direct naar inhoud van Artikel 1 Begrippen
Plan: Inpassingsplan Overdiepse Polder
Status: geconsolideerde versie

Artikel 1 Begrippen

In deze planregels wordt verstaan onder:

a. plan:

het inpassingsplan 'Overdiepse Polder' van de provincie Noord-Brabant;

b. inpassingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0030.overdiepsepolder.0401 met de bijbehorende regels;

c. plankaart:

de kaart met bijbehorende verklaring, bestaande uit 2 kaartbladen, blad A en blad B, waarop de bestemmingen van de in het plan aangewezen gronden zijn aangewezen;

d. aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de planregels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

e. aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

f. aan- en uitbouw en bijgebouw:

een gebouw, in één bouwlaag en al dan niet aangebouwd aan de bedrijfswoning c.q. het hoofdgebouw, welk onderscheiden kan worden van de bedrijfswoning c.q. het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan de bedrijfswoning c.q. het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist;

g. agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;

h. agrarisch medegebruik:

agrarische bedrijfsactiviteiten, die geen specifiek beslag leggen op de ruimte;

i. agrarisch nevenactiviteit:

een bedrijfsmatige activiteit die voorziet in een aanvulling van het inkomen van de agrariër, waarbij de activiteit in ruimtelijk, functioneel en economisch opzicht ondergeschikt blijft aan het aanwezige agrarische bedrijf;

j. bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

k. bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

l. bedrijfswonen:

wonen ten dienste van de uitoefening van een agrarisch bedrijf, bedrijfsmatige agrarische activiteiten, zoals bebouwing en open opslag, daaronder niet begrepen;

m. bedrijfswoning:

een woning bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;

n. bestaande situatie:

  • 1. ten aanzien van bebouwing: legale bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning;
  • 2. ten aanzien van gebruik: het legale gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan;

o. bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

p. bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

q. bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

r. bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

s. bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

t. bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

u. bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

v. extensief dagrecreatief medegebruik:

extensieve vorm van dagrecreatie, zoals wandelen, fietsen, boerengolf en paardrijden, inclusief naar de aard en omvang daartoe behorende voorzieningen, zoals picknicktafels en informatieborden, waarbij de recreatievorm geen specifiek beslag legt op de ruimte;

w. extensieve recreatiepunten:

voorzieningen of bedrijfsmatige activiteiten ten behoeve van een ondergeschikte agrarische nevenactiviteit, zoals het gebruik van bedrijfsruimten voor natuureducatie, zorgboerderij, visvijver, boerengolf en het proeven van streekproducten op de boerderij;

x. extensieve verblijfsrecreatie:

extensieve vorm van verblijfsrecreatie waarbij een persoon of personen het hoofdverblijf elders heeft/hebben, waaronder in ieder geval begrepen het aanbieden van bed & breakfast;

y. functie:

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan;

z. gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt plus een overkapping met een open constructie;

aa. gebruiksgerichte paardenhouderij:

een paardenhouderij waar handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair zijn gericht op het daadwerkelijke gebruik van paarden, zoals het verzorgen, beoefenen van sport en het geven van lessen;

bb. grondgebonden agrarisch bedrijf:

een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van en deel uitmakend van het bedrijf, waaronder doorgaans een melkveehouderij is begrepen;

cc. hoofdgebouw:

een gebouw dat, gelet op de aard en omvang, als het belangrijkste bouwwerk ten behoeve van het doel bedrijfswonen kan worden aangemerkt;

dd. intensieve veehouderij:

niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarin het houden van vee of pluimvee de hoofdzaak is. Het biologisch houden van dieren conform een regeling krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet en het houden van melkrundvee, schapen of paarden, wordt niet aangemerkt als intensieve veehouderij;

ee. kampeermiddelen:

een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor een bouwvergunning vereist is als bedoeld in de Woningwet; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor verblijfsrecreatie;

ff. NGE:

Nederlandse Grootte Eenheid, een rekeneenheid die wordt gehanteerd voor de vaststelling van de omvang van een agrarisch bedrijf, op basis van productiewaarde van oppervlakte, gewassen en dieren;

gg. open opslag:

het buiten het bouwvlak opslaan of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen in de open lucht;

hh. opgaande teelt of opgaand gewas:

teelt of gewas hoger dan 30 cm;

ii. overkapping met een open constructie:

een gebouw met maximaal twee wanden die al dan niet tot de constructie zelf behoren;

jj. peil:

  • in geval van bouwwerken binnen agrarische bouwvlakken: de hoogte van de zuidelijk van het bouwwerk gelegen primaire waterkering vermeerderd met 0,3 m;
  • in geval van waterkeringen: de hoogte gemeten vanaf NAP;
  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van het bouwobject;

kk. productiegerichte paardenhouderij:

een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair zijn gericht op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden;

ll. randbeplanting:

deel van het talud, waaronder begrepen groenvoorzieningen, onderhoudspaden, subtaluds en een erftoegangsweg;

mm. subtalud:

deel van het talud, als onderdeel van hetgeen in dit inpassingsplan wordt begrepen onder randbeplanting;

nn. talud:

onderdeel van de waterkering in de vorm van een onder een helling gelegen vlak;

oo. volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf:

een grondgebonden agrarisch bedrijf met een minimale omvang van 50 NGE;

pp. voorerf:

het gedeelte van het erf gelegen aan de voorkant van de bedrijfsgebouwen;

qq. voorgevelrooilijn:

lijn gerekend vanaf (het verlengde van) de achtergevel van het hoofdgebouw, vermeerderd met 10 m in noordelijke richting of indien bouwvlakken op niet meer dan 100 m afstand van elkaar zijn gelegen, de lijn gerekend vanaf (het verlengde van) de achtergevel van het hoofdgebouw vermeerderd met 7 m, in noordelijke richting;

rr. vrijstaand bijgebouw:

een van de bedrijfswoning c.q. het hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van de bedrijfswoning c.q. het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie en/of afmetingen daaraan ondergeschikt is;

ss. waterafvoergebied:

een gebied begrensd door een waterkering dat - afhankelijk van de waterstand op de rivier - geheel of gedeeltelijk ruimte biedt voor de afvoer van rivierwater richting zee;

tt. waterbekken:

massa water, kunstmatig of natuurlijk, die gebruikt wordt voor opslag en regulering van waterbronnen;

uu. waterberging:

als functie van wateren: het tijdelijk of langdurig bergen van (regen)wateroverschotten uit de omgeving;

vv. waterkering:

een waterkerende en/of -scheidende, kunstmatige of natuurlijke hoogte of hooggelegen gronden, inclusief de daarin aanwezige waterkerende elementen;

ww. werk:

een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde;

xx. woonschip:

een voor bewoning bestemd schip dat is gelegen op een ligplaats en in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.