direct naar inhoud van Regels
vastgesteld

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan:

het inpassingsplan Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69 met identificatienummer NL.IMRO.9930.IPGrenscorridorN69-va01 van de provincie Noord-Brabant;

1.2 inpassingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar, ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 agrarisch gebruik:

het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;

1.6 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.7 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.8 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.9 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.10 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect, met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.11 extensief recreatief medegebruik:

een vorm van recreatief medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de bestemmingsomschrijving van de bestemmingen gegeven doeleinden zoals wandelen, fietsen en dergelijke;

1.12 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.13 geluidsgevoelige functies:

functies die maken dat een gebouw of een terrein als geluidsgevoelig object kan worden aangemerkt;

1.14 geluidsgevoelige object:

geluidsgevoelige gebouwen of terreinen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besuit geluidhinder;

1.15 kunstwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct, een ovatonde dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening;

1.16 nutsvoorziening:

voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals voor de levering van elektriciteit, gas, drinkwater en telecommunicatiediensten, alsmede voor riolering en afvalinzameling;

1.17 onderdoorgang:

is een kort, gesloten kunstwerk waarmee een weg of andere verkeersverbinding onder een weg of maaiveld wordt geleid;

1.18 peil:
  • a. voor een bouwwerk op een kunstwerk: de hoogte van de kruin van het kunstwerk ter plaatse van het bouwwerk;
  • b. voor geluidschermen: de hoogte van de weg ter plaatse van het geluidscherm;
  • c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld;
  • d. indien in of op het water wordt gebouwd: het ter plaatse aan te houden waterpeil;
  • e. in afwijking van het bepaalde in lid 1.18 onder a t/m d geldt als peil het Normaal Amsterdams Peil, indien NAP staat aangegeven;
1.19 rijstrook:

een enkele strook van de rijbaan van een weg, welke voldoende plaats biedt aan een enkele rij rijdende motorvoertuigen op meer dan drie wielen, waaronder niet begrepen opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten;

1.20 straatmeubilair:

de op of bij de weg behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals: verkeerstekens, wegbebakeningen, bewegwijzeringen, verlichting, halte-aanduidingen, parkeerregulerende constructies, roadbarriers, afvalinzamelsystemen, brandkranen, informatie- en reclameobjecten, rijwielstandaards, papier- en plantenbakken, zitbanken, communicatievoorzieningen, beeldende kunst, gedenktekens, speelvoorzieningen, abri's e.d.;

1.21 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede water aan- en/of afvoer, waterberging en waterkwaliteit;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en de buitenzijde van de bovenafdekking;

2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen;

2.3 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuurwaarden

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch gebruik;
  • b. een leefgebied voor amfibieën;
  • c. behoud en bescherming van natte natuurwaarden;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. extensief recreatief medegebruik;
  • e. kleinschalige natuurontwikkeling;

met de daarbij behorende:

  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. infrastructurele voorzieningen;
  • h. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. waterlopen en waterpartijen.

3.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming met inachtneming van de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,20 m.

3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.3.1 Werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
  • b. aanleggen van verhardingen;
  • c. aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse leidingen en de daarmee verband houdende werkzaamheden;
  • d. het aanbrengen van recreatieve voorzieningen als parkeerplaatsen;
  • e. diepploegen, indrijven, met uitzondering ten behoeve van afrasteringen;
  • f. aanleg dammen, aanleg stuwen, aanleg sloot/greppel, dempen sloot/greppel;
  • g. rooien houtgewas, planten houtgewas, omzetten van grasland naar bouwland;
  • h. verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van meer dan 100 m2 of op een diepte van meer dan 0,60 meter onder maaiveld, verharden van oppervlakte van meer dan 100 m²;
3.3.2 Uitzonderingen

Het in sublid 3.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het inwerkingtreden van dit plan;
  • c. noodzakelijk zijn voor de aanleg en de realisering van de nieuwe verbinding zoals beoogd in het onderhavige inpassingsplan.
3.3.3 Toelaatbaarheid

De in sublid 3.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden.

Artikel 4 Groen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. natuur;

met daaraan ondergeschikte:

  • c. (fiets-)paden;
  • d. civieltechnische voorzieningen, zoals molgoten;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals duikers;
  • g. waterberging.

