke gebied is gelimiteerd tot 1,5 ha. Voor uitbreiding van een bestaand bedrijf of bestaande voorziening geldt de hoofdregel zoals beschreven in artikel 7.10 lid 2.

Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6.12.

4.56 Artikel 7.15 Afwijkende regels voor tuincentra

Het artikel maakt onder voorwaarden de vestiging of uitbreiding van een tuincentrum in een kernrandzone in gemengd landelijk gebied mogelijk. Het gaat hier om een specifieke vorm van detailhandel. Door de aard en omvang van het ruimtebeslag is hiervoor vaak geen plaats beschikbaar is binnen bestaand stedelijk gebied of binnen een stedelijk uitbreiding in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling. In de praktijk tuincentra daarom vaak gelegen in de kernrandzone. Dit artikel sluit hierop aan en voorkomt willekeurige vestiging van tuincentra in gemengd landelijk gebied. In dit artikel zijn de afwijkingen opgenomen ten aanzien van de bepalingen van artikel 7.10. Dit betekent dat alle overige bepalingen uit artikel 7.10 van toepassing blijven.

In het eerst lid onder a is bepaald dat in het bestemmingsplan regels moeten worden gesteld om oneigenlijke vormen van detailhandel in tuincentra te voorkomen. Dergelijke regels moeten er voor zorgen dat er geen activiteiten plaatsvinden die naar de gebruikelijke maatschappelijke maatstaven niet passen in een tuincentrum. Het is aan de gemeente om af te wegen of het in een concreet geval noodzakelijk is om een specifieke assortimentslijst op te nemen in het bestemmingsplan.

Naar het oordeel van de provincie biedt de Europese Dienstenrichtlijn de ruimte om vestiging of uitbreiding van tuincentra ruimtelijk te reguleren. Dit artikel stelt namelijk een vestiging of uitbreiding van een tuincentrum niet afhankelijk van economische criteria, maar van (provinciale) planologische eisen die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang (conform artikel 14, vijfde lid, Europese Dienstenrichtlijn). Het eventueel opnemen van een specifieke assortimentslijst is mogelijk indien en voor zover daaraan ruimtelijke motieven ten grondslag liggen. Dit kan helpen om een specifieke vorm van detailhandel als tuincentrum zo concreet mogelijk af te bakenen.

4.57 Artikel 7.16 Kleinschalige voorzieningen

Voor de definitie van kleinschalige bebouwing of voorziening wordt verwezen naar artikel 1.46. Om te voorkomen dat er ingevolge deze verordening een bestaand bouwperceel ontstaat waar vestiging van functies mogelijk wordt, is een maximale oppervlakte opgenomen van 90 m2. Het bestemmingsplan moet borgen dat de omvang van de bebouwing daartoe beperkt blijft. Gelet op de bepalingen inzake vergunningvrij bouwen zoals opgenomen in het Besluit omgevingsrecht vraagt dat extra aandacht voor de regeling in het bestemmingsplan. Voorwaarde is verder dat deze voorzieningen gepaard gaan met beperkte bebouwing en dat ze een beperkte publiek aantrekkende werking hebben. Daarom zijn -al dan niet verenigingsgebonden- horeca-activiteiten (alcoholische drankverstrekking en fast-service e.d.) ongewenst. Voor de ontwikkeling van deze functies geldt niet dat deze op een bestaande locatie moet gebeuren, omdat er sprake moet zijn van beperkte bebouwing. Onder beperkte bebouwing wordt in dit geval verstaan: bebouwing met één bouwlaag, een beperkte oppervlakte en een beperkt investeringsniveau (bijv. houten bebouwing).

In het artikel is ook aangegeven dat het hier om schuilhutten kan gaan. Deze schuilhutten zijn soms gewenst in verband met het hobbymatig houden van paarden. Binnen een toegekende woonbestemming is het vaak niet mogelijk hiervoor een voorziening te treffen. Het gaat nadrukkelijk niet om voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf; zoals in artikel 3.1, tweede lid is opgenomen, zijn de voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf in beginsel alleen toegestaan binnen het toegekende bebouwingsvlak.

4.58 Artikel 7.17 Watergebonden voorzieningen

Dit artikel gaat specifiek in op regels voor watergebonden voorzieningen. Dit zijn Voorzieningen die ruimtelijk en functioneel gebonden zijn aan water zoals (kunst)werken ten behoeve van waterstaatkundige en waterhuishoudkundige doeleinden en voorzieningen die onlosmakelijk met de beroepsvaart, waterrecreatie en watersport zijn verbonden, uitgezonderd woonfuncties en watergebonden bedrijvigheid (artikel 1.90).

In gemengd landelijk gebied bestaan er ruimere mogelijkheden voor de ontwikkeling van een watergebonden voorziening dan in de groenblauwe mantel. Verder wijzen wij nadrukkelijk op de afweging die vanwege artikel 3.1 van deze verordening gemaakt moet worden. In deze afweging moeten ook eventuele effecten op de ecologische hoofdstructuur (bijvoorbeeld een toename van de recreatiedruk) worden betrokken.

Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6.15.

4.59 Artikel 7.18 Lawaaisporten

De provincie streeft naar de opheffing van lawaaisportterreinen in het buitengebied. Een voornemen tot uitbreiding van een lawaaisport (rallyport, motorsport, modelvliegtuigsport e.d.) is slechts beperkt mogelijk. De vestiging in het landelijk gebied is niet mogelijk. Gelet op de effecten van lawaaisport hanteert de provincie als uitgangspunt dat deze zich alleen kunnen vestigen op of aansluitend op een bedrijventerrein. De provincie vindt het onwenselijk om ruimere mogelijkheden in het kader van de Verordening ruimte op te nemen.

Onder bijzondere omstandigheden kan in een voorkomend geval aan Provinciale Staten voorgelegd worden om een specifieke afweging te maken rondom de vestiging van een lawaaisport in gemengd landelijk gebied. Dit kan op twee manieren:

  • een verzoek van een gemeente tot herziening van de Verordening ruimte (aanpassing van het zoekgebied voor verstedelijking);
  • door middel van een provinciaal inpassingsplan dat een initiatief voor de vestiging van een lawaaisport honoreert.

4.60 Artikel 7.19 Wegen

Dit artikel bevat enkele algemeen geformuleerde regels waaraan een bestemmingsplan, dat voorziet in de aanleg of wijziging van een gemeentelijke of provinciale weg buiten bestaand stedelijk gebied, moet voldoen.

Deze regels zijn voornamelijk gericht op een goede onderbouwing van de ruimtelijke ontwikkeling. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel 6.17.

Hoofdstuk 5 Toelichting op aanduidingen

5.1 Artikel 8 Aanduiding zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling

5.2 Artikel 8.1 Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling

Uitgangspunt van zorgvuldig ruimtegebruik is dat de ruimte binnen het bestaand stedelijk gebied zo goed mogelijk wordt benut. Als er toch nieuw ruimtebeslag nodig is dan kan dit alleen in de zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling of -onder specifieke voorwaarden- in de gebieden integratie stad-land (zie artikel 9). De zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling zijn gebieden waar, gelet op de ruimtelijke kwaliteiten, verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden liggen. Uiteraard dient hierbij ook ingegaan te worden op de aspecten als benoemd in artikel 3 Bevordering ruimtelijke kwaliteit, waaronder zorgvuldig ruimtegebruik en de kwaliteitsverbetering landschap.

Het tweede lid heeft betrekking op de situatie dat er gekozen wordt voor een uitleg voor de beoogde stedelijke ontwikkeling. Het bevat daartoe enkele regels over de situering en inrichting van zo'n stedelijke ontwikkeling.

Mede vanwege de uitspraak van de Raad van State inzake het bestemmingsplan Dommelkwartier (Valkenswaard) is de regeling aangevuld en duidelijk bepaald dat de regel ex artikel 2 vierde lid, (zwaarste regiem geldt) buiten toepassing blijft. Voorts is opgenomen dat ingeval elders in de verordening beschermingsregels zijn opgenomen het bepaalde in lid 2 onder b voorrang heeft.

Dit geldt echter niet in het geval het zoekgebied stedelijke ontwikkeling samenvalt met de EHS. Hier is bewust voor gekozen omdat dit ook nadrukkelijk het uitgangspunt is geweest bij de aanwijzing van de zoekgebieden die ook binnen de EHS liggen.

Lid 2 onder b bepaalt dat de aanwezige waarden betrokken moeten worden in de planontwikkeling in het algemeen en in de weergave van de ruimtelijke inrichting en het stedenbouwkundig ontwerp in het bijzonder (principe behoud door ontwikkeling).

In het derde lid is bepaald dat de bepalingen uit artikel 4.3 tot en met artikel 4.11 van overeenkomstige toepassing zijn.

5.3 Artikel 8.2 Regels voor kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties

In afwijking van de artikelen 6.7 en 7.7 kan een bestemmingsplan dat ligt in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling de nieuwbouw van één of meer woningen in een bebouwingsconcentratie mogelijk maken. Voorwaarde is dat in de toelichting op het bestemmingsplan wordt verantwoord dat:

  • a. het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen te verzekeren;
  • b. er geen sprake is van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling (zoals bedoeld in artikel 4);
  • c. geen inbreuk wordt gedaan aan de toepassing van de regeling bedoeld in artikelen 6.8 en 7.8 (ruimte-voor-ruimte). Hiermee wordt bedoeld dat de tegenprestatie voor de bouw van een woning die gevraagd wordt op grond van artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering landschap) in beginsel gelijkwaardig moet zijn aan de tegenprestatie die gevraagd wordt bij het oprichten van een ruimte-voor-ruimte woning.

Het artikel heeft uitsluitend betrekking op de nieuwbouw van woningen. De nieuwbouw van zelfstandige bedrijfsgebouwen is ongewenst. Wel kan binnen de reguliere marges van de woonbestemming gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid van aan huis verbonden beroep of bedrijf. Artikel 3.1, tweede lid onder a, (VAB vestiging) is in dit geval niet van toepassing.

5.4 Artikel 8.3 Wijziging van de begrenzing op verzoek

In dit lid zijn de voorwaarden gegeven waaronder GS de begrenzing van een zoekgebied stedelijke ontwikkeling kunnen wijzigen op verzoek van burgemeester en wethouders.

5.5 Artikel 9 Aanduiding gebieden integratie stad-land

5.6 Artikel 9.1 Gebieden integratie stad-land

Onder specifieke voorwaarden is stedelijke ontwikkeling ook mogelijk in gebieden met bijzondere landschappelijke kwaliteiten, de zogenoemde 'gebieden integratie stad-land'. In deze gebieden kan stedelijke ontwikkeling plaatsvinden in samenhang met een groene en blauwe landschapsontwikkeling. Het sluitstuk van het bundelingsbeleid wordt gevormd door de eerder in deze toelichting genoemde rood-met-groen-koppeling. De stedelijke ontwikkeling kan geen betrekking hebben op een te ontwikkelen of uit te breiden middelzwaar en zwaar bedrijventerrein. Dit zijn terreinen waar grotendeels bedrijven in de milieucategorieën 3 en 4 of hoger worden gevestigd.

Kantoorlocaties en nieuwe (campusachtige) concepten voor werklocaties, zoals de Brainport Innovatie Campus, kunnen een wezenlijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de integratie stad-land gebieden. De externe uitstraling van dit soort werklocaties op de omgeving is beperkt en een groene setting draagt bij aan de kwaliteit van de werklocatie. Een groene landschapsontwikkeling betreft bijvoorbeeld een robuuste duurzame groene geleding of een landschappelijke verbinding. Bij een blauwe landschapsontwikkeling kan het gaan om een nieuw of aangepast watersysteem.

In het tweede lid staan de voorwaarden opgesomd. Specifiek wordt aan gemeenten gevraagd om op basis van een integrale visie weer te geven hoe zij in deze gebieden nieuwe stedelijke en landschapsontwikkelingen gelijktijdig en in samenhang met elkaar willen ontwikkelen (onder b). Het doel hierbij is dat er in het landschap nieuwe kwaliteiten ontstaan of bestaande landschapskwaliteiten worden versterkt. De in de regeling gestelde voorwaarden maken het mogelijk dat per gebied maatwerk wordt geleverd ten aanzien van de vorm waarin zo'n samenhangende gebiedsontwikkeling gestalte kan krijgen. Uiteraard moet bij de uitwerking rekening worden gehouden met overige bepalingen van deze verordening, zoals (attentiegebieden van) de ecologische hoofdstructuur, aangewezen waterbergingsgebieden of cultuurhistorische waarden. Lid 2 onder b bepaalt dat de aanwezige waarden betrokken moeten worden in de planontwikkeling in het algemeen en in de weergave van de ruimtelijke inrichting en het stedenbouwkundig ontwerp in het bijzonder (principe behoud door ontwikkeling).

