direct naar inhoud van Aanwijzing 4, t.a.v. het bouwen van schuilgelegenheden
Plan: Reactieve aanwijzing tav Buitengebied Sint-Oedenrode
Status: geconsolideerde versie

Aanwijzing 4, t.a.v. het bouwen van schuilgelegenheden

Artikel 3.3.3, lid a treedt niet in werking.

Motivering

Artikel 3.3.3 maakt de bouw van schuilgelegenheden (onder voorwaarden) mogelijk.
Ondanks onze zienswijze van 1 september 2012 is deze bouwmogelijkheid gehandhaafd in de planregels. In de Nota van Zienswijzen is opgenomen dat uit jurisprudentie zou blijken dat de Vr geen verbod bevat om dergelijke bebouwing op te richten. Naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarbij een reactieve aanwijzing onzerzijds met betrekking tot het bestemmingsplan “Buitengebied 2008” van Baarle-Nassau, op dit punt is vernietigd, hebben wij beroep aangetekend tegen dit planonderdeel van het (opnieuw) ter inzage gelegde bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1 Vr
Voor beoordeling van deze bepaling is van belang, dat in artikel 1.1 onder 19 Vr een definitie is opgenomen van een bouwblok: aaneengesloten terrein waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere voorzieningen ten behoeve van eenzelfde bestemming worden geconcentreerd. Hieruit blijkt dat bovenstaande permanente bouwwerken binnen een bouwblok gerealiseerd dienen te worden.
Artikel 3.2.1 onder c van de planregels bepaalt dat bouwwerken uitsluitend binnen een bouwvlak zijn toegestaan tenzij anders is bepaald.

Hoofdstuk 2 Vr
Planregel 3.3.3 is in strijd met artikel 2.1, lid 2, onder a van de Vr. Daarin staat dat het principe van zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt dat bij een ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bouwwerken toestaat.
In paragraaf 2.2 van de toelichting bij de Verordening staat onder meer dat voor het opnemen van een zorgplicht in de verordening is gekozen om gemeenten de vrijheid te geven om zelf te bepalen op welke wijze zij het belang van ruimtelijke kwaliteit behartigen. Zoals ook uit de uitspraak van de Afdeling (200907617/1/r3) blijkt, laat de bepaling in de Vr aan gemeenten dus gedragsalternatieven.
In het tweede lid van artikel 2.1 is echter aangegeven wat zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt. Hiermee is handen en voeten gegeven aan het provinciaal beleid ten aanzien van het tegengaan van verstening, verrommeling en concentratie van bebouwing dat sinds jaar en dag geldt. Juist vanwege dit principe is aan de beoogde vrijheid voor gemeenten om te bepalen op welke wijze zij het belang van ruimtelijke kwaliteit behartigen (gedragsalternatieven) in artikel 2.1. lid 2 en 3 een bandbreedte (ondergrens) bepaalt.
Bovendien merken wij het volgende op. Het plan maakt het mogelijk middels een omgevingsvergunning af te wijken van artikel 3.2.1 ten behoeve van het oprichten van schuilgelegenheden. Aan deze afwijking zijn een aantal voorwaarden gekoppeld. Zo mag het aantal schuilgelegenheden niet meer bedragen dan 1 per 1,5 ha agrarisch gebied aaneengesloten eigendom. In theorie betekent dit een dermate toename van nieuwe versnipperde bebouwing binnen de gehele bestemming 'Agrarisch'. De wijze waarop de gemeenteraad middels een afwijkingsbevoegdheid het oprichten van schuilgelegenheden heeft geregeld, achten wij in strijd met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 2.1 Vr.
Gelet op bovenstaande merken wij op dat in artikel 3.3.3 onder b het bouwen van schuilgelegenheden buiten het bouwvlak, ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingsconcentratie' is opgenomen. Omdat dit artikellid betrekking heeft op het oprichten van schuilgelegenheden binnen bebouwingsconcentraties, heeft onze reactieve aanwijzing enkel betrekking op artikel 3.3.3 onder a. Dit mede gelet op de kenmerken van een bebouwingsconcentratie, relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar en de ruimere regels voor ruimtelijke ontwikkelingen die zijn gelegen in bebouwingsconcentraties en kernrandzones.

Hoofdstuk 6 Vr
Het toelaten van schuilgelegenheden buiten het bouwblok is ook in strijd met hoofdstuk 6 van de Vr. In artikel 6.4, lid 1 onder d is namelijk bepaald dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf worden geconcentreerd binnen het bouwblok.
Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een (detail-)bestemmingsvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in artikel 6.5. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bestemmingsvlak voor overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven in de groenblauwe mantel. Door het toelaten van deze bouwwerken buiten het bestemmingsvlak wordt aan overig niet-grondgebonden agrarische bedrijven indirect extra bouwmogelijkheden geboden.

Hoofdstuk 8 Vr
Het toelaten van schuilgelegenheden buiten het bouwblok is ook in strijd met hoofdstuk 8 van de Vr. In artikel 8.3, lid 1 onder d is namelijk bepaald dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf worden geconcentreerd binnen het bouwblok.

Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een (detail-)bestemmingsvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in artikel 8.4. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bestemmingsvlak voor overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven in het agrarisch gebied. Door het toelaten van deze bouwwerken buiten het bestemmingsvlak wordt aan overig niet-grondgebonden agrarische bedrijven indirect extra bouwmogelijkheden geboden.

Hoofdstuk 9 Vr
Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een (detail-)bestemmingsvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in artikel 9.4. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bestemmingsvlak voor een intensieve veehouderij. Door het toelaten van deze bouwwerken buiten het bestemmingsvlak wordt intensieve veehouderijen indirect extra bouwmogelijkheden geboden. Wij achten ook dit in strijd met de Vr.