direct naar inhoud van 5.2 Ecologie
Plan: 150 kV-verbinding Dinteloord-Roosendaal
Status: vastgesteld
Plantype: inpassingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.9930.ip150kv-va01

5.2 Ecologie

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het aspect ecologie. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Gebiedsbescherming

Voor de gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen met een hoge wettelijke bescherming. Hiervoor zijn Natura 2000-gebieden en gebieden deel uitmakend van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) opgenomen. Een planologische ontwikkeling mag geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied.


Op minstens 2,5 kilometer afstand (bij de monding van de Dintel in het Krammer Volkerak) ligt het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak. Dit is een voormalige (zout) getijde gebied dat nu een zoet milieu zonder getijde vormt. De habitats en de leefgebieden van de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is
aangewezen, hebben geen eco(hydro)logische relatie met het gebied waar de kabelverbinding wordt gerealiseerd.


Soortbescherming

Op basis van de Flora- en faunawet zijn gebieden aangewezen voor de bescherming van dier- en plantensoorten. De werkingssfeer van de Flora- en Faunawet is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft soorten overal in Nederland bescherming. Op grond van de Flora- en Faunawet gelden algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten.


In Bijlage 2 is een quick scan flora en fauna opgenomen. Hieronder een overzicht van de belangrijkste conclusies en aanbevelingen van de quickscan natuurwetgeving.

  • Het projectgebied vormt het leefgebied van algemene vogels (vogels), algemene planten (tabel 1), algemeen grondgebonden zoogdieren, waaronder konijn, vos, ree en mol (tabel 1) en algemeen voorkomende amfibieën (tabel 1). Het projectgebied heeft mogelijk een functie voor minder algemene planten en kleine modderkruiper (tabel 2) en vleermuizen (tabel 3).
  • De werkzaamheden leiden tot het mogelijk overtreden van verschillende verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. Dit geldt voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren, amfibieën, planten, vissen en vogels. Het is echter noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar:
    • 1. De aanwezigheid van beschermde planten op kansrijke plekken op het tracé, indien hier werkzaamheden zijn voorzien.
    • 2. De aanwezigheid van kleine modderkruiper in permanent watervoerende watergangen/sloten, wanneer deze vergraven of gedempt worden.

Als bij de aanleg van het kabeltracé het leefgebied van deze soorten ontzien kan worden, is het aangegeven vervolgonderzoek niet nodig. Wanneer sprake is van actueel voorkomen van beschermde plantensoorten en kleine modderkruiper en de werkzaamheden leiden tot verdwijnen van groei- en verblijfplaatsen van deze soorten (en niet te werken is volgens een goedgekeurde gedragscode), is een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet vereist. Wanneer deze soorten blijkens onderzoek niet voorkomen, is geen ontheffing vereist.

  • Het overtreden van verbodsbepalingen is te voorkomen door het nemen van maatregelen:
    • 1. Indien aanwezig: neem maatregelen (beschreven in een goedgekeurde gedragscode) om effecten op brede wespenorchis, rietorchis, wilde marjolein en kleine modderkruiper te voorkomen.
    • 2. Verwijder struiken, riet en ruigte buiten het broedseizoen.
    • 3. Afstemmen van de fasering voor de werkzaamheden met een ecoloog is nodig om effecten op broedvogels te voorkomen.
    • 4. Buiten de winterperiode niet in de avond met verlichting werken, om effecten op migrerende en foeragerende vleermuizen te voorkomen.
  • Voor de overige beschermde planten, zoogdier- en amfibiesoorten ten aanzien waarvan verboden handelingen te verwachten zijn geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen in het kader van de AMvB art. 75 van de Flora- en faunawet.


EHS

Een deel van de werkzaamheden vindt plaats binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Door het gebruik van gestuurde boringen ter plaatse van de EHS en de ecologische verbindingszones is er geen sprake van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS.