direct naar inhoud van 5.5 Archeologie
Plan: 150 kV-verbinding Dinteloord-Roosendaal
Status: vastgesteld
Plantype: inpassingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.9930.ip150kv-va01

5.5 Archeologie

Per 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg van kracht geworden. In het kader hiervan dient een gemeente ruimtelijke planvorming te toetsen op archeologische waarden. Indien potentiële archeologische waarden worden verstoord, dient hier nader onderzoek naar te worden verricht. Er is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in Bijlage 4.

Het onderzoeksgebied wordt bodemkundig grotendeels gekenmerkt door de aanwezigheid van de zeekleigronden, meer in het bijzonder poldervaaggronden (Mn25A/Mn35A). In een klein deelgebiedje van het plangebied komen er nog kalkhoudende vlakvaaggronden (Sn13A) voor. Het onderzoeksgebied wordt gekenmerkt door vlakten en enkele ruggen. Deze situatie betekent dat het landschap niet erg afwisselend is. Dit leidde dan weer tot een kleine diversiteit aan flora en fauna.


Voor de jager-verzamelaars betekende dit dat er geen grote verscheidenheid aan voedselbronnen voorhanden was in de vorm van planten en dieren. Wegens het ontbreken van dergelijke locaties geldt een zeer lage verwachting voor vindplaatsen van jagers en voedselverzamelaars.


Met de introductie van de landbouw werd de mate waarin gronden geschikt waren om te beakkeren een steeds belangrijker factor in de locatiekeuze van de mens. De eerste akkergronden werden op de van nature vruchtbaarste gronden aangelegd. Bovendien moesten de gronden goed ontwaterd zijn. Echter, veruit het grootste deel van het onderzoeksgebied was - vanwege de slechte ontwatering - minder geschikt voor bewoning en/of landbouw. Dit laat zich ook voelen door de afwezigheid in het plangebied van bewoning uit het Neolithicum, IJzertijd en zelfs Romeinse tijd, aangezien de bewoning zich van oudsher concentreerde op de hogere delen van het landschap. Aangezien de gronden tijdens de Middeleeuwen nog natter zullen zijn geweest dan tegenwoordig, was landbouw waarschijnlijk alleen mogelijk op de hoogste ruggen, welvingen en vlakten. Wegens het ontbreken van dergelijke locaties geldt een lage verwachting voor vindplaatsen van landbouwers.Ook wat de bewoning uit de Nieuwe tijd betreft, geldt een lage archeologische verwachting, aangezien zelfs nu nog het gebied vrij 'leeg' is.

De conclusies uit het archeologisch bureauonderzoek zijn de volgende:

  • 1. Het onderzoeksgebied wordt bodemkundig grotendeels gekenmerkt door de aanwezigheid van zeekleigronden, meer in het bijzonder poldervaaggronden (Mn25A/Mn35A). In een klein deelgebiedje van het plangebied komen er nog kalkhoudende vlakvaaggronden (Sn13A) voor.
  • 2. De loop van het tracé wordt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) vrijwel geheel gekenmerkt door een lage trefkans op archeologische waarden. Enkel in het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied, in de buurt van Roosendaal, is er in beperkte mate sprake van een middelhoge trefkans op archeologische waarden.
  • 3. Binnen het plangebied en in het onderzoeksgebied (straal van 500 m. rondom het plangebied) bevinden zich op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) geen archeologische monumenten.
  • 4. Binnen het plangebied en in het onderzoeksgebied (straal van 500 m. rondom het plangebied) bevinden zich volgens Archis2 en de gemeentelijke beleids- en advieskaarten geen archeologische vondstmeldingen en waarnemingen.

Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek geldt, dat voor het plangebied er geen enkele aanwijzing is, dat er zich daadwerkelijk archeologische waarden in de bodem zouden bevinden. Ze worden hier dan ook niet verwacht, aangezien de trefkans zeer laag is. Voor de conclusie van het onderzoek wordt verder verwezen naar bijlage 4 van de toelichting.