Mede vanwege de uitspraak van de Raad van State inzake het bestemmingsplan Dommelkwartier (Valkenswaard) is de regeling aangevuld en duidelijk bepaald dat de regel ex artikel 2 vierde lid, (zwaarste regiem geldt) buiten toepassing blijft. Voorts is opgenomen dat ingeval elders in de verordening beschermingsregels zijn opgenomen het bepaalde in lid 2 onder b voorrang heeft.

Dit geldt echter niet in het geval het zoekgebied stedelijke ontwikkeling samenvalt met de EHS. Hier is bewust voor gekozen omdat dit ook nadrukkelijk het uitgangspunt is geweest bij de aanwijzing van de zoekgebieden die ook binnen de EHS liggen.

In het derde lid is bepaald dat de bepalingen uit artikel 4.3 tot en met artikel 4.11 van overeenkomstige toepassing zijn.

5.7 Artikel 9.2 Regels voor kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties

Voor de vestiging van woningen in een gebied met de aanduiding integratie stad-land geldt hetzelfde als beschreven in artikel 8.2 met betrekking tot zoekgebieden stedelijke ontwikkeling. Kortheidshalve verwijzen we daarom naar de toelichting bij dat artikel.

5.8 Artikel 9.3 Wijziging van de begrenzing op verzoek

Hier gelden dezelfde bepalingen als bij de wijziging op verzoek van de begrenzing van zoekgebieden stedelijke ontwikkeling.

5.9 Artikel 10 Aanduiding regionaal bedrijventerrein

In artikel 4.6 is bepaald dat de omvang van bedrijventerreinen in een kern in landelijk gebied volgens het bestemmingsplan in beginsel maximaal 5.000 m2 is. In dit artikel is bepaald dat dit niet geldt in gebieden met de aanduiding 'regionaal bedrijventerrein'.

5.10 Artikel 11 Aanduiding ecologische verbindingszone

Voor de ecologische verbindingszones geldt een beperkt beschermingsregime, gericht op het bieden van basisbescherming. Een ecologische verbindingszone wordt aangeduid met een concreet aangeduid (zoek-)gebied. Inrichting, beheer en bescherming op perceelsniveau worden nader in het bestemmingsplan uitgewerkt.

In bestaand stedelijk gebied en zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling moet het bestemmingsplan een ecologische verbindingszone met een breedte van 50 meter beschermen. In overige gebieden is de breedte vastgesteld op 25 meter. Het gaat hierbij over de aansluitende verbinding over land.

In dit artikel is bepaald dat indien de ecologische verbindingszone is gerealiseerd de beschermingsregels van artikel 5 van overeenkomstige toepassing zijn.

Een gerealiseerde ecologische verbindingszone zal in de praktijk niet altijd over de volle lengte een breedte hebben van 25 meter. Sommige onderdelen kunnen smaller zijn, zeker als met stapstenen wordt gewerkt. Dit is binnen de gestelde regels mogelijk mits in het bestemmingsplan concrete begrenzing van de gerealiseerde evz wordt opgenomen met een daarbij horend beschermingsregiem. Bij een ecologische verbindingszone gaat het namelijk niet alleen om de aanleg, maar ook om het behoud en beheer.

In artikel 11.2 zijn twee mogelijkheden opgenomen voor Gedeputeerde Staten om de begrenzing van een ecologische verbindingszone te wijzigen. Wijziging op eigen initiatief van Gedeputeerde Staten is mogelijk indien dit tot een beter resultaat leidt voor de verwezenlijking, het behoud en herstel van de evz (eerste lid). Wijziging op verzoek van burgemeester en wethouders kan alleen plaatsvinden indien het zoekgebied, met de beoogde wijziging, tenminste een vergelijkbare functie kan vervullen.

5.11 Artikel 12 Aanduiding attentiegebied ecologische hoofdstructuur

Stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig. In het derde lid van dit artikel is opgenomen dat het waterschap betrokken wordt bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Ook bij een verzoek tot grenswijziging van een Attentiegebied ecologische hoofdstructuur moet het betreffende waterschapsbestuur worden gehoord (artikel 12.2 lid 1 onder b).

5.12 Artikel 13 en 14 Aanduiding regionale waterberging en reservering waterberging

Deze artikelen zijn gericht op het tegengaan van activiteiten die ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van het gebied. In de artikelen zijn de minimale eisen verwoord die in het bestemmingsplan moeten zijn opgenomen. Uiteraard kan een gemeente ervoor kiezen om meer regels op te nemen (die strekken tot behoud van het waterbergend vermogen van het gebied en het tegengaan van ingrepen die een negatief effect kunnen hebben op het waterbergend vermogen).

In de aanduiding regionale waterberging gelden meer beperkingen dan in de aanduiding reservering waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. De beperkingen hebben betrekking op bouwen en voorzien in een vergunningstelsel voor het ophogen van gronden en het aanbrengen of wijzigen van kaden. Bebouwing ten dienste van waterberging is toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 meter. Overige bebouwing en uitbreiding is toegestaan mits blijkt dat dit niet ten koste gaat van het waterbergend vermogen van het gebied.

In artikel 13.2 derde lid, is opgenomen dat burgemeester en wethouders het betrokken waterschapsbestuur raadplegen, voordat ze beslissen op een vergunningaanvraag voor aanlegactiviteiten. De beoordeling door het waterschap is gericht op het effect van de ingreep op het waterbergend vermogen van het gebied. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, of bij de wijziging of uitwerking daarvan, moet het waterschap in het kader van de watertoets worden betrokken zodat is geborgd dat het waterbergend vermogen van het gebied niet wordt aangetast.

Ten aanzien van de aanduiding reservering waterberging wordt door middel van de bepaling in artikel 14.1, tweede lid, een afweging mogelijk gemaakt. De toelichting bij het bestemmingsplan vormt de verantwoording voor de gemaakte afweging. Bepaalde activiteiten zijn in dergelijke gebieden niet toegestaan, omdat deze ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van een reservering. Het gaat om activiteiten met over het algemeen een groot ruimtebeslag die, indien eenmaal gevestigd, moeilijk verplaatsbaar zijn, schadegevoelig zijn en een effect hebben op de (potentiële) ruimte voor waterberging.

Er is echter geen sprake van een absoluut verbod; in de volgende situaties zijn er toch mogelijkheden:

  • indien uit de voor het bestemmingsplan uitgevoerde watertoets is gebleken dat de geschiktheid van het gebied voor waterberging niet verloren gaat, of
  • dat bij de inrichting voldoende rekening is gehouden met hogere inundatiekansen.

5.13 Artikel 15 tot en met 17 - Diverse regels tav grondwater

In deze artikelen worden de gebieden aangewezen en beschermd die in het Provinciaal Waterplan 2010-2015 zijn benoemd als 'beschermingszone voor grondwaterwinningen voor de openbare drinkwatervoorziening'. De regeling in deze verordening is aanvullend op de regeling in de Provinciale Milieuverordening (PMV) en richt zich specifiek op de regulering van de ruimtelijke ontwikkelingen. Via de PMV wordt met name het milieuspoor (kwalitatieve aspecten van grondwaterbescherming) gereguleerd.

Hiertoe behoren de volgende categorieën :

  • waterwingebied (artikel 15),
  • grondwaterbeschermingsgebied (artikel16), en
  • boringsvrije zone (artikel 17).

In het waterwingebied geldt de meest strikte vorm van bescherming. Dit gebied is voorbehouden aan functies die ten dienste staan van de openbare watervoorziening, zoals (drink)waterproductiebedrijven (pompstations). Ook een natuur- of bosbestemming is mogelijk.

In de boringsvrije zone geldt de minst strikte vorm van bescherming, namelijk behoud van de beschermende kleilaag in de bodem. Hieraan kan bijvoorbeeld invulling gegeven worden door middel van een aanlegvergunningenstelsel voor activiteiten in de bodem die de beschermende kleilaag kunnen doorboren. Over het algemeen is het echter niet noodzakelijk om inhoudelijke bescherming via het ruimtelijk spoor op te nemen aangezien in de PMV al is voorzien in een systeem van melding van dergelijke activiteiten. Van opname in het bestemmingsplan van de boringsvrije zone gaat dan vooral een signalerende functie uit.

De oude Verordening bevatte bepalingen over de 25- en 100-jaarszone. Dit is in deze Verordening vervangen door het (overkoepelende) begrip ' grondwaterbeschermingsgebieden'. Deze gebieden liggen als een 'schil' om het waterwingebied heen. Sommige van de grondwaterbeschermingsgebieden zijn zeer kwetsbaar. In deze gebieden ontbreekt een slecht doorlaatbare kleilaag boven de laag waaruit grondwater wordt onttrokken. Het betreft de gebieden bij Waalwijk, Nuland, Helvoirt, Macharen, Vessem en Budel.

Voor de grondwaterbeschermingsgebieden geldt een verantwoordingsplicht: uit de verantwoording bij het bestemmingsplan moet blijken dat er een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden en dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen. In de hiervoor genoemde zeer kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden betekent dit dat er extra onderbouwing in de verantwoording noodzakelijk is. Door de verantwoordingsplicht gaat het beschermingsniveau van de grondwaterbeschermingsgebieden niet achteruit: het is aan de gemeente om aan te tonen dat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater door de ruimtelijke ontwikkeling gelijk blijven. Bovendien liggen de grondwaterbeschermingsgebieden veelal in gebieden waar op grond van regels elders in deze verordening toch al beperkingen gelden, bijvoorbeeld ten aanzien van stedelijke ontwikkeling. De regels voor grondwaterbescherming zijn hier aanvullend op.

Bij bestemmingsplannen waar wateraspecten een rol spelen dient de waterbeheerder (waterschap of Rijkswaterstaat) om advies gevraagd te worden. Dit is de 'watertoets' die wettelijk is verankerd in het Bro. Het is aanbevolen om bij bestemmingsplannen als bedoeld in de artikelen 15, 16 en 17, naast de waterbeheerder ook de provincie als belanghebbende voor de grondwaterkwaliteit en het waterwinbedrijf te verzoeken om in het kader van de watertoets een advies uit te brengen. De verantwoording als bedoeld in artikel 16 zal mede gebaseerd (moeten) worden op deze vroegtijdige betrokkenheid in het kader van de watertoets.

5.14 Artikel 18 Aanduiding behoud en herstel van watersystemen

In deze Verordening is de aanduiding 'Behoud en herstel watersystemen' opgenomen. De gebiedsaanduiding is gebaseerd op het Provinciaal Waterplan 2010-2015. De in het Provinciaal Waterplan 2010-2015 opgenomen gebieden voor ruimte voor behoud en herstel van watersystemen zijn samengesteld uit verschillende typen gebieden:

  • de waterlopen met de functie waternatuur,
  • de (natte) ecologische verbindingszones en
  • de gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'.

In al deze gebieden is het beleid gericht op verbetering en herstel van het natuurlijke watersysteem van bovenregionaal belang en de ruimte die daarvoor nodig is. Er is geen onderscheid gemaakt naar gebieden waar al maatregelen zijn uitgevoerd. Het blijft immers van belang om deze gebieden te beschermen en de ruimte beschikbaar te houden.

Maatregelen worden uitgevoerd op het gebied van de morfologie, zoals het laten hermeanderen van beken, het aanleggen van plas-draszones en het herstel van kwel. Er is ruimte naast de waterloop nodig om de maatregelen die de waterschappen en gemeenten daar nemen goed uit te kunnen voeren. Veel van deze maatregelen zijn een verplichting die voortvloeit uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Het is van belang om de uitvoering van dergelijke maatregelen, ook in de toekomst, niet onmogelijk te maken en daarvoor ruimte te reserveren.

In de aangegeven gebieden gelden ruimtelijke beperkingen aan activiteiten die het realiseren van watersysteemherstel belemmeren of onnodig kostbaar maken. De exacte invulling is aan de gemeente, waarbij het voorkomen van cumulatieve effecten een aandachtspunt is. In het overleg tussen gemeente en waterschap in het kader van de watertoets kan dit aan de orde komen. In het derde lid is opgenomen dat het waterschap betrokken wordt bij de beoordeling van de aanvraag voor de aanlegvergunning (vergelijkbaar met de bepaling voor regionale waterberging in artikel 13.1, derde lid).

Omdat er sprake is van verschillende typen gebieden kan de weergave op de kaart verschillen. In zijn algemeenheid is er sprake van een bufferzone van 25 meter rondom een waterloop. Gebieden die van oorsprong afkomstig zijn uit de reconstructieplannen zijn echter vaak breder of als vlak ingevuld. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het bestemmingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop. In de gevallen waarbij er op de kaart bij deze verordening sprake is van een bredere buffer dan 25 meter of een vlakvorm (dus bij die gebieden die hun herkomst vinden in de reconstructieplannen) is het gewenst om het volledige gebied te begrenzen als ruimte voor behoud en herstel van watersystemen.