4.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming met inachtneming van de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan, met uitzondering van nutsvoorzieningen waarbij geldt dat de bouwhoogte maximaal 3 meter en de oppervlakte maximaal 15 m² mag bedragen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van palen en masten maximaal 10 meter mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 meter mag bedragen.

Artikel 5 Natuur

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden en ecologische waarden;
  • b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
  • c. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden;
  • d. ecologische verbindingszone, ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone';
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • g. extensief recreatief medegebruik;
  • h. waterberging.

5.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, behoudens eenvoudige voorzieningen in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor extensief recreatief medegebruik, zoals informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken en/of waterhuishoudkundige voorzieningen, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m.

5.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 5.2 voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van het natuurbeheer, mits:

  • a. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 m;
  • b. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 10 m²;
  • c. het bouwwerk noodzakelijk is in het kader van bos- en natuurbeheer;
  • d. het bouwwerk wordt gesitueerd binnen minimaal 2,5 ha aaneengesloten bos-en/of natuurgebied.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel wordt gewijzigd of het maaiveld zelf met meer dan 0,5 m wordt gewijzigd;
  • b. het aanleggen of verdiepen (van oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering;
  • d. het verwijderen, aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen, of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
5.4.2 Uitzonderingen

Het in sublid 5.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het inwerkingtreden van dit plan;
  • c. noodzakelijk zijn voor de aanleg en de realisering van de nieuwe verbinding en het inrichten van de gronden ten behoeve van de Ecologische Hoofdstructuur en landschappelijke inpassing zoals beoogd in het onderhavige inpassingsplan.
5.4.3 Toelaatbaarheid

De in sublid 5.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden.

Artikel 6 Verkeer - 1

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen, met niet meer dan 1 x 2 rijstroken, alsmede parallelwegen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals duikers, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - hydrologisch neutraal' een drainerende werking niet is toegestaan;
  • c. de doeleinden zoals bedoeld in artikel 5 lid 5.1 ter plaatse van de aanduiding 'natuur';

met daarbij behorend:

  • d. straatmeubilair;
  • e. groen;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. ecoduikers;
  • h. geluidwerende voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm';
  • i. kunstwerken, met dien verstande dat:
    • 1. bruggen en viaducten uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van verkeer - brug 1', 'specifieke vorm van verkeer - brug 2', 'specifieke vorm van verkeer - brug 3', 'specifieke vorm van verkeer - brug 4', 'specifieke vorm van verkeer - brug 5', 'specifieke vorm van verkeer - brug 6' en 'specifieke vorm verkeer - brug 7';
    • 2. indien een brug of viaduct wordt aangelegd dan wel is gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 4' dan mag er geen brug of viaduct worden aangelegd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 7';
    • 3. indien een brug of viaduct wordt aangelegd dan wel is gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 7' dan mag er geen brug of viaduct worden aangelegd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 4';
    • 4. een onderdoorgang uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - onderdoorgang';
  • j. langzaamverkeersverbindingen met de daarbij behorende onderdoorgangen, zoals voet, bromfiets- en rijwielpaden en wegen ten behoeve van het landbouwverkeer;
  • k. overige bij het wegverkeer behorende voorzieningen, zoals bermen, taluds en vluchtstroken.

6.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming met inachtneming van de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan, met uitzondering van nutsvoorzieningen waarbij geldt dat de bouwhoogte maximaal 3 meter en de oppervlakte maximaal 15 m² mag bedragen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van een kunstwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 1' maximaal 29,5 meter + NAP mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van een kunstwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 2' maximaal 27,5 meter + NAP mag bedragen;
    • 3. de bouwhoogte van een kunstwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 3' maximaal 28,5 meter + NAP mag bedragen;
    • 4. de bouwhoogte van een kunstwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 4' maximaal 31,5 meter + NAP mag bedragen;
    • 5. de bouwhoogte van een kunstwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 5' maximaal 32,0 meter + NAP mag bedragen;
    • 6. de bouwhoogte van een kunstwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 6' maximaal 32,5 meter + NAP mag bedragen;
    • 7. de bouwhoogte van een kunstwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 7' maximaal 31,0 meter + NAP mag bedragen;
    • 8. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' maximaal 1,5 meter mag bedragen;
    • 9. de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 25 meter mag bedragen;
    • 10. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer maximaal 8 meter mag bedragen;
    • 11. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3 meter mag bedragen.

