direct naar inhoud van 5.3 Watertoets
Plan: 150 kV-verbinding Dinteloord-Roosendaal
Status: vastgesteld
Plantype: inpassingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.9930.ip150kv-va01

5.3 Watertoets

5.3.1 Proces watertoets

Sinds 1 november 2003 is het wettelijk geregeld dat in alle ruimtelijke plannen een watertoets dient te worden uitgevoerd. Het doel van de Watertoets is om in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen. Er wordt met name ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en de beschrijving van de maatregelen die worden getroffen. Waterbeheerders worden in een vroeg stadium betrokken bij de planvorming om zo een duurzame omgang met hemel-, grond- en oppervlaktewater te waarborgen en "water" mee te laten wegen in het planproces. Het resultaat van de Watertoets is deze waterparagraaf.


Voor het plan wordt een inpassingsplan opgesteld, wat "watertoetsplichtig" is. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Brabantse Delta. De geldende beleidslijnen zijn beschreven in hoofdstuk 3. Deze waterparagraaf gaat achtereenvolgens in op de huidige situatie ten aanzien van bodem en water en de toekomstige situatie.

5.3.2 Huidige situatie
5.3.2.1 Bodemopbouw

Onderstaande geeft de bodemkaart van Nederland weer ter hoogte van het tracé. Het tracé ligt op de overgang van de hogere Brabantse zandgronden naar de rivierkleigebieden. Het noordelijk deel van het tracé bestaat uit poldervaaggronden die opgebouwd zijn uit zavel en klei. Nabij Roosendaal wordt de bodemopbouw afgewisseld door zandgronden, veengronden en kleigronden.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ip150kv-va01_0011.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ip150kv-va01_0012.jpg"

5.3.2.2 Grondwater

De onderstaande kaart toont grondwatertrappen van de 1:50.000 bodemkaart van het plangebied. Tevens is de Wateratlas van Noord-Brabant geraadpleegd (bron: http://atlas.brabant.nl/wateratlas/). In de legenda is aangegeven wat de verschillende grondwatertrappen betekenen. Het geeft aan hoe diep de grondwaterstand zich onder het maaiveld bevindt. De H is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand. De L- is de gemiddeld Laagste grondwaterstand.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ip150kv-va01_0013.jpg"

Te zien is dat het noordelijke deel van het tracé grotendeels ten plaatse van grondwaterstanden met een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van tussen de 40-80 cm beneden maaiveld betreft. Het zuidelijke deel van het tracé laat hogere GHG's zien, boven de 40 cm beneden maaiveld.

Op basis van de isohypsen is de grondwaterstroming overwegend noordwestelijk gericht. Het tracé ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied.

5.3.2.3 Oppervlaktewater en waterkeringen

Op de onderstaande kaart is aangegeven welke belangrijke waterkeringen en waterlopen worden gekruist.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ip150kv-va01_0014.jpg"

De belangrijkste waterloop die wordt gekruist is de Steenbergsche Vliet die overgaat in de Nieuwe Roosendaalsche Vliet.

Op de Roosendaalsche Vliet vindt scheepvaart plaats. Deze waterloop verbindt Roosendaal met het Volkerak Zoommeer. Het streefpeil van de Roosendaalsche Vliet is 0 m+NAP, gelijk aan het peil van het Volkerak Zoommeer. Aan beide zijden van de Vliet zijn regionale waterkeringen aanwezig, deze worden gekruist.

Naast de Roosendaalsche Vliet worden meerdere watergangen en sloten gekruist. Hierbij zijn 2 grotere A-watergangen van belang. Dit zijn de Bandsloot, ter hoogte van de Gastelse weg en de Omloopleiding Bakkersberg bij de aansluiting nabij de A17. Aan weerszijden van de A-watergangen zijn op basis van de keur 5 meter brede opstakelvrije zones aanwezig.


Ten behoeve van het agrarisch gebruik van de polders wordt door het waterschap actief peilbeheer toegepast. Door middel van waterinlaat en bemaling hanteert het waterschap vaste zomer- en winterpeilen. In de winter worden om wateroverlast te voorkomen, de peilen laaggehouden. In de zomer worden de peilen door inlaat van zoet water juist verhoogd om de watervoorziening voor de landbouwgewassen te kunnen garanderen. Het gehele gebied valt onder het peilbesluit Steenbergen/Brabantsewal. Deze vastgestelde zomer- en winterpeilen zijn opgenomen in het peilenplan van de Oud Prinslandse polder en de Cruijslandse Kreken.