De benodigde ruimte voor behoud en herstel van watersystemen is ook afhankelijk van de vraag of er sprake is van een boven-, midden- of benedenloop, of dat er sprake is van een ecologische verbindingszone. Met name benedenstrooms is er vaak veel meer ruimte nodig (tot enkele honderden meters) om inrichtingsmaatregelen te kunnen uitvoeren dan dat in deze verordening is aangewezen als zoekgebied voor Behoud en herstel watersystemen. Een groot deel van deze ruimte maakt

onderdeel uit van de groenblauwe mantel of de ecologische hoofdstructuur, zodat er al enige vorm van ruimtelijke bescherming van toepassing is.

In het tweede lid van artikel 18.1 is bepaald dat het bestemmingsplan regels stelt om te voorkomen dat een gebied minder geschikt wordt voor verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. In het overleg tussen gemeente en waterschap in het kader van de wettelijk verplichte watertoets -en ook in het kader van de in deze Verordening voorgeschreven 'omgevingstoets' (artikel 3.1)- kan de nadere begrenzing van het zoekgebied voor Behoud en herstel watersystemen aan de orde komen. Ook wordt via de watertoets inzichtelijk wat de exacte reikwijdte van de bescherming is. In sommige gevallen zijn inrichtingsmaatregelen bijvoorbeeld al voorzien aan één zijde van de waterloop en is bescherming aan de andere zijde niet meer over de volle breedte noodzakelijk.

De aanduiding behoud en herstel van watersystemen overlapt voor een deel met de gebieden die in deze Verordening zijn aangewezen als aanduiding (zoek-)gebied ecologische verbindingszone. Het geldende beschermingsregime komt inhoudelijk overeen met het beschermingsregime voor de aanduiding (zoek-)gebied ecologische verbindingszone. Voor de aanduiding behoud en herstel van watersystemen is aanvullend hierop voorzien in regels voor het ophogen van gronden en het raadplegen van het waterschap over de aanlegvergunning. Ook overlapt de aanduiding behoud en herstel van watersystemen voor een deel de in deze verordening aangewezen groenblauwe mantel. Het beschermingsregime voor de aanduiding behoud en herstel van watersystemen is echter specifieker en toegespitst op het doel, namelijk behoud, verbetering en herstel van het natuurlijke watersysteem van bovenregionaal belang waarvoor ruimte nodig is.

5.15 Artikel 19 Aanduiding aansluiting primaire waterkering

De aansluiting primaire waterkering betreft die gebieden (als onderdeel van de primaire waterkering) waar de primaire waterkering overgaat in de hoge gronden. Het gaat om enkele gebieden bij Bergen op Zoom, Oosterhout, Waalwijk en ten zuiden van Boxmeer. De gebieden zijn begrensd op de kaart en kunnen een zone van 50 tot 300 meter omvatten. In deze gebieden moet het bestemmingsplan regels bevatten (in de vorm van een aanlegvergunningenstelsel) ten aanzien van activiteiten in de bodem die kunnen leiden tot het ondermijnen van de waterkerende functie, zoals afgravingen. Uit het overleg met het waterschap in het kader van de watertoets blijkt de omvang van de zone en de noodzakelijke bescherming.

De oude Verordening bevatte ook bepalingen voor primaire waterkeringen. In deze nieuwe Verordening is dit onderwerp komen te vervallen. De reden hiervoor is dat dit inmiddels uitputtend is geregeld in het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro).

5.16 Artikel 20 Aanduiding rivierbed

In deze verordening is de aanduiding rivierbed zoals dit is opgenomen in Titel 2.4 Grote rivieren van het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro ) overgenomen. Naast het rivierbed zoals dat is opgenomen in het Barro zijn de beschermregels inzake het rivierbed van overeenkomstige toepassing op de in deze verordening aangewezen gebieden (Krammer-Volkerak-Zoommeer, Noordwaard en Overdiepse Polder –het 'toekomstig winterbed' uit het Provinciaal Waterplan 2010-2015- en de Dongemonding).

Het rivierbed is het gebied vanaf de buitenkruinlijn van een primaire waterkering in de richting van de rivier. Het gaat dus om gebieden (veelal uiterwaarden) langs de grote rivieren. Gebieden langs de regionale wateren (zoals de Mark en Dintel) behoren niet tot het rivierbed in de zin van deze verordening. Deze gebieden zijn vaak aangewezen als regionale waterberging of als reservering waterberging zodat ook daar een beschermingsregime van toepassing is.

De oude Verordening bevatte ook bepalingen voor lange-termijnreservering rivierbed en voor gebiedsreservering voor de lange termijn voor de Rijntakken. In deze nieuwe Verordening is dit komen te vervallen. De reden hiervoor is dat dit inmiddels volledig is geregeld in het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro).

Ten aanzien van het realiseren van een adequate hoogwaterbescherming en eisen aan buitendijkse bebouwing hebben we als provincie een eigen en aanvullend belang ten opzichte van de regeling in het Barro. Voor veel ontwikkelingen in het rivierbed is een vergunning op grond van de Waterwet van de rivierbeheerder (Rijkswaterstaat) vereist. Aan deze vergunning kunnen compensatieverplichtingen worden verbonden. Het Barro geeft aan dat (artikel 2.4.3) alleen bestemmingen zijn toegestaan die geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier vormen en leiden tot een zo gering mogelijke waterstandverhoging of afname van het bergend vermogen. Uit oogpunt van rivierbelang (rekening houdend met het stroomvoerend en bergend vermogen) is in sommige situaties bebouwing niet bezwaarlijk. De provincie vindt het echter in aanvulling op het Barro van belang om rekening te houden met de bijzondere situatie dat er in het rivierbed van overheidswege geen bescherming tegen overstroming wordt geboden. In het Provinciaal Waterplan 2010-2015 is daarom opgenomen dat in het winterbed (rivierbed) nieuwe kapitaalintensieve bedrijvigheid en permanente verblijfsfuncties niet zijn toegestaan. Ontwikkelingen in het kader van stimulering van natuur en recreatie (geen verblijfsrecreatie) zijn wel toegestaan. Overigens is een groot gedeelte van het rivierbed tevens aangewezen als Ecologische Hoofdstructuur, zodat ook op grond daarvan al beperkingen gelden ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen.

In deze Verordening is aan dit beleid uit het Provinciaal Waterplan 2010-2015 invulling gegeven doordat (artikel 20.1, lid 1) een bestemmingsplan (mede) moet strekken tot bescherming tegen overstroming. Uitgangspunt is dat er sprake is van een op grond van deze verordening toegelaten ruimtelijke ontwikkeling. Hiermee wordt bereikt dat bestaande activiteiten en functies die thans zijn toegestaan, zoals bestaande industrie- en haventerreinen, mogelijk blijven. Er is ruimte voor watergerelateerde bedrijvigheid nodig en het is niet de bedoeling om met deze verordening bestaande ontwikkelmogelijkheden teniet te doen. Bovendien dient de toelichting bij een bestemmingsplan een verantwoording te bevatten waaruit blijkt dat is voldaan aan een aantal voorwaarden. Door te voldoen aan deze voorwaarden wordt rekening gehouden met de ligging in het rivierbed en worden risico's voor veiligheid en kans op schade tegengegaan.

Onder hoogwatervrij wordt verstaan het bouwen op dijkhoogte, rekening houdend met klimaatveranderingen.

De mogelijkheid tot aanpassing van de begrenzing bestaat alleen voor de gebieden die in deze Verordening aanvullend op het Barro zijn aangewezen.

5.17 Artikel 21 Aanduiding aardkundig waardevol

De aardkundige waarden binnen de provincie verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid ervan. De provincie wil de onvervangbare waarden beschermen in de Verordening ruimte. Het gaat om de 40 waardevolle aardkundige gebieden die zijn opgenomen op de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 30 november 2004. Ten opzichte van de kaart uit 2004 zijn er twee aardkundig waardevolle gebieden (Rivierlandschap Alm en Steilrand Mill) en een aantal wijstgronden in het bestaand gebied Peelrandbreuk/ Maashorst toegevoegd, bij besluit van Gedeputeerde Staten van 15 juni 2010.

5.18 Artikel 22 Aanduiding cultuurhistorische vlak

De cultuurhistorische vlakken binnen de provincie verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid ervan. De provincie wil de onvervangbare waarden beschermen in de Verordening. Het gaat om de cultuurhistorische vlakken in de cultuurhistorische landschappen zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW, versie 3.0).

Plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Dit betekent dat het bestemmingsplan moet voorzien in een beschermende regeling zoals een vergunningstelsel en waar nodig verbodsbepalingen. Alle verschillende waarden en kenmerken in de cultuurhistorische vlakken, kunnen worden ondergebracht in een zevental hoofdcategorieën. Een overzicht hiervan is opgenomen in de CHW versie 3. Onderstaand schema geeft per categorie voorbeelden van handelingen die de beschreven waarden en kenmerken kunnen aantasten. Om in een bestemmingsplan per (deel-) gebied de juiste bescherming op te nemen, zal het nodig zijn deze opzet verder toe te spitsen (variëren, verfijnen en/of aanvullen) aan de hand van de concrete beschrijving in de CHW.

Waarden, kenmerken




Werken en werkzaamheden  
Historische bebouwing   Historisch water   Historisch groen   Historisch reliëf   Historische infrastructuur   Historische openheid   Historisch verkavelings- patroon*  
Sloop, gedeeltelijke sloop, ingrijpende aanpassingen.   +              
Graven, verbreden, verdiepen, dempen, tracé verlegging (verlegging is combinatie voorgaande) van waterpartijen of –lopen     +     +       +  
Verwijderen of kappen van (opgaande) begroeiing       +         +  
Ophogen, afgraven, egaliseren         +       +  
Aanleggen, verharden, verbreden, verwijderen, wijzigen van paden- en wegentracés (wijzigen is combinatie voorgaande)           +     +  
Aanplant van opgaande begroeiing of toevoegen nieuwe bebouwing             +   +  

+ Handelingen die de waarden kunnen aantasten.

* Aantasting kan ontstaan door het aanbrengen of verwijderen van begroeiing, waterlopen, greppels, paden of reliëf die als begrenzing dienen van percelen.

5.19 Artikel 23 Aanduiding Nieuwe Hollandse Waterlinie

In Titel 2.13 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, wijziging Stb. 2012, 388) heeft het Rijk een grondslag gegeven om de aangewezen of aan te wijzen erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde te beschermen. In de provincie Noord-Brabant gaat het om de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

In artikel 2.13.2 Barro zijn de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde aangewezen, waaronder de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De begrenzingen van de gebieden zijn indicatief weergegeven in GML bestanden en op de bij het besluit gevoegde kaart 7.

Op grond van artikel 2.13.4 Barro dienen bij provinciale verordening regels gesteld te worden ten behoeve van de bescherming van de kernkwaliteiten van de erfgoederen. De regels beschermen in ieder geval de erfgoederen bij wijziging van een bestemmingsplan. Artikel 23 bevat enkele globale regels die gemeenten bij hun ruimtelijke planvorming in acht dienen te nemen.

In artikel 2.13.3 Barro zijn voor elk erfgoed de kernkwaliteiten globaal beschreven. Provinciale staten werken deze kernkwaliteiten verder uit op regionale en lokale schaal. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kan daarbij helpen. Een eerste onderbouwing van de kernkwaliteiten per erfgoed wordt in bijlage 8 van het Barro geformuleerd. Artikel 23 lid 2 beschrijft mede op grond van de rijksregeling de kernkwaliteiten op hoofdlijnen voor de situatie in Noord-Brabant.

In lid 3 krijgen Gedeputeerde Staten de opdracht om deze kernkwaliteiten uit te werken. Een eerste globale uitwerking is opgenomen in de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010. Zie daartoe de volgende beschrijvingen:

  • Landschap: Nieuwe Hollandse Waterlinie;
  • Inundatiegebied en de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Bij de komende actualisatie van de CHW in 2014 worden de kernkwaliteiten verder uitgewerkt.

5.20 Artikel 24 Aanduiding complexen van cultuurhistorisch belang

Deze regeling richt zich op bestaande cultuurhistorisch waardevolle complexen in het buitengebied, voor zover niet gelegen in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling. Er liggen ook cultuurhistorisch waardevolle complexen binnen stedelijk gebied. De Verordening bevat hiervoor geen regels omdat dit onder de verantwoordelijkheid valt van de gemeenten om hierover een afweging te maken.

