direct naar inhoud van Besluittekst
Plan: Reactieve aanwijzing tav Landgoed De Utrecht Hilvarenbeek
Status: vastgesteld
Plantype: reactieve aanwijzing
IMRO-idn: NL.IMRO.9930.ra0798LgUtr-va01

Besluittekst

Hoofdstuk 1 Inleidende overwegingen

1.1. Raadsbesluit

Op 24 maart 2014 is bij ons het besluit van 13 maart 2014 met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan “Landgoed De Utrecht” gemeld. Op 31 maart zijn diverse bestanden toegestuurd, waaronder regels, toelichting in html-formaat en plan-gml met de extensie - On01 en diverse pdf's . Op 17 april ontvingen wij pdf's van regels, toelichting en plankaart. De definitieve digitale planbestanden zoals deze horen bij het authentieke plan zijn ons niet binnen de termijn van 6 weken ter beschikking gesteld.

1.2. Reactieve aanwijzing

Gelet op de provinciale belangen die in het geding zijn, vinden wij het noodzakelijk overeenkomstig artikel 3.8 lid 6 Wet ruimtelijke ordening een aanwijzing te geven tegen dit plan. De aan dit besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die ons beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan ons toekomende bevoegdheden te beschermen, geven wij hieronder weer.

Dit aanwijzingsbesluit strekt ertoe dat het onderdeel van het bestemmingsplan waartegen van onze zijde bezwaren bestaan geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Ons besluit treedt op het moment van de bekendmaking in werking. Zodra ons aanwijzingsbesluit onherroepelijk is geworden, vervalt het vaststellingsbesluit voor dat onderdeel van het bestemmingsplan.

1.3. Inzet aanwijzingsbevoegdheid

Conform het bepaalde in de wet is een afweging vereist waarom het provinciaal belang niet met de inzet van andere aan ons toekomende instrumenten is beschermd.

In dit verband heeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 vast gelegd in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening. De te beschermen provinciale ruimtelijke belangen zijn vastgelegd in de Verordening ruimte. Ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan vormde de Verordening ruimte 2012 het provinciaal toetsingskader voor ruimtelijke plannen. Inmiddels is de Verordening ruimte 2014 in werking getreden. Voor de inhoudelijke afweging of er provinciale belangen in het geding zijn, baseren wij ons op de Verordening ruimte 2012 (hierna: Vr). Daarnaast is bezien of toetsing van het bestemmingsplan aan de inmiddels in werking getreden Verordening ruimte 2014 tot een ander oordeel zou leiden.

Voor de inhoudelijke afweging of er provinciale belangen in het geding zijn, baseren wij ons op de Vr zoals deze gold op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan.

Daarbij zien wij de 'reactieve aanwijzing' als een slagvaardig en effectief middel om inwerkingtreding van een bestemmingsplan(onderdeel) tegen te houden wegens strijdigheid met een of meer regels van de Vr.

Wij achten ons bevoegd om, indien het provinciaal belang dat vergt, de reactieve aanwijzing in te zetten voor die zaken die in de Vr zijn beschreven.

Wij vinden het ook van belang dat bij het gebruik van dit instrument voor een ieder via www.ruimtelijkeplannen.nl direct kenbaar is waar plandelen niet in werking zijn getreden en welke overwegingen daarbij een rol spelen. Hier komt nog bij, dat wij de reactieve aanwijzing een aanmerkelijk doelmatiger en efficiënter instrument vinden dan de inzet van beroep en het in voorkomende gevallen vragen van een voorlopige voorziening, met name waar het om wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden in het bestemmingsplan betreft, zoals zich ook in deze aanwijzing voordoet.

De provinciale belangen zijn ook specifiek voor dit bestemmingsplan uiteengezet en kenbaar gemaakt. Onze directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving heeft daartoe bij brief van 2 mei 2013, nr. C2110630/3401245, een vooroverlegreactie uitgebracht over het voorontwerp van dit plan. Vervolgens hebben wij een zienswijze tegen het ontwerp bestemmingsplan ingediend bij brief van 18 december 2013, nr. C2134600/3503293.Daarnaast is in de periode tussen het geven van het directie advies en het vaststellen van het bestemmingsplan, op ambtelijk niveau overleg gevoerd met de gemeente omtrent de provinciale belangen die in het bestemmingsplan in het geding zijn. Daarnaast heeft nog ambtelijk overleg plaatsgevonden naar aanleiding van het vastgestelde plan.

Gelet op het voorgaande zijn wij van mening dat de inzet van andere aan ons toekomende bevoegdheden in dit geval niet mogelijk was en dat de in het geding zijnde provinciale belangen genoegzaam bij de gemeenteraad bekend zijn.

Ons is gebleken dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan (op onderdelen) desondanks onvoldoende rekening is gehouden met provinciale belangen. Bij een ongewijzigde inwerkingtreding van het bestemmingsplan zullen deze belangen worden geschaad.