5.3.3 Toekomstige situatie
5.3.3.1 Kruising waterkeringen

In het kader van het aanleggen van kabels en leidingen ter plaatse van waterkeringen dient een watervergunning te worden aangevraagd. Onderstaande tekst is (deels aangepast) overgenomen uit de beleidsregel toepassing waterwet en keur van Waterschap Brabantse Delta.


Kabels en leidingen in, op of nabij waterkeringen zijn een potentieel risico voor de stabiliteit en de veiligheid van de waterkering. Het gevaar en risico tijdens het leggen van kabels wordt grotendeels bepaald door de verstoring van de ondergrond, de glooiing, of de grasmat. Ook kan verstoring van de ondergrond stabiliteitsverlies veroorzaken en kan de inwerking van golven op de waterkering versneld leiden tot erosie van taluds en de kruin van met name groene waterkeringen, indien de grasmat verstoord is door de aanleg van leidingen.


Voor de aanleg van een nieuwe kabel geldt dat deze moet worden getoetst (o.a. in het kader van de toetsing op veiligheid) op ligging, sterkte, conditie, belastingen, toegepaste materialen en het mogelijke risico en de gevolgen, de effecten en de schade

Algemeen

Vergunningaanvragen worden getoetst op basis van de volgende algemene uitgangspunten voor kabels en leidingen in of nabij waterkeringen:

  • De kabel of leiding brengt de veiligheid van de waterkering niet in gevaar.
  • De voorgestane kabel of leiding is noodzakelijk vanwege een zwaarwegend belang.
  • Er is geen ander redelijk alternatief voor de realisatie van de kabel of leiding.

Algemene voorschriften die aan een vergunning voor kabels in of nabij waterkeringen worden verbonden zijn:

  • Er is maar één kruising met de waterkering per soort leiding toegestaan. Kruisingen van kabels en leidingen met waterkeringen dienen zoveel mogelijk te worden geclusterd.
  • De leiding moet binnen het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte uit één stuk bestaan. Aftakkingen, afsluiters, montagelassen en andere voorzieningen zijn niet binnen het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte toegestaan.
  • Indien de kabel niet langer gebruikt wordt, dan wel niet langer aan de veiligheidseisen voldoet, moet de kabel of leiding worden verwijderd dan wel worden aangepast.
  • Nieuwe parallelleidingen zijn niet toegestaan in het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte en de beschermingszone. Alleen bij redenen van groot maatschappelijk belang kan een nieuwe parallelleiding worden toegestaan mits aangetoond wordt dat bij breuk en/of explosie het leggerprofiel niet wordt aangetast of de leiding wordt gedimensioneerd als een kruisende leiding.
  • Nieuwe kabels en leidingen, die een waterkering kruisen, moeten haaks worden aangelegd.
  • Per aanvraag kunnen specifieke voorzieningen en/of constructies worden voorgeschreven, zoals vervangende waterkering in de vorm van damwandschermen, kwelschermen in kleikist tegen kwel en/of piping.
  • De vergunninghouder is verplicht op verzoek relevante gegevens aan te leveren ten behoeve van de door de beheerder van de waterkering uit te voeren toetsing op veiligheid.
  • Indien bij toetsing blijkt dat een bestaande leiding niet voldoet, wordt de vergunning ingetrokken. De leidingbeheerder kan dan een nieuwe vergunning aanvragen voor de aan te passen leiding.

Voor de kruisingen met de waterkeringen zullen de benodigde vergunningen worden aangevraagd. In het kader van de vergunningsaanvraag wordt aangetoond dat de aanleg plaatsvindt conform de vereisten. Ten aanzien van de onderbouwing van de tracékeuze wordt verwezen naar paragraaf 4.3.