Het gaat bij cultuurhistorisch waardevolle complexen om ensembles bestaande uit één gebouw of een verzameling van gebouwen in samenhang met de directe omgeving, afzonderlijk indicatief aangewezen op een kaart (zie de begripsomschrijving in artikel 1.22). Het betreft oude kloostercomplexen, militaire complexen, industriële complexen en landgoederen. Deze complexen zijn ook opgenomen en beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart.

Uitgangspunt van de functietoedeling is de bestaande regeling van een bestemmingsplan. Een andere stedelijke functie, waaronder wonen, is in die complexen mogelijk na een specifieke afweging door de gemeente. Het provinciaal belang is gelegen in het behoud en de versterking van de karakteristieke kwaliteiten. In de vereiste verantwoording dient daarom te worden gekeken naar de bijdrage van het plan aan het behouden en versterken van karakteristieke cultuurhistorische gebouwen, als ook naar andere zaken van cultuurhistorisch belang in de directe omgeving. Concreet bestaat dit motivatie document uit :

  • Een onderbouwing waarom gebruikt wordt gemaakt van deze regeling (aantonen van de noodzaak);
  • Een beschrijving en cartografische weergave van de actuele, aangetaste en verdwenen cultuurhistorische waarden van het complex;
  • Een lijst en kaart met de (verdwenen) cultuurhistorische waarden die worden hersteld of worden versterkt
  • Hoe de geplande ontwikkeling een (landschap)-architectonische meerwaarde betekent voor het complex.
  • Hoe de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan de behoud van de historisch (landschap) architectonische kenmerkende stijl van het complex.
  • Inzicht in de huidige en de toekomstige exploitatie van het landgoed
  • Hoe de cultuurhistorische waarden van het complex worden beschermd, behouden en versterkt in het bestemmingsplan

Voor alle duidelijkheid: ook andere dan cultuurhistorische waarden van de locatie en directe omgeving bepalen de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Een ligging in de ecologische hoofdstructuur (ehs) bijvoorbeeld, kan tot gevolg hebben dat alleen kleinschalige, relatief extensieve nieuwe activiteiten aanvaardbaar zijn. In het algemeen wordt daarom vereist dat de gemeente de voorgenomen functiewijziging afweegt in relatie tot haar algemene ruimtelijke visie en haar te voeren ruimtelijk beleid.

Ten slotte is van belang op te merken dat voor zover een complex van cultuurhistorisch belang aangemerkt kan worden als landgoed, de regels voor landgoederen als bedoeld in artikel 6.9 en 7.9 niet van toepassing zijn.

5.21 Artikel 25 Aanduiding beperkingen veehouderij

Zoals eerder aangegeven bij de algemene toelichting bij artikel 7 is de term 'extensiveringsgebied' in deze Verordening niet langer aan de orde. Wel wijst de Verordening gebieden aan met de aanduiding 'Beperking veehouderij'. Voor de begrenzing van deze gebieden is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. In dergelijke gebieden gelden (vergaande) beperkingen voor veehouderij.

De regels binnen het gebied Beperkingen veehouderij gelden in tegenstelling tot de extensiveringsgebieden voor alle veehouderijen. Ook binnen de melkrundveehouderij, die van oudsher als extensief werd aangemerkt, is een tendens waar te nemen naar toenemende intensivering. Doel van de aanduiding is om een verdere intensivering vanwege ontwikkelingen in de veehouderij in de aangeduide gebieden tegen te gaan. Binnen het gebied wordt een uitzondering gemaakt voor grondgebonden veehouderijen; de voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn voor alle veehouderijen gelijk. Sluitstuk van de regels is dat er rechtstreeks werkende regels zijn opgenomen in artikel 34.

In lid 1 is opgenomen dat binnen de aanduiding Beperkingen veehouderij geen mogelijkheden zijn voor de vestiging, uitbreiding, omschakeling ten behoeve van een veehouderij en dat er geen toename mag plaatsvinden van de bestaande bebouwing (het zogenaamde 'slot op de muur'). In het derde lid is in afwijking van de bepalingen in artikel 2, derde lid, specifiek bepaald wat onder bestaande bebouwing in dit artikel verstaan wordt. Hierbij is expliciet aangegeven dat dit is gebaseerd op de oppervlakte van de bestaande bebouwing.

In het tweede lid is een uitzondering opgenomen op de bepalingen uit het eerste lid voor grondgebonden veehouderijen waarop artikel 6.3 of artikel 7.3 van toepassing is.

In de begripsbepalingen is een grondgebonden veehouderij als volgt gedefinieerd (artikel 1.34): een veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op de gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie.

Voor de invulling van wanneer er sprake is van een 'overgroot deel' uit de definitie, stellen Gedeputeerde Staten nadere regels vast (artikel 25.3). Als een bedrijf aan de voorwaarden uit deze nadere regel voldoet, geldt het 'slot op de muur' uit het eerste lid niet en zijn de bepalingen uit artikelen 6.3 en 7.3 (en daarmee ook de afwijkende regels in artikelen 6.4 en 7.4) gewoon van toepassing.

Het is niet uitgesloten dat er in vigerende bestemmingsplannen nog enkele bouwpercelen van veehouderijen binnen de ecologische hoofdstructuur liggen. Ook voor deze veehouderijen gelden de regels beperkingen veehouderij. De mogelijke ontwikkeling van grondgebonden veehouderijen is in dit artikel specifiek alleen opgenomen indien artikel 6.3 of 7.3 van toepassing zijn. In die artikelen is de toepassing van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore opgenomen. In het geval er een bestaande grondgebonden veehouderij als ehs is begrensd, kan worden afgewogen of begrenzing van het bouwperceel als groenblauwe mantel in de rede ligt. Bijvoorbeeld omdat de grondgebonden veehouderij wordt ingezet ten behoeve van begrazing van (delen van) de ecologische hoofdstructuur.

Op grond van het vierde lid zijn binnen het gebied de mogelijkheden voor mestbewerking uitgesloten. Eventuele nieuwvestiging is alleen mogelijk indien er sprake is van een veehouderij die beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE en overigens aan de voorwaarden uit artikel 3.3 is voldaan.

In artikel 25.2 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor Gedeputeerde Staten om de grenzen van de aanduiding op verzoek aan te passen mits aan de gestelde voorwaarden is voldaan.

In artikel 25.3 is opgenomen dat Gedeputeerde Staten nadere regels stellen waarin de criteria worden opgenomen om te bepalen wanneer er sprake is van een grondgebonden veehouderij. Deze nadere regels zijn gekoppeld en maken deel uit van de nadere regels van de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij (BZV), die op grond van artikelen 6.3 en 7.3, derde lid, worden vastgesteld.

5.22 Artikel 26 Aanduiding vestigingsgebied glastuinbouw

In de meeste vestigingsgebieden bevindt zich al een aantal glastuinbouwbedrijven. In verband met een optimale ruimtelijke inrichting van het gebied is het van belang dat in deze gebieden ruimte behouden blijft voor de vestiging van glastuinbouwbedrijven. De bepalingen in dit artikel zijn daarom imperatief gesteld. Gelet op het constante provinciale beleid inzake de concentratie van glastuinbouw ziet de provincie dit nadrukkelijk als een provinciaal belang. gemeenten hebben daarbij wel de vrijheid de maximaal toegestane omvang van de bedrijven te bepalen.

Binnen een glastuinbouwvestigingsgebied kan de gemeente ook niet agrarische functies toelaten, mits deze de ontwikkeling van het vestigingsgebied niet frustreren. In de toelichting bij het bestemmingsplan dat genoemde ontwikkelingen mogelijk maakt, moeten de gemaakte keuzes worden verantwoord.

5.23 Artikel 27 Aanduiding doorgroeigebied glastuinbouw

In een mogelijk doorgroeigebied is een zekere concentratie van glastuinbouwbedrijven aanwezig. Dergelijke gebieden zijn om uiteenlopende redenen niet geschikt om uit te groeien naar een vestigingsgebied. In het eerste lid, onder a, is daarom opgenomen dat nieuwvestiging van en omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet zijn toegestaan. In het eerste lid, onder b, is opgenomen dat in een bestemmingsplan de maximale maat van bestaande glastuinbouwbedrijven wordt vastgesteld.

Binnen een doorgroeigebied glastuinbouw kan de gemeente ook niet agrarische functies toelaten, mits deze de ontwikkeling van het vestigingsgebied niet frustreren. In de toelichting bij het bestemmingsplan dat genoemde ontwikkelingen mogelijk maakt, moeten de gemaakte keuzes worden verantwoord.

In het derde lid zijn voorwaarden opgenomen voor omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf in een doorgroeigebied.

In het vierde lid wordt uitbreiding van een binnen het doorgroeigebied glastuinbouw gevestigd glastuinbouwbedrijf mogelijk gemaakt met gebruik van nieuwvestiging. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat er een bouwperceel op afstand voor een desbetreffend bedrijf wordt opgenomen in het bestemmingsplan indien uitbreiding van het bestaande bouwperceel fysiek niet mogelijk is.

In het vijfde lid is aangegeven dat de bescherming van waarden overeenkomstig artikel 6.1 niet van toepassing is voor zover glastuinbouw is toegelaten. Dat betekent niet dat er in het geheel geen rekening gehouden hoeft te worden met de waarden in de omgeving. Dit is op grond van artikel 3.1 altijd nodig. Daarbij gaat het erom dat voortzetting of uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven is afgestemd op natuur en landschap in het gebied. Daarbij wegen ook cultuurhistorische, water- en bodemhuishoudkundige, milieuhygiënische en recreatieve belangen mee.

5.24 Artikel 28 Aanduiding teeltondersteunende kassen

In een gebied met de aanduiding Teeltondersteunende kassen gelden verruimde mogelijkheden voor de bouw van kassen. Teeltondersteunende kassen worden gebruikt om de bedrijfsvoering te optimaliseren. In teeltondersteunende kassen vindt de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats, waardoor gezorgd wordt voor een verbetering van de productkwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of -verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik. In de teeltondersteunende kassen is in veel gevallen sprake van niet-grondgebonden (teelt)-processen.

Een teeltondersteunende kas is een teeltondersteunende voorziening, bestaande uit een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden. Schuurkassen en permanente tunnel- of boogkassen (>1,5 meter) worden beschouwd als een kas.

In de tuinbouw is een tendens gaande dat er op bedrijven met vollegrondsteelten (o.a. aardbei, sierteelt, boomteelt) steeds grotere oppervlakten teeltondersteunende kassen nodig zijn. Een oorzaak is dat de markt steeds strengere eisen stelt op het gebied van productkwaliteit en leveringszekerheid. Het gaat hier om bedrijven, die ook voor een substantieel deel van de totale bedrijfsvoering onbeschermde grondgebonden teelten toepassen. Voor deze bedrijven is het geen optie om naar een vestigingsgebied voor de glastuinbouw te gaan, omdat de grondprijs daar te hoog is. Vanwege de toename van eisen van marktpartijen en de sterke exportgerichtheid van de tuinbouwsector, wil de provincie voor een aantal gebieden de tuinbouwsector tegemoet komen.

In het eerst lid is bepaald dat in een gebied voor teeltondersteunende kassen onder voorwaarden de bouw van teeltondersteunende kassen tot 1,5 ha mogelijk is. Omdat het om permanente voorzieningen gaat die vaak niet grondgebonden zijn, zijn teeltondersteunende kassen alleen toegestaan op het bouwperceel. Overigens dient de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en de kwaliteitsverbetering van het landschap in acht te worden genomen.

Bij de bepaling van de gebieden waar verruimde mogelijkheden zijn voor teeltondersteunende voorzieningen is onder meer gekeken naar de hydrologische geschiktheid. Dit houdt in dat er geen kassen ontwikkeld kunnen worden in de waterwingebieden en de bijbehorende beschermingszones en in kwel- en overstromingsgebieden. Tevens is het uitgangspunt dat de aanduiding niet ligt over gebieden met aardkundige- en cultuurhistorische waarden of de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In een (beperkt) aantal gebieden is er wel een overlap aanwezig; bij de ontwikkeling van kassen dient nadrukkelijk rekening gehouden te worden met de aanwezige waarden en de daarop betrekking hebbende regels.

5.25 Artikel 29 Aanduiding teeltgebied Zundert

Zoals is aangegeven in de Structuurvisie ruimtelijke ordening neemt de boomteeltsector in toenemende mate een belangrijke economische positie in binnen de provincie. Mede gelet op het belang van deze sector ondersteunen wij de ontwikkeling van het teeltgebied Zundert. Juist daarom is dit gebied in de Structuurvisie ruimtelijke ordening aangeduid als accentgebied agrarische ontwikkeling. De Verordening biedt ontwikkelingsruimte door het aanwijzen als Teeltgebied Zundert. Voor dit gebied wordt voorzien in verruimde ontwikkelingsmogelijkheden voor kassen en permanente teeltondersteunende voorzieningen. Daarmee liggen de specifieke ontwikkelingsmogelijkheden voor de boomteeltsector in dit gebied op provinciaal niveau vast.