6.3 Specifieke gebruiksregels
6.3.1 Voorwaardelijke verplichtingen
  • a. Het is niet toegestaan de bouwwerken als bedoeld in lid 6.2 in gebruik te nemen of te hebben indien niet is voorzien in de geluidsbeperkende voorzieningen met de vereiste akoestische werking binnen de bestemming 'Verkeer - 1' ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm'.
  • b. Binnen één jaar na ingebruikname van de nieuwe verbinding gelegen tussen het Locht en de Luikerweg, als bedoeld in lid 6.1, dient de bestemming 'Groen' te zijn gerealiseerd;
  • c. Het is niet toegestaan het doeleind 'wegen' als bedoeld in lid 6.1 in gebruik te nemen of te hebben indien dit tot gevolg heeft dat ongezuiverd hemelwater vanaf het wegdek afstroomt naar de beken De Run en De Keersop.

6.4 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag is bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van het bepaalde in lid 6.1 sub h, ten behoeve van de bouw en het gebruik van geluidwerende voorzieningen anders dan ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm', mits:

  • a. zulks noodzakelijk is in verband met geluidsgevoelige functies;
  • b. de in het gebied voorkomende landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • c. de afwijking van de situering ten opzichte van de aanduiding 'geluidscherm' niet meer dan 6 meter bedraagt;
  • d. het bepaalde in lid 6.2 sub b onder 7 in acht wordt genomen.

Artikel 7 Verkeer - 2

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. langzaamverkeersverbindingen, zoals voet, bromfiets- en rijwielpaden en wegen ten behoeve van het landbouwverkeer;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals duikers;

met daarbij behorend:

  • c. straatmeubilair;
  • d. groen;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. kunstwerken, met dien verstande dat:
    • 1. bruggen en viaducten uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 1', 'specifieke vorm van verkeer - brug 4' en 'specifieke vorm van verkeer - brug 7';
    • 2. indien een brug of viaduct wordt aangelegd dan wel is gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 4' dan mag er geen brug of viaduct worden aangelegd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 7';
    • 3. indien een brug of viaduct wordt aangelegd dan wel is gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 7' dan mag er geen brug of viaduct worden aangelegd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 4';
  • g. overige bij het wegverkeer behorende voorzieningen, zoals bermen en taluds.

7.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming met inachtneming van de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan, met uitzondering van nutsvoorzieningen waarbij geldt dat de bouwhoogte maximaal 3 meter en de oppervlakte maximaal 15 m² mag bedragen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van een kunstwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 1' maximaal 29,5 meter + NAP mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van een kunstwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 4' maximaal 31,5 meter + NAP mag bedragen;
    • 3. de bouwhoogte van een kunstwerk ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 7' maximaal 31,0 meter + NAP mag bedragen;
    • 4. de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 25 meter mag bedragen;
    • 5. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer maximaal 8 meter mag bedragen;
    • 6. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3 meter mag bedragen.

Artikel 8 Leiding

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Leiding’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

  • a. de aanleg, instandhouding en/of bescherming van een:
    • 1. gasleiding ter plaatse van de aanduiding ‘hartlijn leiding - gas’;
    • 2. rioolwatertransportleiding ter plaatse van de aanduiding ‘hartlijn leiding - riool’;
    • 3. leiding voor vervoer van vloeibare koolwaterstoffen met een diameter van ten hoogste 8 inch en een druk van ten hoogste 85 bar ter plaatse van de aanduiding ‘hartlijn leiding - koolwaterstof’, met dien verstande dat indien sprake is van twee parallelle leidingtracés, niet meer dan één tracé in gebruik mag zijn;
  • b. groenvoorzieningen.

8.2 Bouwregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, mogen op of in deze bestemming begrepen grond uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwwerken voor de aanleg en instandhouding van de in 8.1 genoemde leidingen tot een maximale bouwhoogte van 3 m.