1.4. Termijn reactieve aanwijzing

De reactieve aanwijzing is gericht tegen het vastgestelde bestemmingsplan. Voor het beoordelen van dit plan, het juist formuleren van de aanwijzingen en het correct digitaliseren van de reactieve aanwijzing dienen wij te kunnen beschikking over de digitale versie van het vastgestelde plan. Uit jurisprudentie hierover volgt dat wij ook na de wettelijke termijn van zes weken na het raadsbesluit nog een reactieve aanwijzing mogen geven, indien het digitale plan niet onverwijld na vaststelling van het plan aan ons ter beschikking wordt gesteld.

Overigens geldt dit ook indien er na het ter beschikking komen van het authentieke plan op www.ruimtelijkeplannen.nl vanuit het provinciaal belang gezien relevante verschillen in dat authentieke plan blijken te zitten ten opzichte van de bestanden die wij eerder hebben gehad. Dit kan er dan toe leiden dat er alsnog een aanwijzing of een aanvulling daarop volgt. Wij hebben de gemeente hiervan op de hoogte gesteld bij mail en om de definitieve planbestanden verzocht.

Vervolgens hebben wij binnen de termijn van 6 weken, te weten op 18 april, een brief verzonden waarin erop wordt gewezen dat wij bij gebrek aan de bestanden van het vastgestelde plan niet binnen de termijn tot een reactieve aanwijzing kunnen komen. In de brief is het vermoedelijke onderwerp van de reactieve aanwijzing genoemd en is nogmaals het verzoek gedaan om zo snel mogelijk het digitale plan aan te leveren. Daarnaast is ook gevraagd de publicatie van het plan aan te houden totdat het besluit omtrent de aanwijzing bekend is.

Wij hebben pas op 13 mei 2014 de beschikking gekregen over de digitale bestanden van het plan.
Het besluit omtrent de aanwijzing hebben wij vervolgens zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk genomen.

Hoofdstuk 2 Aanwijzing(-en) t.a.v. de regels voor de bestemming Agrarisch met waarden - 1

2.1. Aanwijzing t.a.v. bouwwerken buiten het bouwvlak

Artikel 3 onderdeel 3.3.1 treedt niet in werking

2.1.1 Motivering

De bepaling in artikellid 3.3.1 laat toe dat er buiten bebouwingsconcentraties schuilgelegenheden buiten bouwvlakken worden gerealiseerd. Ondanks onze zienswijze is deze bouwmogelijkheid gehandhaafd in de planregels. We hebben geconstateerd dat de regeling wel is aangepast, maar niet zodanig dat de regeling alleen van toepassing is in bebouwingsconcentraties en voor niet-bedrijfsmatig gebruik. Gelet hierop is de regeling in strijd met de Vr. Wij lichten dat hieronder als volgt toe.


Hoofdstuk 1 Verordening ruimte
Voor beoordeling van deze bepalingen is van belang, dat in artikel 1.1 onder 19 een definitie is opgenomen van een bouwblok: aaneengesloten terrein waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere voorzieningen ten behoeve van eenzelfde bestemming worden geconcentreerd.
Hierin wordt geen uitzondering gemaakt voor schuilgelegenheden.

In het bestemmingsplan zijn bouwvlakken opgenomen die te beschouwen zijn als bouwblok in de zin van de Vr.

Een ruimtelijke ontwikkeling is in artikel 1.1. onder 72 beschreven als: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist.

Nu voor het oprichten van een schuilgelegenheid een omgevingsvergunning nodig is, dient de in het plan opgenomen mogelijkheid om schuilgelegenheden op te richten beschouwd te worden als een ruimtelijke ontwikkeling in de zin van de Vr.


Hoofdstuk 2 Verordening ruimte
De genoemde delen van de regels zijn in strijd met artikel 2.1 lid 2a van de verordening. Daarin staat dat het principe van zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt dat bij een ruimtelijke ontwikkeling gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald.
Voor schuilgelegenheden is geen uitzondering opgenomen.

Het plan maakt het mogelijk middels een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels voor het oprichten van schuilgelegenheden buiten een bouwvlak. Aan deze afwijking zijn voorwaarden gekoppeld. Ondanks het feit dat het oprichten van schuilgelegenheden niet bij recht is toegestaan blijkt uit de voorwaarden als opgenomen in artikel 3.3.1 van het bestemmingsplan onvoldoende dat toepassing wordt gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimte gebruik. Deze bepaling kan leiden tot een aanzienlijke toename van onnodig nieuw ruimtebeslag en verspreid liggende bebouwing in het buitengebied. Aangezien de opgenomen voorwaarden in onvoldoende mate veilig stelt dat versnippering en verstening binnen de gebiedsbestemming wordt voorkomen. De wijze waarop de gemeenteraad middels een afwijkingsbevoegdheid het oprichten van schuilgelegenheden buiten de bebouwingsconcentratie gebieden heeft geregeld, achten wij ook daarom in strijd met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 2.1 Vr.

Verder merken wij nog het volgende op.
In paragraaf 2.2 van de toelichting bij de Verordening staat onder meer dat voor het opnemen van een zorgplicht in de verordening is gekozen om gemeenten de vrijheid te geven om zelf te bepalen op welke wijze zij het belang van ruimtelijke kwaliteit behartigen. Zoals ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (200907617/1/r3) blijkt, laat de bepaling in de Vr aan gemeenten dus gedragsalternatieven.