5.26 Artikel 30 Aanduiding maatwerk glastuinbouw

In de nota Glastuinbouw (2006) was de mogelijkheid geboden voor ondernemers om via de gemeente een aanvraag in te dienen voor de uitbreiding van solitaire glastuinbouwbedrijven in agrarisch gebied om de glasopstanden tot boven de 3 hectare uit te breiden. Voorwaarde was dat daarbij tevens een tegenprestatie wordt geleverd, zoals landschappelijke inpassing, extra maatregelen met betrekking tot duurzaamheid en/of een storting in een saneringsfonds.

Voor de beoordeling van concrete initiatieven werd destijds de Commissie Maatwerk Glastuinbouw Solitaire bedrijven ingesteld.

Met de vaststelling van de Verordening ruimte op 23 april 2010 is de mogelijkheid voor uitbreiding van een solitair gevestigd glastuinbouwbedrijf tot boven de 3 hectare glas, vervallen. Om recht te doen aan de lopende zaken waarover de genoemde Commissie positief advies had uitgebracht, is een regeling getroffen.

De Commissie had in 2010 over 5 concrete door gemeenten ingediende aanvragen een voorwaardelijk positief standpunt ingenomen. Als voorwaarde werd een voorstel gedaan door de commissie aan de aanvragers voor een tegenprestatie. Om een positief advies te krijgen, moest aanvrager dit voorstel voor een tegenprestatie verder uitwerken in overleg met de betreffende gemeente. Vier glastuinbouwbedrijven en gemeenten hebben dit opgepakt en een uitwerking aan de commissie gestuurd. Gebaseerd op deze uitwerkingen heeft de commissie eind 2011 een positief eindadvies uitgebracht.

Op basis van de eindadviezen is voor de betreffende vier bedrijven een specifieke aanduiding in deze verordening opgenomen. Het gaat hierbij om locaties voor glastuinbouw in de gemeenten Halderberge, Oss, Reusel-De Mierden en Sint Anthonis. De regeling verwijst naar het eindadvies van de Commissie Maatwerk. Het bouwperceel in het bestemmingsplan voor het betreffende bedrijf waarbij de gewenste uitbreiding wordt mogelijk maakt, kan maximaal de omvang hebben zoals aangegeven in het advies van de Commissie. Voorts dient het bestemmingsplan inzicht te geven in hoe de tegenprestatie is veilig gesteld en geborgd.

Nadat de commissie de eindadviezen heeft uitgebracht, is zij opgeheven. Er kunnen derhalve geen nieuwe maatwerkgevallen in deze verordening worden opgenomen.

5.27 Artikel 31 Aanduiding sanerings- en verplaatsingslocatie

In het afgelopen jaar is een onderzoek uitgevoerd naar de planologische zekerstelling na subsidieverlening. Het gaat daarbij om gevallen waar subsidie is verleend voor de sanering van een bedrijf en waarbij de insteek is dat de bestemming op het perceel wordt aangepast. Regelingen waarbij dit speelt zijn:

  • a. Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV)
  • b. Subsidieregeling Beëindiging Intensieve Veehouderijen (BIV)
  • c. Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (GTB)
  • d. Verplaatsingsregeling Intensieve Veehouderij (VIV)

Bij het verlenen van subsidie is in deze regelingen de voorwaarde opgenomen dat op de locatie een passende bestemming wordt gelegd die voorkomt dat de gesaneerde functie terugkomt. Kern van het probleem is dat er bij deze regelingen een overeenkomst wordt afgesloten tussen de provincie en de subsidieontvanger maar dat de gemeente daarin geen partij is. Dit terwijl juist de gemeente een belangrijke rol speelt in verband met het opstellen van een aanpassing van bestemmingsplan. Daarom is een specifieke aanduiding opgenomen met daaraan gekoppeld rechtstreeks werkende regels.

De locaties waar deze regelingen zijn toegepast, zijn met behulp van de basisadministratie adressen en gebouwen (BAG) op kaart gezet. In die gevallen waarbij het adres inmiddels niet meer bestaat, is de locatie zo nauwkeurig mogelijk bepaald. De locaties is als stip, met een doorsnede van 50 meter op de kaart gezet. Daarnaast is er voor deze sanerings- en verplaatsingslocaties een aparte viewer met de Sanerings- en verplaatsingslocaties gebouwd, waarin aanvullende detailinformatie is opgenomen.

5.28 Artikel 32 Aanduiding zoekgebied voor windturbines

In de toelichting op artikel 4.10 (regels voor windturbines) is al algemene informatie gegeven over het provinciale beleid inzake windturbines. Wat betreft windturbines in het buitengebied vindt de provincie het belangrijk dat de ontwikkeling daarvan aansluit bij het karakter en de kwaliteit van het landschap in Noord-Brabant. Daaruit volgt dat het bouwen van windturbines in de kleinschalige cultuurlandschappen van Brabant niet gewenst is en wordt uitgesloten. In de grootschalige landschappen zijn windturbines wel passend. Om het grootschalige karakter van deze landschappen te benadrukken en om versnippering van initiatieven tegen te gaan, kiest de provincie in deze gebieden voor clustering van windturbines.

In het buitengebied liggen er met name kansen in de grootschalige Brabantse landschappen van het zeekleigebied. Hier vraagt de provincie een geclusterde opstelling van minimaal acht windturbines in lijn- of clusteropstelling. Uitbreiding in het buitengebied van bestaande opstellingen naar opstellingen van minimaal acht turbines, is eveneens mogelijk. Een dergelijk aantal is tot op heden een gebruikelijke en goed inpasbare maatvoering gebleken. De realisering kan geschieden door een of meer exploitanten, en ook gefaseerd.

In het artikel onder c is bepaald dat windturbines die niet meer in gebruik zijn, moeten worden gesloopt. Gemeenten mogen zelf bepalen hoe naleving van deze bepaling wordt gegarandeerd. Dat kan bijvoorbeeld door het opnemen van een van deze voorwaarde in de overeenkomst met de initiatiefnemer, met daaraan gekoppeld een boeteclausule wanneer de sloop uitblijft.

Hoofdstuk 6 Toelichting op rechtstreeks werkende regels

6.1 Artikel 33 Rechtstreekse regels mestbewerking

Om te voorkomen dat er in het landelijk gebied of op bedrijventerreinen initiatieven voor mestbewerking ontstaan zonder dat daarop sturing vanuit de provincie plaats heeft, is er voor gekozen rechtstreeks werkende regels op te nemen. De rechtstreeks werkende regel moet bij een aanvraag voor omgevingsvergunning betrokken worden. Met het opnemen van een rechtstreekse regel wordt de afwegingsruimte van de gemeente vergaand beperkt. Voordeel is echter dat het te voeren beleid met onmiddellijke ingang in werking treedt, nadat de Verordening in werking is getreden.

In het derde lid is echter de mogelijkheid opgenomen voor het college van B&W om, onder voorwaarden, een omgevingsvergunning af te geven, in afwijking van hetgeen in het eerste en tweede lid is bepaald. Hiervoor moet een verklaring van geen bedenkingen bij Gedeputeerde Staten worden verkregen.

6.2 Artikel 34 Rechtstreekse regels veehouderijen

Deze rechtstreeks werkende regel voorkomt dat gedurende de periode dat bestemmingsplannen nog niet zijn aangepast aan de regels van deze verordening, een toename van de bebouwing plaatsvindt voor de uitoefening van een veehouderijen zonder dat toepassing is gegeven aan de voorwaarden gericht op de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij. De rechtstreeks werkende regel moet bij een aanvraag voor omgevingsvergunning betrokken worden. Met het opnemen van een rechtstreekse regel wordt de afwegingsruimte van de gemeente vergaand beperkt. Voordeel is echter dat het te voeren beleid met onmiddellijke ingang in werking treedt, nadat de Verordening in werking is getreden. Gelet op de door alle partijen in Brabant onderschreven noodzaak om de transitie in gang te zetten, is de inzet van de rechtstreekse regels nodig.

In de rechtstreekse regels is gewerkt met zogenaamde voorwaardelijke bepalingen ; dat betekent dat de gemeente omgevingsvergunning kan verlenen indien aan deze bepalingen wordt voldaan. Hierbij is aangesloten bij de voorwaarden en regels zoals die in de instructieregels voor veehouderijen zijn opgenomen in artikelen 6.3 en 7.3. Belangrijk daarbij is dat een gemeente er ook feitelijk op toeziet dat de maatregelen die zijn gericht op de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in stand worden gehouden. De rechtstreeks werkende regels in deze verordening hebben een zelfde status als bestemmingsplanregels en bieden daarom ook de basis voor de gemeente om op naleving van de bepalingen toe te zien. Dit volgt uit artikel 7.1 lid 2 Wro juncto artikel 5.2 lid 1 Wabo. Zie hiervoor ook de uitspraak van de rechtbank Groningen (Awb 10 /1151, 7 januari 2011). De rechtstreekse regels richten zich op het oprichten van bebouwing voor de uitoefening van de veehouderij. Overeenkomstig de bepalingen in artikel 6.4 en 7.4 gelden de rechtstreekse regels dus niet als de bebouwing wordt opgericht voor een nevenfunctie die 'los'staat van de veehouderij, zoals recreatie of akkerbouw.

In het tweede lid zijn rechtstreeks werkende regels opgenomen voor veehouderijen binnen het bestaand stedelijk gebied en de aanduiding Beperkingen veehouderij. In tegenstelling tot het eerste lid geldt dat er in het geheel geen toename van de bestaande bebouwingsoppervlakte is toegestaan, behoudens wanneer er sprake is van een grondgebonden veehouderij overeenkomstig artikel 25.1, tweede lid.

In het derde lid is in afwijking van de bepalingen in artikel 2, derde lid, specifiek bepaald wat onder bestaande bebouwing in dit artikel verstaan wordt. Hierbij is expliciet aangegeven dat dit is gebaseerd op de oppervlakte van de bestaande bebouwing.

In het vierde en vijfde lid zijn rechtstreeks werkende regels opgenomen die toezien op het gebruik van gebouwen.

6.3 Artikel 35 Rechtstreekse regels sanerings- en verplaatsingslocatie

Deze rechtstreeks werkende regel voorkomt dat opnieuw bebouwing wordt opgericht voor het type bedrijf dat eerder met subsidie is gesaneerd of verplaatst omdat er nog geen passende herbestemming in werking is getreden. De rechtstreeks werkende regel moet bij een aanvraag voor omgevingsvergunning betrokken worden. Met het opnemen van een rechtstreekse regel wordt de afwegingsruimte van de gemeente vergaand beperkt. Voordeel is echter dat het beleid met onmiddellijke ingang in werking treedt, nadat de Verordening in werking is getreden. Gebleken is dat er soms jaren verstrijken tussen de sanering en de aanpassing van het bestemmingsplan. Zolang een bestemmingsplan niet is aangepast, kan de functie eenvoudig opnieuw aangevraagd worden. Dat is niet wenselijk. Daarom vinden wij de inzet van rechtstreeks werkende regels gerechtvaardigd. Overigens waren ook in de Vr2012 al rechtstreeks werkende regels opgenomen, specifiek gericht op de RBV locaties. De werking is nu verruimd naar andere subsidieregelingen en er is een aparte aanduiding opgenomen op de kaarten van de Vr2014.

Hoofdstuk 7 Toelichting op procedurele bepalingen

7.1 Artikel 36.1 Nadere regels

De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) maakt in artikel 4.1 uitdrukkelijk het stellen van nadere regels mogelijk ('bij of krachtens de Verordening ruimte'). Aldus kan deze Verordening bepalen voor welke onderwerpen Gedeputeerde Staten van deze bevoegdheid gebruik kunnen of moeten maken. In dit artikel 36.1 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bij het voorbereiden van nadere regels toepassing geven aan de procedure in artikel 4.1 lid 6 Wro. Dit houdt in dat de ontwerpregels worden gepubliceerd in de Staatscourant, langs elektronische weg en in het Provinciaal blad. Iedereen krijgt hierbij de gelegenheid om opmerkingen over het ontwerp ter kennis van Gedeputeerde Staten te brengen.

