direct naar inhoud van 2. Inzet aanwijzingsbevoegdheid
concept
NL.IMRO.9930.ra1674bgwouw-0001

2. Inzet aanwijzingsbevoegdheid

Conform het bepaalde in de wet is een afweging vereist waarom het provinciaal belang niet met de inzet van andere aan ons toekomende instrumenten is beschermd.

In dit verband heeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 vastgelegd in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en de te beschermen provinciaal ruimtelijke belangen in de Verordening ruimte Noord-Brabant.
Provinciale Staten hebben op 23 april 2010 de Verordening ruimte fase 1 vastgesteld, welke op 1 juni 2010 inwerking is getreden. Wij hebben tegelijkertijd besloten dat met de inwerkingtreding van fase 1 de Paraplunota ruimtelijke ordening wordt ingetrokken.
Op 1 juni 2010 hebben wij het ontwerp van de Verordening Ruimte, 2e fase, vastgesteld. Deze verordening heeft van 28 juni tot en met 9 augustus 2010 ter inzage gelegen.

Voor de inhoudelijke afweging of er provinciale belangen in het geding zijn, baseren wij ons op deze documenten.

Daarbij zien wij de 'reactieve aanwijzing' als een slagvaardig en effectief middel om inwerkingtreding van een bestemmingsplan(onderdeel) tegen te houden wegens strijdigheid met een of meer regels van de Verordening ruimte. Wij achten ons bevoegd om, indien het provinciaal belang dat vergt, de reactieve aanwijzing in te zetten voor die thema's welke in de Verordening Ruimte, zowel met betrekking tot de vastgestelde 1e fase als de in ontwerp aanwezige 2e fase, zijn beschreven.

De provinciale belangen zijn ook eerder specifiek voor dit bestemmingsplan uiteengezet en aan u kenbaar gemaakt. Onze directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving (ROH) heeft daartoe bij brief van 13 februari 2009, kenmerk 1472854, een vooroverlegreactie uitgebracht over het voorontwerp voor dit bestemmingsplan. Vervolgens hebben wij een zienswijze tegen het ontwerp bestemmingsplan 'Buitengebied Wouw' ingediend bij brief van 18 maart 2010, kenmerk 1642287/1662470.

Overigens is er tijdens de totstandkoming van het bestemmingsplan regelmatig ambtelijk en/of bestuurlijk overleg gevoerd omtrent de provinciale belangen die in het bestemmingsplan in het geding zijn.

Gelet op voorgaande zijn wij van mening dat de inzet van andere aan ons toekomende bevoegdheden in dit geval niet mogelijk was en dat de in het geding zijnde provinciale belangen genoegzaam bij de emeenteraad bekend zijn.

Desondanks is ons gebleken dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan (op onderdelen) onvoldoende rekening is gehouden met provinciale belangen.