In het tweede lid van artikel 2.1 is echter aangegeven wat zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt. Hiermee is handen en voeten gegeven aan het provinciaal beleid ten aanzien van het tegengaan van verstening, verrommeling en concentratie van bebouwing dat sinds jaar en dag geldt. Juist vanwege dit principe is aan de beoogde vrijheid voor gemeenten om te bepalen op welke wijze zij het belang van ruimtelijke kwaliteit behartigen (gedragsalternatieven) in artikel 2.1. lid 2 en 3 een bandbreedte (ondergrens) bepaalt.

Hoofdstuk 6 Vr
Voor zover genoemde bestemmingen samenvallen met de aanduiding 'Groenblauwe mantel' in de Vr is het toelaten van schuilgelegenheden buiten het bouwblok ook in strijd met hoofdstuk 6 van de Vr. In artikel 6.4, lid 1 onder d is namelijk bepaald dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf worden geconcentreerd binnen het bouwblok.

Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een bestemmingsvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in artikel 6.5. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bestemmingsvlak voor overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven in de groenblauwe mantel. Door het toelaten van deze bouwwerken buiten het bestemmingsvlak krijgen overig niet-grondgebonden agrarische bedrijven indirect extra bouwmogelijkheden.

Hoofdstuk 7
De afwijkingsregeling voor het bouwen van schuilgelegenheden geldt voor de bestemming 'Agrarisch-met waarden 1' binnen het landgoed.
Het landgoed wordt op grond van de Verordening ruimte 2012 aangemerkt als complex van cultuurhistorisch belang in de zin van artikel 7.8 van de Verordening ruimte 2012.

Op grond van dit artikel zijn bouw- en gebruiksactiviteiten binnen een dergelijk complex alleen toegestaan als deze een bijdrage leveren aan het behoud en de versterking van de cultuurhistorische waarden van het complex. Een regeling voor het toestaan van schuilgelegenheden buiten het bouwblok leidt niet per definitie tot versterking van de cultuurhistorische waarden. In de betreffende regeling zijn hier evenmin voorwaarden voor opgenomen, zodat deze regeling tevens in strijd is met artikel 7.8 van de Verordening ruimte 2012.

Hoofdstuk 11
In artikel 11.10 van de Verordening ruimte 2012 is een uitzondering opgenomen op het principe dat gebouwen, bouwwerken en permanente voorzieningen binnen het bestaande bouwblok of bestemmingsvlak moet worden opgericht.

In dit artikel is een uitzondering gemaakt voor de vestiging of uitbreiding van kleinschalige voorzieningen ten behoeve van hobbymatig gebruik en beperkt tot gebieden die behoren tot de kernrandzone. De afwijkingsregeling zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan beperkt zich niet tot de kernrandzone en evenmin tot hobbymatig gebruik, zodat deze regeling tevens in strijd komt met artikel 11.10 van de Verordening ruimte 2012.

Hoofdstuk 3 Grondslag en opzet van deze aanwijzing

3.1. Basis reactieve aanwijzing

De reactieve aanwijzing is gericht tegen het vastgestelde bestemmingsplan. Voor het beoordelen van dit plan, het juist formuleren van de aanwijzingen en het correct digitaliseren van de reactieve aanwijzing dienen wij te kunnen beschikking over de digitale versie van het vastgestelde plan. De gemeente heeft ons op ons verzoek een digitaal plan ter beschikking gesteld en hierop hebben wij deze aanwijzing gebaseerd.

Omdat het gemeentelijk plan nog niet is aangeboden op www.ruimtelijkeplannen.nl, is het niet geheel uitgesloten dat later blijkt dat het authentieke plan vanuit provinciaal belang gezien toch nog relevante verschillen blijkt te bevatten ten opzichte van de bestanden die wij hebben gehad. Gelet op de jurisprudentie kan in dat geval alsnog een aanvullende of gewijzigde reactieve aanwijzing volgen, ook al is de gebruikelijke termijn van 6 weken verstreken.

3.2. Leeswijzer voor de (analoge) tekst

Deze reactieve aanwijzing is geen gewoon besluit, het is namelijk ook een digitaal plan. Dit heeft gevolgen voor de opzet van de tekst, omdat er vanuit wordt gegaan dat raadpleging plaats vindt via klikken op een locatie op de kaart, waarna de voor die locatie relevante informatie wordt getoond. De tekst is daarom zodanig ingericht, dat de aanwijzing gekoppeld kan worden aan dat onderdeel van de (digitale) kaart waarop dit betrekking heeft.

Net als in een bestemmingsplan is er verder geen apart onderdeel opgenomen waarin de aanwijzing(-en) nog een keer kort worden genoemd (in juridische termen: dictum). In feite fungeert elke aanwijzing op zich als een stukje besluittekst/dictum, dat gevolgd wordt door de motivering voor die specifieke locatie of regel.
De vaststelling van deze reactieve aanwijzing is opgenomen in een apart vaststellingsbesluit dat ook te raadplegen is via www.ruimtelijkeplannen.nl.