7.2 Artikel 36.2 en 36.3 Nadere regels - divers

In deze artikelen is een bevoegdheid opgenomen voor gedeputeerde Staten om in het voorkomende geval met het stellen van nadere regels af te wijken van de regels in de verordening. Er zijn twee gevallen onderscheiden:

  • 1. ten behoeve van een gebiedsgerichte benadering op verzoek van een groep gemeenten, bijvoorbeeld een regio of streeknetwerk: vanuit de RRO's is naar voren gekomen dat zij graag een gebiedsgerichte uitwerking willen maken, voor bepaalde onderwerpen die bijdragen aan de doelen zoals de provincie die heeft geformuleerd in de structuurvisie RO. Met dit artikel worden de regio's of groepen van gemeenten uitgenodigd hieraan invulling te geven. Dit biedt onder andere kansen en mogelijkheden om de ruimtelijke en economische opgaven, die in een gebied spelen met elkaar te verbinden.
  • 2. ten behoeve van de aanpak van overbelaste gebieden veehouderij : Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de omstandigheid dat een gemeente een gebiedsprofiel heeft vastgesteld waarin zij maatregelen heeft opgenomen om de overbelasting van met name geurhinder in een gebied terug te brengen. In een dergelijk geval kan het gewenst zijn om de geurnormering die in de Vr is opgenomen, (tijdelijk) buiten werking te stellen. Voor de afweging wanneer er sprake is van een overbelast gebied, hanteert de provincie de normen die daarvoor zijn vastgelegd in regelgeving, zoals in nationale wetgeving, de Verordening stikstof of deze verordening.

Indien gemeenten van de mogelijkheid tot nadere regels gebruik willen maken, is het nodig om vooraf met elkaar duidelijke afspraken te maken binnen welke randvoorwaarden dit kan. De provinciale belangen en doelen zoals opgenomen in de Svro zijn daarin leidend. De regels in de Vr zijn daarbij een middel om die doelen te bereiken. Een afwijking van die regels behoort daarom in beginsel tot de mogelijkheden. Overigens lenen sommige regels zich niet goed voor afwijking bijvoorbeeld omdat die gesteld zijn vanwege rijksregelgeving (EHS) of doordat afwijking van regels al snel in strijd komt met het provinciaal belang, zoals de regels inzake zorgvuldig ruimtegebruik, de door PS expliciet vastgestelde maat van 1,5 hectare voor agrarische bedrijven etc. Dit wordt vooraf betrokken in het overleg en het vastleggen van de spelregels.

In de artikelen is nadrukkelijk sprake van een bevoegdheid en geen plicht.

7.3 Artikel 36.4 Algemene wijzigingsbevoegdheid

Dit artikel bevat regels voor Gedeputeerde Staten voor ambtshalve wijziging van de kaarten.

In deze verordening zijn op diverse plaatsen specifieke wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Dit artikel bevat een algemene wijzigingsbevoegdheid.

Het gaat hierbij om:

  • technische correctie's van de grenzen van de bij of krachtens de Verordening ruimte aangewezen gebieden. Bijvoorbeeld als de kaart een evidente fout bevat.
  • de mogelijkheid om de begrenzing van de bij of krachtens deze verordening aangewezen gebieden aan te passen in verband met strijdigheid met de wet, een algemene maatregel van bestuur of een andere wettelijke maatregel, bijvoorbeeld een besluit tot aanwijzing van een luchtvaartterrein.
  • een wijziging indien het betreffende gebied niet (langer) in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Met deze bevoegdheid kan de Verordening eenvoudig worden aangepast aan de actualiteit, bijvoorbeeld als gevolg van een gewijzigd bestemmingsplan.
  • de bevoegdheid om grenzen van gebieden aan te passen wanneer dat nodig is in verband met een verzoek tot kaartwijziging dat op grond van deze verordening is gedaan. Doordat de ligging van de structuren in hoofdstuk 3 op elkaar aansluiten, betekent wijziging van het ene gebied automatisch dat daarmee ook de grens gewijzigd moet worden van de aansluitende structuur. Bijvoorbeeld in het geval van een herbegrenzing van de EHS kan niet volstaan worden met alleen het verwijderen van de EHS, dit zou namelijk een 'witte vlek' in de kaart opleveren. Er moet aan die plek een nieuwe legendaeenheid worden toegekend. Deze bevoegdheid, die eerst verspreid bij de diverse artikelen in de Vr2012 was opgenomen, voorziet daarin. Wij kunnen deze bevoegdheid alleen toepassen indien er elders in deze verordening ook een specifieke bevoegdheid voor grenswijziging is opgenomen. Een overzicht van alle specifieke bevoegdheden tot wijziging is opgenomen in de toelichting onder artikel 36.5.

7.4 Artikel 36.5 Procedure wijziging van grenzen op verzoek

Dit artikel bevat de algemene procedure tot wijziging van kaartgrenzen op verzoek. Deze procedure is van toepassing op de volgende artikelen met betrekking tot verzoeken tot wijziging van kaartgrenzen:

Art.   Omschrijving  
4.12   Grenzen bestaand stedelijk gebied  
5.3   Grenzen EHS, met toepassing 'nee, tenzij' principe  
5.4   Grenzen EHS, met toepassing saldobenadering  
5.5   Grenzen EHS vanwege kleinschalige ingrepen  
6.18   Groenblauwe mantel  
8.3   Zoekgebied stedelijke ontwikkeling  
9.3   Integratie stad-land  
11.2   Ecologische verbindingszone  
12.2    Attentiegebied ecologische hoofdstructuur  
13.2   Regionale waterberging  
14.2   Reservering waterberging  
18.2   Behoud en herstel watersystemen  
19.2   Aansluiting primaire waterkering  
20.2   Rivierbed  
25.2   Beperkingen veehouderij  

Bevoegdheid voor Gedeputeerde Staten tot grenswijzigingen

Op diverse plaatsen in deze verordening is een bevoegdheid opgenomen voor Gedeputeerde Staten tot aanpassing van in de verordening vastgestelde grenzen. Deze bevoegdheid is zoveel mogelijk gekoppeld aan het ruimtelijk besluit waarvoor de wijziging van de begrenzing (in dat geval ook herbegrenzing genoemd) wordt gevraagd. Dit biedt duidelijkheid naar belanghebbenden en voorkomt het doorlopen van extra procedures.

Om de procedure soepel te laten verlopen zijn indieningsvereisten en procedurele bepalingen opgenomen:

  • 1. aanduiding van de wijziging in het digitale plan;
  • 2. melding van voornemen en mogelijkheid tot reageren door gemeente bij tervisielegging ontwerpbestemmingsplan;
  • 3. aanvragen van herbegrenzing en toezenden reacties aan GS;
  • 4. beslissing GS.

Ad 1.
In een plan waarvoor het voor de vaststelling nodig is dat er een grenswijziging plaatsvindt, dient dit ook in het digitale ontwerpplan zelf tot uiting te komen door het opnemen van een “gebiedsaanduiding: overig – in Verordening ruimte te verwijderen [naam gebiedsaanduiding]” en een “gebiedsaanduiding: overig – in Verordening ruimte toe te voegen [naam gebiedsaanduiding]”. Een illustratie in de toelichting is dus niet voldoende.

Het is voldoende om de legenda-eenheid te noemen waar de herbegrenzing in essentie op is gericht, bijv te verwijderen/toe te kennen ecologische hoofdstructuur, toe te voegen zoekgebied stedelijke ontwikkeling, enz.

Als de gevraagde wijziging een structuurwijziging betekent zullen GS in de herbegrenzing wel de hiermee samenhangende wijzigingen verwerken: waar ehs vervalt zal een andere structuuraanduiding moeten komen om een witte vlek te voorkomen en andersom mag er bij toevoeging van een structuur geen overlap zijn. Toevoeging van stedelijk gebied of ecologische hoofdstructuur betekent dat daar bijv agrarisch gebied of groenblauwe mantel vervalt.

De opgenomen gebiedsaanduidingen in het digitale plan zijn de basis voor het aanpassen van de kaart van de verordening. Op die manier sluiten het plan en een wijziging van de grenzen in de verordening naadloos op elkaar aan. Na de herbegrenzing zijn de gebiedsaanduidingen in het plan overbodig en daarom kunnen ze bij de vaststelling van het gemeentelijke plan vervallen.

Ad 2.
Bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan dient ook duidelijk aangegeven te worden dat in verband met het plan het voornemen bestaat om aan Gedeputeerde Staten te verzoeken om een aanpassing van de grenzen in de Verordening ruimte en dat ook daarop gereageerd kan worden. Dit dient in de publicatie van het ontwerpplan tot uitdrukking te komen.

Ad 3.
Na afloop van de terinzagelegging wordt het verzoek om herbegrenzing per e-formulier ingediend, vergezeld van o.a. de zienswijzen die betrekking hebben op het verzoek tot grenswijziging, het gemeentelijk standpunt daarover en eventuele overige bescheiden die deel uit maken van het verzoek tot grenswijziging (zoals bijvoorbeeld een natuurcompensatieplan bij grenswijzigingen van de ehs). Het is niet nodig planbestanden bij te voegen, tenzij de zienswijzen aanleiding zijn om delen van het bestemmingsplan te wijzigen die ook relevant zijn voor de herbegrenzing.

Ad 4.
De beslistermijn van 4 weken na ontvangst van het verzoek is een termijn van orde. De haalbaarheid hangt ook af van de kwaliteit van het plan, de ingediende stukken en zienwijzen.

Mede daarom is het van groot belang om over het desbetreffende plan vooroverleg te plegen voordat het ontwerp en het voornemen ter inzage worden gelegd.

7.5 Artikel 36.6 Voorrangsregeling proactieve aanwijzing

De wetgever heeft de provincies verschillende instrumenten in handen gegeven die zij kunnen inzetten om hun belangen te dienen en te beschermen. Een van deze instrumenten is de proactieve aanwijzing.

De proactieve aanwijzing kan worden ingezet om ontwikkelingen tegen te gaan die op grond van een bestemmingsplan zijn toegestaan, maar die in strijd zijn met het provinciaal belang. Anderzijds kan de proactieve aanwijzing ook (positief) worden ingezet om ontwikkelingen die provinciale belangen dienen mogelijk te maken.

Dit artikel bevat een voorrangsregeling ten aanzien van de proactieve aanwijzing. Dit betekent dat een bestemmingsplan dat is gebaseerd op een proactieve aanwijzing, maar strijdig is met de algemene regels van de Verordening ruimte, toch kan worden vastgesteld. De proactieve aanwijzing krijgt dus voorrang boven de verordening. De situatie is immers denkbaar dat een gewenste ontwikkeling in strijd is met de algemene regels uit de Verordening ruimte, terwijl in dit specifieke geval provinciale belangen juist met deze ontwikkeling gediend zijn. Uiteraard dient de ontwikkeling niet in strijd te zijn met de provinciale structuurvisie en daarin verwoorde provinciale ruimtelijke belangen.

Voor toepassing van de proactieve aanwijzing komen alleen initiatieven in aanmerking die aantoonbaar maatschappelijke meerwaarde opleveren. Hierbij kunnen regels en normen uit de Verordening aan de kant worden gezet als die een betekenisvolle stap in de gewenste transitie van stad en platteland in de weg staan. Wat met een dergelijke 'transitie' wordt bedoeld, is omschreven in het in 2011 door Provinciale Staten vastgestelde koersdocument 'De transitie van het Brabantse stad en platteland – een nieuwe koers'. Belangrijk uitgangspunt in het koersdocument is participatie en betrokkenheid, waarbij het denken en handelen van burgers en ondernemers het vertrekpunt is.

Vanuit een veranderende maatschappij wordt er meer ruimte gegeven aan particulier initiatief en bedrijfsleven. De inzet van de proactieve aanwijzing kan daaraan een bijdrage leveren.

Een initiatief is betekenisvol indien het uitblinkt en excelleert in de manier waarop het bijdraagt aan de provinciale doelen. Wanneer er sprake is van maatschappelijke meerwaarde is nader uitgewerkt in de notitie 'Bepalen maatschappelijke meerwaarde' (commissie ROW, 21 augustus 2012). In deze notitie is beschreven dat een initiatief in ieder geval de volgende elementen in zich moet hebben:

  • Vernieuwing;
  • Vermindering van (noodzaak tot het doen van) publieke investeringen of uitgaven;
  • Versterken van zelforganisatie.

Verder mag het plan geen onaanvaardbare afbreuk doen aan één van de volgende strategische thema's, en het liefst draagt het juist aan één van de thema's bij:

  • 1. Realiseren van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem;
  • 2. Versterken concurrentiepositie;
  • 3. Bevorderen transitie landbouw;
  • 4. Bereiken gezonde leefomgeving;
  • 5. Onderhouden van een goede stedelijke structuur;
  • 6. Versterken regionale identiteit.

De mate waarin deze aspecten relevant zijn verschilt: in de nabijheid van een dorp is laatstgenoemd aspect belangrijker, terwijl in of nabij de EHS het eerste aspect het zwaarste accent heeft.

Het koersdocument is gebaseerd op vertrouwen in het vinden van goede oplossingen in een lokale context. Dat doen lokale overheden, maatschappelijke organisaties, ondernemers en burgers samen. Ruimte geven aan het particulier initiatief is nodig, maar gebeurt niet blanco. Aan het invullen van ontwikkelingsruimte vraagt de provincie een bijdrage aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken.