Mantelbuizen

Mantelbuizen worden soms toegepast om kabels en leidingen te beschermen. Vergunningaanvragen voor mantelbuizen worden getoetst op basis van de volgende uitgangspunten:

  • Mantelbuizen hebben als functie plaatselijk zettingsbelastingen op te vangen, of worden gebruikt voor toekomstige uitbreidingen.
  • Kruisen met een mantelbuis door een waterkering is in beginsel verboden. Het toepassen van een mantelbuis kan worden afgewend door te kiezen voor een hogere sterkteklasse of een hoogwaardiger leidingmateriaal ter plaatse van de kruising. Slechts in uitzonderingsgevallen (ter ontlasting van bepaalde telecommunicatiekabels en -bundels) worden mantelbuizen toegestaan. Mantelbuizen zijn soms echter verplicht bij bijvoorbeeld gestuurde boringen ten behoeve van olie- of afvalwaterleidingen door pleistocene zandlagen.

Daarnaast gelden er diverse specifieke voorschriften die aan een vergunning worden verbonden. Waar nodig wordt een vergunning ten behoeve van mantelbuizen aangevraagd. In het kader van de vergunningsaanvraag wordt aangetoond dat de aanleg plaatsvindt conform de vereisten.

5.3.3.2 Kruising oppervlaktewater

Voor kruisingen met oppervlaktewater geldt dat, in situaties waar kabels en leidingen een risico vormen, een vergunning moet worden aangevraagd. Situaties met een gering risico worden via algemene regels gereguleerd. Vergunningverlening is dan ook slechts nog aan de orde voor die gevallen die niet onder de algemene regels uit de keur vallen.


Vergunningaanvragen worden getoetst op basis van de volgende uitgangspunten:

  • De voorgestane kabel of leiding is noodzakelijk en er is geen ander redelijk alternatief voor de realisatie van de kabel of leiding.
  • De aanleg of aanwezigheid van de kabel of leiding mag het oppervlaktewaterlichaam en aanwezige kunstwerken ter plaatse niet in gevaar brengen en mag de aan- en afvoer van water niet belemmeren.
  • De nieuwe kabel of leiding moet zoveel mogelijk gebruik maken van reeds bestaande kruisingen of kabelbundels.
  • De kabel of leiding moet parallel aan het oppervlaktewaterlichaam worden gelegd of indien een kabel of leiding een waterloop kruist, de waterloop haaks kruisen.


Daarnaast gelden er diverse specifieke voorschriften die aan een vergunning worden verbonden. Voor de kruisingen met de oppervlaktewateren zal een vergunning worden aangevraagd. In het kader van de vergunningsaanvraag wordt aangetoond dat de aanleg plaatsvindt conform de vereisten.

5.3.3.3 Overige aandachtspunten
  • Op basis van de bodemkaart wordt geconcludeerd dat de kabel grotendeels beneden de grondwaterstand wordt aangelegd. Om de aanleg mogelijk te maken, is daarom bemaling noodzakelijk. Bij een (bouwkundige) onttrekking kleiner dan 50.000m 3 per maand, korter dan 6 maanden en buiten volledig beschermd gebied kan dit met een melding plaatsvinden. In andere gevallen is een watervergunning vereist. Het waterschap hanteert voor het onttrekken en lozen van grondwater regels die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit, het Besluit lozen buiten inrichtingen en de Keur. Bemaling zal conform de vereisten plaatsvinden.
  • Bij niet te vermijden bronbemalingen in de Volledig beschermde gebieden en de Attentiezone dient het onttrokken water ongeacht de grootte van de onttrekking altijd teruggebracht te worden in de bodem.
  • Er wordt een watervergunning aangevraagd voor de onderdoorgangen met de keringen en watergangen, zoals eerder beschreven.
  • Als gevolg van het plan neemt het verhard oppervlak niet toe. Er hoeft dus geen waterberging te worden gerealiseerd.

De twee vaarwegen (De Steenbergscge Vliet en het Mark-Vliet kanaal) zijn volledig beschermde gebieden als ook een deel van de kering langs regionale rivieren, de B75 Kruislandsedijk noord van Gastels veer. De doelstelling voor volledig beschermd gebied is o.a. om verdroging tegen te gaan. Door aanleg van een nieuwe kabeltracé in/onder deze volledig beschermde gebieden zou deze doelstelling niet in gevaar moeten komen. Omdat de vaarwegen worden gekruist met een gestuurde boringen worden hier geen verdrogende effecten verwacht. Eén en ander wordt nader in beeld gebracht in de vergunningsaanvraag voor de watervergunning.