8.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 8.2 voor het bouwen ten behoeve van de overige bestemmingen van deze gronden, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de veilige ligging en de continuïteit van de energie- of watervoorziening dienen te zijn gewaarborgd;
  • b. het bevoegd gezag dient schriftelijk advies te hebben ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1 Werken en werkzaamheden

Het is verboden op de gronden met de bestemming ‘Leiding’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en/of andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  • c. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het aanbrengen, vellen of rooien van diepwortelende beplanting en/of bomen;
  • e. het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte;
  • f. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties, apparatuur of objecten zoals lichtmasten, wegwijzers, informatiepanelen en ander straatmeubilair.

8.4.2 Uitzonderingen

Het in lid 8.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het inwerkingtreden van dit inpassingsplan;
  • c. noodzakelijk zijn voor de aanleg en de realisering van de nieuwe verbinding zoals beoogd in het onderhavige inpassingsplan, mits overeenstemming is bereikt met de leidingbeheerder.
8.4.3 Toelaatbaarheid
  • a. De in lid 8.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de energie- en watervoorziening zijn gewaarborgd.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in dit lid 8.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij de betreffende leidingbeheerder.

8.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag is bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk laten vervallen van de bestemming 'Leiding' welke is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - koolwaterstof', mits de leiding niet meer wordt gebruikt voor vervoer van vloeibare koolwaterstoffen.

Artikel 9 Leiding - Hoogspanning

9.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor Leiding - Hoogspanning aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een hoogspanningsleiding.

9.2 Bouwregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, mogen op of in deze bestemming begrepen grond uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de hoogspanningsleiding worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte van hoogspanningsmasten niet meer dan 35 m mag bedragen;
  • b. de bouwhooge van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 3 m mag bedragen.

9.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 9.2 voor het bouwen ten behoeve van de overige bestemmingen van deze gronden, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  • b. het bevoegd gezag dient schriftelijk advies te hebben ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.4.1 Werken en werkzaamheden

Het is verboden op de gronden met de bestemming ‘Leiding - Hoogspanning’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en/of andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
  • c. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen;
  • e. het ophogen, verlagen, afgraven of egaliseren van de bodem, of anderszins wijzigen in maaiveld- of weghoogte.
9.4.2 Uitzonderingen

Het in lid 9.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het inwerkingtreden van dit inpassingsplan;
  • c. noodzakelijk zijn voor de aanleg en de realisering van de nieuwe verbinding zoals beoogd in het onderhavige inpassingsplan.
9.4.3 Toelaatbaarheid
  • a. De in lid 9.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de energievoorziening zijn gewaarborgd.
  • b. Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in dit lid 9.4.1 wint het bevoegd gezag advies in bij de betreffende leidingbeheerder.

Artikel 10 Waarde - Archeologie

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

10.2 Bouwregels

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  • a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen, waarbij sprake is van het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 100 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen op basis van nader onderzoek dat is uitgevoerd overeenkomstig de onderzoeksmethode welke is voorgeschreven voor het desbetreffende gebied zoals is opgenomen in Bijlage 1 Onderzoeksmethode Archeologie, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden,
    • 2. tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1, onder h van de Monumentenwet 1988, of
    • 3. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties.

10.3 Specifieke gebruiksregels

De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt.

10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.4.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, ingeval het gaat om:

  • a. het verzetten van grond van meer dan 100 m2 en op een diepte van meer dan 30 centimeter;
  • b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage;
  • c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen.
10.4.2 Uitzonderingen

Het in sublid 10.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het inpassingsplan;
  • b. het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • c. mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning.
10.4.3 Beoordelingscriteria

Ten aanzien van de in sublid 10.4.1 genoemde omgevingsvergunning geldt het volgende beoordelingscriterium:

  • a. de omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport op basis van nader onderzoek dat is uitgevoerd overeenkomstig de onderzoeksmethode welke is voorgeschreven voor het desbetreffende gebied zoals is opgenomen in Bijlage 1 Onderzoeksmethode Archeologie, dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
10.4.4 Voorwaarden aan omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 10.4.1:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden,
    • 2. tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1, onder h van de Monumentenwet 1988, of
    • 3. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties.
  • b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 10.4.1 wordt bij een archeologisch deskundige advies ingewonnen omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