In gevallen waarin er het voornemen bestaat om de proactieve aanwijzing in te zetten, is het daarom nodig dat alle betrokken partijen in een vroegtijdig stadium in overleg treden om gezamenlijk de meerwaarde van een initiatief (verder) vorm te geven. Een onafhankelijk oordeel van externe deskundigen kan daar een bijdrage aan leveren. Het is verder uiteraard van belang dat het gemeentebestuur het initiatief ondersteunt en bereid is om het bestemmingsplan aan te passen. Dit zal moeten blijken uit een concept-ontwerpbestemmingsplan waarop het voornemen om een proactieve aanwijzing te geven, wordt gebaseerd. Op de voorbereiding van de proactieve aanwijzing is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat belanghebbenden tegen het voornemen zienswijzen kunnen indienen. Om de bestuurslasten te beperken, wordt de procedure van de proactieve aanwijzing waar mogelijk gekoppeld aan de procedure tot vaststelling van een bestemmingsplan. Waar mogelijk wordt aangesloten bij de procedure die ten behoeve van de algemene ontheffing is uitgewerkt in artikel 36.7. Ook dit vergt goed overleg en afstemming tussen alle partijen.

7.6 Artikel 36.7 Algemene ontheffing

De ontheffingsbevoegdheid heeft betrekking op bijzondere gevallen waar Provinciale Staten bij het vaststellen van de algemene regels geen rekening mee hebben gehouden. Bij het besluit over toepassing van de ontheffingsbevoegdheid zal een afweging plaatsvinden tussen enerzijds de provinciale belangen die worden gediend met de regels uit de Verordening en anderzijds het belang van het realiseren van het gemeentelijk ruimtelijk beleid. Indien het belemmeren van het gemeentelijk belang onevenredig is in verhouding tot de provinciale belangen, kan er reden zijn om de ontheffingsbevoegdheid toe te passen.

De ontheffing is alleen bedoeld voor incidentele gevallen . De ontheffingsbevoegdheid strekt zich niet uit tot reguliere gevallen waarin de regels uit de Verordening ruimte de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid belemmeren. Indien er sprake is van een reeks situaties waarvoor ontheffing van regels uit de Verordening nodig is, dan is het beter om de Verordening aan te passen. De ontheffingsbevoegdheid biedt de ruimte om voor onvoorziene ontwikkelingen, bijvoorbeeld voor een innovatief project waarbij zwaarwegende maatschappelijke belangen spelen maar dat in strijd is met de algemene regels, af te wijken van de algemene regels. Het onverkort toepassen van de algemene regels leidt in een dergelijk geval tot een onnodige belemmering van het gewenste gemeentelijke ruimtelijke beleid die onevenredig is in verhouding tot de betrokken provinciale belangen.

Indien een gemeente een verzoek tot ontheffing wil indienen, is vroegtijdig overleg en afstemming nodig gelet op het bijzondere -en incidentele- karakter van de ontheffing. Op de voorbereiding van een besluit tot ontheffing is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat belanghebbenden tegen het voornemen zienswijzen kunnen indienen. Om de bestuurslasten te beperken, is in dit artikel bepaald dat het voornemen om ontheffing te verlenen deel uitmaakt van de voorbereiding van het bestemmingsplan waarop het verzoek betrekking heeft. Het voornemen tot verlening van de ontheffing en het ontwerp bestemmingsplan worden dus gelijktijdig in procedure gebracht door het gemeentebestuur. Dit vergt goed overleg en een goede afstemming. Door beide besluiten zoveel mogelijk aan elkaar te koppelen, ontstaat er voor belanghebbenden een duidelijk traject. Overigens past dit ook bij de opstelling van de bestuursrechter dat tegen een besluit tot ontheffing geen afzonderlijk beroep mogelijk is.

7.7 Artikel 36.8 Verzoek om vergoeding hogere kosten

In artikel 6.8 Wro is een regeling getroffen voor het verhalen van zogenaamde 'hogere plankosten'. Hieronder worden de hogere kosten bedoeld die een gevolg zijn van het behartigen van belangen die uitsluitend of mede worden behartigd door een ander openbaar lichaam dan de gemeente. Gedeputeerde Staten kunnen het openbaar lichaam verplichten deze kosten aan de gemeente te vergoeden.

Dit artikel bepaalt welke gegevens burgemeester en wethouders moeten verstrekken bij een aanvraag om vergoeding van hogere kosten. Voorwaarde daarbij is dat vooraf moet zijn gepoogd om over de verdeling van de kosten overeenstemming te bereiken. In het algemeen moeten de kosten van medewerking aan de uitvoering van de Wro worden aangemerkt als verplichte uitgaven als bedoeld in artikel 193 van de Gemeentewet (artikel 10.6 Wro).

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om over de hogere plankosten een toerekeningsbesluit te nemen. Als gevolg van dit besluit is het openbaar lichaam verplicht de door Gedeputeerde Staten bepaalde kosten aan de gemeente te vergoeden. Tegen het besluit van Gedeputeerde Staten staat beroep open bij de Raad van State ( 8.2 Wro). Voor het aanmerken van kosten als hogere kosten, moet de belangenbehartiging op schriftelijk verzoek hebben plaatsgevonden. Verder zijn er drie extra voorwaarden:

  • 1. de kosten behoren redelijkerwijze niet voor rekening van de gemeente te blijven,
  • 2. de vergoeding is niet of niet voldoende anderszins verzekerd en
  • 3. de vergoeding is niet krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten.

Het schriftelijk verzoek tot vergoeding van de hogere kosten kan worden ingediend nadat het bestemmingsplan of projectbesluit in werking is getreden. Overigens is van belang dat voor de vergoeding van hogere kosten die verband houden met de planologische doorwerking van de reconstructieplannen - in het bijzonder eventuele planschadekosten - er al een voorziening is getroffen door de bestuursovereenkomsten tussen gemeenten en de provincie.

7.8 Artikel 39.9 Aanwijzing en advisering door deskundigen

Dit artikel maakt het mogelijk dat Gedeputeerde Staten zich bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van hogere kosten (zie artikel 36.8) laten adviseren door een of meer deskundigen of een deskundige instantie. Het artikel bevat verder enkele bepalingen over de vraag welke aspecten bij de advisering betrokken moeten worden, de termijn waarbinnen een advies uitgebracht moet worden, etc…

7.9 Artikel 36.10 Beslistermijn

Het artikel geeft aan gemeenten duidelijkheid over de beslistermijn ten aanzien van een verzoek tot vergoeding van hogere kosten.

7.10 Artikel 37 Regionaal ruimtelijk overleg

Het regionaal ruimtelijk overleg (RRO) is ontstaan uit de regionale planningsoverleggen (RPO) die zijn opgericht naar aanleiding van het Streekplan Noord-Brabant 2002. Na 2004 hebben de RPO`s zich ontwikkeld tot een wezenlijk onderdeel van de overlegstructuur tussen gemeenten en provincie op regionaal niveau.

Bij de vaststelling van de Structuurvisie ruimtelijke ordening is het begrip 'Regionaal planningsoverleg' vervangen door 'Regionaal ruimtelijk overleg' (RRO). In de structuurvisie wordt het voeren van regie als belangrijk sturingsmiddel genoemd om te komen tot uitvoering van provinciaal beleid. Het organiseren van een regionaal ruimtelijk overleg is onderdeel van deze regiefunctie. In een dergelijk overleg komen onderwerpen naar voren als woningbouw- en bedrijventerreinenplanning, zuinig ruimtegebruik, het omgaan met NIMBY-bedrijven, etc…

Een wettelijke basis van het regionaal ruimtelijk overleg is noodzakelijk om het belang van de regionale regierol van de provincie te versterken. In verband daarmee bevat artikel 37 van de Verordening een regeling voor het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel is niet gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, maar rechtstreeks op de algemene verordenende bevoegdheid van Provinciale Staten (artikel 145 Provinciewet). Daardoor kunnen gemeentebesturen en besturen van waterschappen worden gedwongen mee te werken aan de uitvoering ervan (artikel 146, eerste lid, Provinciewet).

Artikel 37 geeft op hoofdlijnen aan wat het doel, de samenstelling en de taken van het overleg zijn. Daarmee is het overleg minder vrijblijvend. Belangrijke input voor het regionaal ruimtelijk overleg zijn de bevolkings- en de woningbehoefteprognose en de prognose van de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen, zeehaventerreinen en kantorenlocaties. Gedeputeerde Staten dienen deze prognoses per bestuursperiode op te stellen, uitgewerkt per RRO-gebied en uitgesplitst naar stedelijke concentratiegebieden en kernen in landelijk gebied.

Een belangrijk punt is verder dat het regionaal ruimtelijk overleg dient te leiden tot voor een ieder kenbare resultaten in de vorm van beleidsafstemming en concrete afspraken over woningbouw, bedrijventerreinen e.d., andere stedelijke en infrastructurele voorzieningen en ruimtelijke voorzieningen in het buitengebied. De Verordening voorziet erin dat de in een RRO gemaakte afspraken voor wat betreft nieuwbouw van woningen en bedrijventerreinen en kantorenlocaties hun doorwerking krijgen in concrete bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Verder moeten ze onderdeel zijn van de bijbehorende toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing.

7.11 Artikel 37.1 Instelling regionale ruimtelijk overleggen en aanwijzing van gebieden

Het eerste lid geeft aan dat er voor het gehele grondgebied van de provincie vier regionale ruimtelijke overleggen zijn: West-Brabant, Midden-Brabant, Noordoost-Brabant en Zuidoost-Brabant. Dit sluit het beste aan bij de in de praktijk gebleken behoeften en de regionale samenwerkingsverbanden op andere beleidsterreinen.

Het tweede lid bevat een opdracht aan Gedeputeerde Staten om nader te bepalen welke gemeenten tot welke RRO-gebied behoren, om ieder misverstand op dit punt te voorkomen. Uiteraard dienen Gedeputeerde Staten daarbij rekening houden met de verschillende gemeenschappelijke regelingen op de diverse beleidsterreinen.

7.12 Artikel 37.2 Doel regionaal ruimtelijk overleg

Dit artikel beschrijft in algemene zin het doel van de regionale ruimtelijke overleggen. Hierbij is aangesloten bij de formulering zoals de Wet ruimtelijke ordening die geeft wat betreft structuurvisies en bij de formulering zoals de Waterwet die geeft wat betreft beheerplannen. Dit benadrukt het algemene en strategische karakter van het regionaal ruimtelijk overleg.

7.13 Artikel 37.3 Samenstelling regionaal ruimtelijk overleg

Dit artikel regelt de samenstelling van een regionaal ruimtelijk overleg. Ook hierbij is aangesloten bij de praktijk. Gedeputeerde Staten worden vertegenwoordigd door een uit hun midden aangewezen lid. Als regel zal deze vertegenwoordiger de portefeuillehouder voor ruimtelijke ontwikkeling zijn. De gemeenten worden vertegenwoordigd door een lid van de colleges van burgemeester en wethouders en het waterschap door een lid van het dagelijkse bestuur. Ook kan de voorzitter vanwege een agendapunt beslissen om een of meer ministeries uit te nodigen om deel te nemen aan het overleg.

Verder kunnen naast de vaste vertegenwoordigers ook andere vertegenwoordigers van gemeenten en waterschappen worden uitgenodigd, alsmede een vertegenwoordiger van het Regionaal Platform van de Metropoolregio Eindhoven, een vertegenwoordiger van het bestuur van een of meer maatschappelijk organisaties of de vertegenwoordiger van een gemeente buiten het RRO-gebied.

Het derde lid bepaalt dat het lid van Gedeputeerde Staten voorzitter is van de regionale ruimtelijke overleggen, het vierde dat Gedeputeerde Staten in overleg met de gemeenten en waterschappen voorzien in het secretariaat van het regionaal ruimtelijk overleg. Op belangrijke thema's kunnen werkgroepen bijeenkomsten van de overleggen voorbereiden. Dat gebeurt al voor de thema's wonen en werken. Het secretariaat zorgt voor de juiste afwerking van de afspraken, zoals bedoeld in artikel 37.5, en de samenstelling van de jaarverslagen als bedoeld in artikel 37.6.

7.14 Artikel 37.4 Taken regionaal ruimtelijk overleg

Het artikel beschrijft in concrete termen de onderwerpen voor het regionaal ruimtelijk overleg. Dit alles met het oog op het verkrijgen van regionale ruimtelijke samenhang. Deze onderwerpen sluiten aan op de praktijk van de laatste jaren. Hierbij gaat het niet alleen om algemeen en strategisch beleid, maar ook om het maken van bestuurlijke afspraken over de uitvoering op diverse beleidsterreinen. Deze betreffen in het bijzonder regionale afstemming en afspraken over de planologische voorbereiding van woningbouw, de aanleg en uitbreiding van bedrijventerreinen en stedelijke voorzieningen, waaronder detailhandelslocaties. In artikelen 37.6, 37.7 en 37.8 is verder uitgewerkt waarop deze afspraken zijn gestoeld en waarop deze betrekking (kunnen) hebben.

