direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Wijziging Verordening ruimte 2012, zorgvuldige veehouderij
Status: ontwerp

Toelichting

Provinciale Staten hebben in hun vergadering van 22 maart 2013 een aantal besluiten genomen in het kader van de transitie naar een zorgvuldige veehouderij 2020.

Deze besluiten zijn gebaseerd op de eveneens in genoemde vergadering vastgestelde denklijn “ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd”.

Teneinde te voorkomen dat een transitie naar een zorgvuldige veehouderij door de verdere intensivering van de melkveehouderij langer gaat duren is besloten om vooruitlopend op een aantal nog uit te werken maatregelen en regelingen in de Verordening ruimte (Vr) op te nemen dat de bouwblokken voor een grondgebonden veehouderij evenals bij intensieve veehouderijen ten hoogste 1,5 hectare groot mogen zijn.

In de Vr is in de hoofdstukken 6 en 8 respectievelijk Groenblauwe mantel en Agrarisch gebied een regeling opgenomen voor grondgebonden agrarische bedrijven.

De huidige regeling gaat er van uit dat uitbreiding van grondgebonden agrarische bedrijven mogelijk is indien de noodzaak daarvoor is aangetoond. In de Groenblauwe mantel is daarbij bepaald dat de uitbreiding ook een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Een maximale bouwblokgrootte is nu niet opgenomen.

In vervolg op het besluit van PS van 22 maart 2013 worden de desbetreffende artikelen in hoofdstukken 6 en 8 met deze wijziging van de Vr zodanig aangepast dat een bestemmingplan voor een grondgebonden agrarisch bedrijf kan voorzien in een uitbreiding tot ten hoogste 1,5 hectare. Hiermee worden de grondgebonden bedrijven nagenoeg gelijk gesteld met de intensieve veehouderij. Alleen voor de intensieve veehouderijen geldt in extensiveringsgebieden geldt dat uitbreiding van het bouwblok en van de bebouwing daarbinnen ook niet mogelijk is. Het is niet de bedoeling om ook de akkerbouwbedijven in omvang te beperken. Daarom wordt er aan de artikelen een nieuw lid toegevoegd dat bepaalt dat het maximum van 1,5 hectare niet geldt voor de grondgebonden bedrijven waar geen vee wordt gehouden.

Omdat grondgebonden veehouderijen - veelal melkveebedrijven - gebruik maken van ruwvoer en daarvoor in verhouding tot bijvoorbeeld varkenshouderijen meer opslagruimte nodig hebben, is voorts een extra bepaling opgenomen die het mogelijk maakt dat de daarvoor noodzakelijke voerplaten aansluitend aan het toegekende bouwblok op te richten, mits dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Dit is een uitzondering op de hoofdregel dat alle voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf binnen het bouwblok worden opgenomen. Er is voor deze voorziening geen maximum opgenomen. De behoefte aan ruimte voor voerplaten is afhankelijk van de bedrijfsvoering en bedrijfsgrootte. Wel is bepaald dat de ruimte voor het aanleggen van voerplaten noodzakelijk moet zijn voor de bedrijfsvoering. Met het stellen van deze noodzakelijkheideis wordt voorkomen dat er te ruime mogelijkheden in plannen worden opgenomen.

PS hebben voorts op 22 maart 2013 besloten de bouwstop voor geiten- en schapenhouderijen uit voorzorg met een jaar te verlengen.

Het advies van de Gezondheidsraad geeft ons op dit moment onvoldoende aanleiding om de bouwstop te heroverwegen nu dit niet leidt tot andere inzichten ten aanzien van de risico's van geitenhouderijen. Hoewel vaccinatie het risico op het uitscheiden van grote hoeveelheden bacteriën sterk heeft verminderd, is de vaccinatie duidelijk minder dan 100 % effectief. Een grote stal waarin veel dieren worden gehouden, kan mogelijk toch een significante bron van Q-koorts bacillen zijn. Juist de traditionele open stalsystemmen zijn daarbij ongunstig voor de volksgezondheid door de grotere kans op verwaaiing. Voorts herhaalt de Gezondheidsraad dat er aanwijzingen zijn (IRAS/NIVEL, 2011) voor een toegenomen risico op longproblemen in de nabijheid van geitenstallen. Tot slot geeft de Gezondheidsraad in haar advies aan dat een endotoxinentoets aanvullend op de reguliere fijn stof beoordeling gewenst is.

De bouwstop voor geitenhouderijen werd destijds ingegeven om vanwege de onzekere situatie nieuwe ontwikkelingen stop te zetten. Hierdoor bestaat er ruimte om te onderzoeken welke maatregelen de risico's voor volksgezondheid verminderen. Het advies ondersteunt ons in onze opvatting dat er vanuit volkgezondheid ten opzichte van de traditionele open stalsytemen aanvullende maatregelen nodig zijn.

Binnen de provincie Noord-Brabant wordt momenteel een systeem ontwikkeld waarbij juist aandacht wordt geschonken aan het verder uitwerken van aanvullende maatregelen. Dit wordt opgenomen in de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij.

Als de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij (BZV) voldoende is ontwikkeld en in werking is getreden kan de bouwstop vervallen omdat dan sturing plaatsvindt via de BZV.

Om het besluit van PS te effectueren is in deze wijzigingsregeling opgenomen dat in het betreffende artikel in de Vr 1 juni 2013 wordt vervangen door 1 juni 2014.

Daarnaast hebben wij een nieuw derde lid toegevoegd die de mogelijkheid biedt aan gemeenten om in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwstop voor zogenaamde knelgevallen. Daartoe zijn concrete criteria opgenomen. De wet voorziet in een dergelijke afwijkingsmogelijkheid van rechtstreeks werkende regels. Indien gemeenten hiervan gebruik willen maken is een verklaring van geen bedenkingen van ons college vereist. Hiermee wordt geborgd dat de belangen waartoe de bouwstop is ingesteld in voldoende mate in de afweging van gemeenten worden betrokken.

Tot slot is in artikel 14.4 een overgangsbepaling opgenomen voor plannen die reeds in procedure zijn en die bepalingen bevatten inzake de omvang van grondgebonden veehouderijen. Het is niet redelijk om plannen die voor 22 maart 2013 officieel in procedure zijn gebracht (tervisie zijn gelegd) te confronteren met de nu voorliggende gewijzigde beleidsinzichten. Om te voorkomen dat de overgangsperiode te lang doorloopt is tevens bepaald dat dergelijke plannen voor 1 juli 2013 moeten worden vastgesteld.