10.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag is bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk laten vervallen van de bestemming 'Waarde - Archeologie', indien één of meerdere van de volgende situaties van toepassing zijn:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek ter plaatse geen archeologische waarden zijn vastgesteld,
  • b. op basis van archeologisch onderzoek ter plaatse archeologische waarden zijn vastgesteld maar conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie niet behoudenswaardig blijken te zijn,
  • c. op basis van archeologisch onderzoek ter plaatse archeologische waarden zijn vastgesteld en deze behouden zijn middels een archeologische opgraving, of
  • d. uit een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen blijkt dat de aanwezige archeologische waarden zullen worden behouden middels een archeologische opgraving en geborgd is dat er geen grondwerk ter plekke verricht zal wordt voorafgaand aan deze opgraving.


Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels

12.1 overige zone - zoekzone rioolleiding
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zoekzone rioolleiding' zijn de gronden mede bestemd voor aanleg en instandhouding van een rioolwatertransportleiding, met dien verstande dat de rioolwatertransportleiding ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zoekzone rioolleiding' enkel in gebruik mag worden genomen als het gebruik van de rioolwatertransportleiding ter plaatse van de bestemming 'Leiding', de aanduiding ‘hartlijn leiding - riool’ en de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 5' is beeindigd;
  • b. Indien de rioolwatertransportleiding binnen de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zoekzone rioolleiding' in gebruik is genomen, dan is ter plaatse van de rioolwatertransportleiding en ter plaatse van de daarbij behorende belemmeringenstrook op 4 m gemeten vanuit het hart van de leiding artikel 8, lid 8.2, 8.3 en 8.4 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels

13.1 Bevoegdheid tot het afwijken

Het bevoegd gezag is bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van het plan, voor:

  • a. het afwijken van de in het plan voorgeschreven bouwhoogte en bebouwde oppervlaktematen met ten hoogste 10%;
  • b. geringe afwijkingen, die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking in de situering niet meer dan 3 meter bedraagt;
  • c. het oprichten van bouwwerken voor algemeen nut, mits de oppervlakte van een gebouw niet meer bedraagt dan 20 m² en de bouwhoogte van de bouwwerken niet meer zal bedragen dan 4 meter;
  • d. het overschrijden van de bouw- en bestemmingsgrenzen met ten hoogste 1,50 meter, door ondergeschikte bouwonderdelen.

13.2 Voorwaarden waaronder kan worden afgeweken

Er kan niet worden afgeweken als bedoeld in lid 13.1, indien de bouw- en gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen percelen in onevenredige mate worden beperkt en/of indien ter plaatse aanwezige waarden op onevenredige wijze worden of kunnen worden aangetast.

Artikel 14 Algemene wijzigingsregels

14.1 Verwijderen aanduidingen 'specifieke vorm van verkeer - brug 4' of 'specfieke vorm van verkeer - brug 7'

Het bevoegd gezag is bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het verwijderen van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 4' of de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 7' met daarbij behorende bestemming 'Verkeer - 2' ten behoeve van een functie die passend is bij de direct aangrenzende bestemmingen, niet zijnde een verkeersbestemming, met dien verstande dat:

  • a. de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 4' met de daarbij behorende bestemming 'Verkeer - 2' mag worden verwijderd indien een brug of viaduct wordt aangelegd dan wel is gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 7';
  • b. de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 7' met de daarbij behorende bestemming 'Verkeer - 2' mag worden verwijderd indien een brug of viaduct wordt aangelegd dan wel is gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 4'.

Artikel 15 Overige regels

15.1 Verwijzing naar andere regelgeving

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar een wet, een algemene maatregel van bestuur, een verordening, een richtlijn of een andere (wettelijke) regeling, dan geldt deze wet, algemene maatregel van bestuur, verordening, richtlijn of andere (wettelijke) regeling zoals die luidt dan wel van kracht is op het moment van de inwerkingtreding van dit plan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 16.1 sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Lid 16.1 sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

16.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het inpassingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 16.2 sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het lid 16.2 sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Lid 16.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 17 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het inpassingsplan Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69.