Belangrijk punt hierbij is dat deelnemers niet onderling afspraken kunnen maken. Gedeputeerde Staten kunnen een gemeente die zich niet wenst aan te sluiten bij de resultaten van de regionale afstemming daartoe dwingen. Uiteraard geldt dit onder de wettelijke voorwaarde dat een provinciaal belang daarbij in het geding is (art. 4.2 Wro).

7.15 Artikel 37.5 Beschikbaarheid afspraken

De in het planningsoverleg gemaakte afspraken worden bekend gemaakt op de website van de provincie en van de betrokken gemeenten. Dit is in het bijzonder van belang wat betreft de afspraken over de nieuwbouw van woningen en de aanleg of uitbreiding van bedrijventerreinen en kantorenlocaties. Die werken immers door in planologische maatregelen zoals bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen.

In het kader van de voorbereiding van een dergelijke planologische maatregel – in het bijzonder de uniforme openbare voorbereidingsprocedure – kan een ieder zijn opvatting kenbaar maken over de inhoud van de gemaakte afspraken en over de wijze waarop de betrokken gemeente daaraan gevolg heeft gegeven.

7.16 Artikel 37.6 Bevolkings- en woningbehoefteprognose en de daaruit voortvloeiende bestuurlijke afspraken

Gedeputeerde Staten hebben van oudsher regelmatig een bevolkings- en woningbehoefteprognose opgesteld en daaraan de nodige beleidsconsequenties verbonden. Dit artikel is in feite de voortzetting van deze prognosecyclus.

In het eerste lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten tenminste eens per bestuursperiode een bevolkings- en woningbehoefteprognose opstellen en deze voorleggen aan de regionale overleggen.

Volgens het tweede lid wordt deze prognose per RRO-gebied opgesteld en uitgesplitst naar stedelijk concentratiegebied en kernen in landelijk gebied, met de mogelijkheid deze onder te verdelen per gemeente. Het gaat hier om een middellange- en langetermijnprognose.

De bevolkingsprognose is gebaseerd op gegevens over de omvang en samenstelling van de bevolking (leeftijd, geslacht, huishoudens, etc.) en veronderstellingen over de te verwachten veranderingen van deze bevolking, bijvoorbeeld als gevolg van geboorte, sterfte en binnen- en buitenlandse migratie. Op basis van deze bevolkingsprognose en aan de hand van veronderstellingen over de toekomstige woningbehoefte van de verschillende bevolkingscategorieën wordt de woningbehoefte bepaald. De prognose is richtinggevend voor het maken van planningsafspraken over woningbouw, zoals geregeld in het derde lid. Deze regeling is daarmee een schakelbepaling naar de regels voor woningbouw, zoals opgenomen in artikel 4.3 van de Verordening.

Het derde lid bevat de kernpunten van de planningsafspraken over woningbouw. Deels zijn deze verplicht, deels zijn deze facultatief. De woningbouwafspraken moeten in ieder jaar uiterlijk per 31 december worden gemaakt. Vervolgens dienen deze afspraken zodanig te zijn uitgewerkt dat zij dienst kunnen doen als onderdeel van de planologische verantwoording van de woningbouw zoals vereist in artikel 4.3 van de Verordening. De woningbouwafspraken hebben betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Zij kunnen tevens betrekking hebben op kwalitatieve aspecten en de aard van de te bouwen woningen, waaronder de bouw ten behoeve van bijzondere doelgroepen.

Deze bijzondere woningbehoefte kan worden onderbouwd in een gemeentelijke woonvisie. In een dergelijke woonvisie kan in het bijzonder aandacht worden besteed aan de behoefte aan geschikte woningen voor jongeren en andere starters op de woningmarkt, ouderen in de lagere Inkomensgroepen en voor personen met een zorgvraag.

De woningbouwafspraken kunnen ook betrekking hebben op een of meer grotere woningbouwlocaties waaraan vanuit regionaal verband de voorkeur wordt gegeven. De afspraken hangen samen met inbreiden, herstructureren, intensiveren, meervoudig ruimtegebruik of enige andere vorm van zorgvuldig ruimtegebruik.

Als laatste punt is bepaald dat bij de verdeling van het woningbouwprogramma over de gemeenten rekening dient te worden gehouden met het uitgangspunt dat ten behoeve van kernen in landelijk gebied zoveel woningen mogen worden gebouwd als nodig is voor de natuurlijke bevolkingsgroei, ofwel de groei die optreedt als het saldo van alle verhuisbewegingen op nul wordt gesteld. Dit wordt ook wel bouwen voor migratiesaldo-nul  genoemd.

Dankzij dit uitgangspunt wordt de positie van de stedelijke concentratiegebieden in de Brabantse woningvoorraad versterkt. Dit is een belangrijke doelstelling van het provinciaal verstedelijkingsbeleid. Het verwachte migratieoverschot voor de hele provincie wordt als regel toegerekend aan de stedelijke concentratiegebieden.

In specifieke gevallen kunnen aan kernen in landelijk gebied meer woningen toegekend worden dan nodig is om te bouwen voor migratiesaldo-nul. Dat kan bijvoorbeeld in het kader van een binnenstedelijk herstructureringsproject, ruimte-voor-ruimte-kavels of een nieuw landgoed met een beperkt aantal woningen. Hierover zijn in RRO-verband regionale afspraken mogelijk.

7.17 Artikel 37.7 Prognose van de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen, zeehaventerreinen en kantorenlocaties en de daaruit voortvloeiende bestuurlijke afspraken

Gedeputeerde Staten stellen tenminste eens per bestuursperiode een prognose op voor bedrijventerreinen, zeehaventerreinen en kantoorlocaties en leggen deze voor aan de regionale ruimtelijke overleggen.

De provincie vindt het van groot belang, dat voldoende ruimte voor bedrijventerreinen en kantorenlocaties wordt gereserveerd en ontwikkeld. De provincie streeft ernaar dat in deze ruimtebehoefte tevens wordt voorzien door verouderde bedrijventerreinen te herstructureren, de ruimte op bestaande en nieuw aan te leggen bedrijventerreinen beter te benutten en meervoudig ruimtegebruik mogelijk te maken.

In het tweede lid is opgenomen dat de prognose als basis dient voor het te verwachten ruimtebeslag per RRO-gebied, onderverdeeld naar stedelijk concentratiegebied en kernen in landelijk gebied. Het gaat hier om een middellange- en langetermijnprognose, waarbij de lange termijn een periode over vijf jaar en later betreft. De prognose is richtinggevend voor het maken van planningsafspraken over bedrijventerreinen en kantorenlocaties, zoals geregeld in het vierde lid. Deze regeling is daarmee een schakelbepaling naar de regels voor bedrijventerreinen en kantorenlocaties, zoals opgenomen in artikel 4.4 van de Verordening.

Het derde lid bevat de kernpunten van de planningsafspraken over bedrijventerreinen en kantorenlocaties. Deels zijn deze verplicht, deels zijn deze facultatief. De afspraken worden ieder jaar uiterlijk per 31 december gemaakt. Deze afspraken moeten zodanig zijn uitgewerkt dat zij dienst kunnen doen als onderdeel van de planologische verantwoording van de aan te leggen of uit te breiden bedrijventerreinen en kantorenlocaties zoals vereist in artikel 4.4 van de Verordening. Uitdrukkelijk is een direct verband vereist met concrete opgaven voor herstructurering, intensivering, meervoudig ruimtegebruik of enige andere vorm van zorgvuldig ruimtegebruik. Dat geldt in het bijzonder voor bestaande bedrijventerreinen en kantorenlocaties.

Ook kunnen de afspraken betrekking hebben op één of meer locaties voor nieuw aan te leggen of uit te breiden bedrijventerreinen of kantorenlocaties waaraan in regionaal verband de voorkeur wordt gegeven. Op grond van het provinciaal beleid moet het merendeel van de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen en kantorenlocaties worden opgevangen in het stedelijke concentratiegebied, op het bovenregionale bedrijventerrein Moerdijk en op het (toekomstige) Logistiek Park Moerdijk. Het stedelijk concentratiegebied heeft daarbij niet alleen de taak om de groei van hun eigen bedrijvigheid op te vangen. Het moet ook ruimte bieden aan industriële en grootschalige logistieke bedrijven van buiten Noord-Brabant en aan bedrijven die niet (langer) passen in kernen in landelijk gebied. De prognose houdt daar rekening mee. Voor de regio's Land van Heusden en Altena, De Kempen en Land van Cuyk bestaat specifiek beleid. daarvoor zijn in deze regio's regionale bedrijventerreinen aangeduid. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening is dit nader onderbouwd.

7.18 Artikel 37.8 Regionale afspraken over detailhandelslocaties

In dit artikel is op vergelijkbare wijze als voor wonen en bedrijventerreinen de basis gelegd voor het maken van regionale afspraken over de ontwikkeling van detailhandelslocaties.

Hoofdstuk 8 Toelichting op slotbepalingen

8.1 Artikel 38 Evaluatie

Inmiddels kent de provincie Noord-Brabant sinds mei 2010 een Verordening ruimte. Bij de inwerkingtreding van de eerste Verordening in 2010 is bepaald om de Verordening iedere bestuursperiode te evalueren. De voorliggende Verordening ruimte 2014 is tot stand gekomen op basis van de eerste evaluatie.

8.2 Artikel 39 Intrekking

Dit artikel regelt de intrekking van de Verordening ruimte 2012 zoals die is vastgesteld op 11 mei 2012 en nadien is gewijzigd. In verband met de eisen die het Besluit ruimtelijke ordening aan de vaststelling van een verordening stelt en vanwege de inzichtelijkheid en leesbaarheid van de Verordening ruimte, wordt jaarlijks een nieuwe versie van de Verordening ruimte vastgesteld. In verband met dit laatste bevat artikel 40, eerste lid, een overgangsbepaling.

8.3 Artikel 40 Overgangsbepalingen

In het eerste lid wordt de werking van een eerder vastgestelde Verordening ruimte bepaald. Formeel vervalt een eerder vastgestelde verordening op het moment dat een nieuwe Verordening ruimte in werking treedt. Op grond van deze overgangsbepaling blijven gemeenten verplicht om bestemmingsplannen die onder een eerdere verordening vallen, binnen de wettelijke of de in die verordening gestelde termijn, hiermee in overeenstemming te brengen. Waar in de Vr2012 nog een specifieke overgangsrechtelijke bepaling was opgenomen voor de groenblauwe mantel vanwege de drie jaar termijn tot aanpassing van de bestemmingsplannen, is deze bepaling bij de vaststelling van de Vr2014 komen te vervallen omdat die termijn inmiddels is verstreken.

8.3.1 Lid 2

Vanwege het gewijzigde beleid rondom veehouderijen en mestbewerking is een termijn van 2 jaar opgenomen die gemeenten meer gelegenheid biedt om hun bestemmingsplannen in overeenstemming te brengen met de Verordening ruimte. Voor overige aanpassingen geldt dat deze met name gericht zijn op nieuwe ontwikkelingen. Deze bepalingen moeten gelet op de werking van deze Verordening betrokken worden bij de besluiten over die nieuwe ontwikkelingen, zoals de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid. Het is niet direct noodzakelijk dit ook in de vigerende bestemmingsplannen aan te passen.

8.3.2 lid 3

In het derde lid is specifiek overgangsrecht opgenomen voor ontheffingen die op grond van eerdere verordeningen zijn verleend. Hierbij is er voor gekozen om de overgangstermijn te koppelen aan de besluitvorming van Gedeputeerde Staten tot verlening van de ontheffing. De termijn van drie jaar is daarbij gekozen om gemeenten voldoende ruimte te geven om de ontheffing te vertalen in het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning af te handelen. Hierbij is ook rekening gehouden met een eventuele beroepsprocedure tegen de vaststelling van het bestemmingsplan bij de rechter.

8.3.3 lid 4

In dit artikel is overgangsrecht opgenomen voor plannen waarvoor compensatie nodig is en waarvoor op grond van de Verordening 2012 reeds gronden zijn aangekocht of die vooruitlopend op een initiatief reeds gronden als EHS hebben bestemd.

8.4 Artikel 41 Inwerkingtreding

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de Verordening ruimte 2014. Deze is gekoppeld aan de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin de geïntegreerde versie van de Verordening ruimte 2014 is geplaatst.

8.5 Artikel 42 Citeertitel

Bij verwijzing naar deze verordening geldt dit als officiële benaming.