direct naar inhoud van Regels
vastgesteld

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

1.1 wijzigingsverordening:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9930.wijzvr14act2017-va01, met de bijbehorende regels.

Hoofdstuk 2 Wijziging aanduidingen

De kaart van de Verordening ruimte 2014 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 2 Nieuwe aanduiding

Aan de verbeelding wordt een nieuwe aanduiding 'Stalderingsgebied' toegevoegd.

Hoofdstuk 3 Wijziging regels

De regels van de Verordening ruimte 2014 worden als volgt gewijzigd:

Artikel 3 Wijzigingen artikel 1 Begripsbepalingen

3.1 Invoegen nieuw lid 1.28 dierenverblijf

Onder hernummering van artikel 1.28 en verder naar artikel 1.29 en verder wordt een nieuw artikel 1.28 ingevoegd:

dierenverblijf
gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daarbij behorende voorzieningen;

3.2 Invoegen nieuw lid 1.32 gebruiksoppervlakte

Onder hernummering van artikel 1.32 en verder naar artikel 1.33 en verder wordt een nieuw artikel 1.32 ingevoegd:

gebruiksoppervlakte

bruikbare oppervlakte, geschikt voor het beoogde gebruik als bedoeld in NEN 2580;

3.3 Invoegen nieuw lid 1.39 hokdierhouderij

Onder hernummering van artikel 1.39 en verder naar artikel 1.40 en verder wordt een nieuw artikel 1.39 ingevoegd:

hokdierhouderij

veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij;

3.4 Invoegen nieuw lid 1.80 stalderingsgebied

Onder hernummering van artikel 1.80 en verder naar artikel 1.81 en verder wordt een nieuw artikel 1.80 ingevoegd:

stalderingsgebied

gebied waarbinnen het oprichten van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij is gekoppeld aan de sanering van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij met als doel de regionale concentratie van vee te reguleren en verdere leegstand te voorkomen;

3.5 Invoegen nieuw lid 1.101 zelfstandige opstelling van zonnepanelen

Onder hernummering van artikel 1.101 en verder naar 1.102 en verder wordt een nieuw lid 1.101 ingevoegd:

zelfstandige opstelling van zonnepanelen

installatie voor de opwekking van zonne-energie die niet gecombineerd wordt met bebouwing maar zelfstandig is opgesteld;

Artikel 4 Intrekking artikel 4.7 Mestbewerking in stedelijk gebied

Artikel 4.7 komt te vervallen. Artikel 4.8 en verder worden hernummerd naar artikel 4.7 en verder.

Artikel 5 Wijziging artikel 5.1 Bescherming Natuur Netwerk Brabant

  • 1. Een bestemmingsplan gelegen in het Natuur Netwerk Brabant:
    • a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;
    • b. stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken;
    • c. bepaalt dat zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.
  • 2. Als ecologische waarden en kenmerken als bedoeld in het eerste lid gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.
  • 3. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging), kan een bestemmingsplan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurbestemming als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, of het recreatieve medegebruik daarvan, zijn toegestaan, mits dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.
  • 4. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging), kan een bestemmingsplan bepalen dat nieuwvestiging is toegestaan, mits:
    • a. het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat door bestaand stedelijk gebied loopt als bedoeld in artikel 4, en
    • b. de nieuwvestiging geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant of als de nieuwvestiging wel een aantasting van waarden geeft er voldaan wordt aan de vereisten uit artikel 5.3, artikel 5.4 of artikel 5.5.
  • 5. Artikel 3.3, tweede lid (nieuwvestiging), is niet van toepassing.
  • 6. In afwijking van het eerste lid, onder c, stelt de gemeenteraad binnen negen maanden een bestemmingsplan vast waarbij een natuurbestemming wordt aangewezen als de inrichting en het beheer voor natuurdoeleinden zijn verzekerd op grond van een verplichting van Gedeputeerde Staten of van een waterschapsbestuur.
  • 7. Een bestemmingsplan dat is gelegen buiten het Natuur Netwerk Brabant en leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water, strekt ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig artikel 5.6 (compensatieregels).

Artikel 6 Wijzigingen artikel 6 Groenblauwe mantel

6.1 Wijziging artikel 6.3 Veehouderij
  • 1. Een bestemmingsplan gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits:
    • a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;
    • b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;
    • c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;
    • d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
    • e. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
    • f. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;
    • g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
  • 2. Een bestemmingsplan gelegen in groenblauwe mantel bepaalt voor een veehouderij dat:
    • a. een toename van de oppervlakte van dierenverblijven alleen is toegestaan indien:
      • I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;
      • II. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, onder b en c, inpasbaar is in de omgeving;
      • III. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
      • IV. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
      • V. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
    • b. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
    • c. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder a;
    • d. mestbewerking alleen is toegestaan ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest.
  • 3. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij als bedoeld in het tweede lid, sub a, onder I;
  • 4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid onder d kan een bestemmingsplan voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar mits:
    • a. de locatie goed is ontsloten;
    • b. de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;
    • c. in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water;
    • d. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.
  • 5. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan binnen het bouwperceel voorzien in een niet-agrarische functie overeenkomstig artikel 6.10 tot en met artikel 6.13.
6.2 Wijziging artikel 6.4 Afwijkende regels veehouderij
  • 1. In afwijking van artikel 6.3 , eerste lid onder b, kan een bestemmingsplan uitbreiding van een zorgvuldige veehouderij boven de 1,5 hectare mogelijk maken indien er sprake is van één of meer van de volgende situaties:
    • a. de veehouderij blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare grond of minder.
    • b. er sprake is van het opheffen van een overbelaste situatie waarbij:
      • I. er elders feitelijk en juridisch een bouwperceel voor een veehouderij wordt opgeheven en de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt;
      • II. de eenmalige uitbreiding van het bouwperceel ten hoogste de oppervlakte van het opgeheven bouwperceel bedraagt;
      • III. het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2,5 hectare bedraagt.
    • c. dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling van een zorgvuldige veehouderij vanwege een vernieuwend bedrijfsconcept, mits:
      • I. de noodzaak daartoe blijkt uit een advies van door Gedeputeerde Staten benoemde deskundigen;
      • II. het bestemmingsplan borgt dat het vernieuwende bedrijfsconcept deel uitmaakt van de zorgvuldige veehouderij.
    • d. bij een voorloper bedrijf op het gebied van de zorgvuldige veehouderij is eenmalig een uitbreiding van het bestaande bouwperceel mogelijk met 0,5 hectare mits:
      • I. de veehouderij door het treffen van maatregelen op grond van de nadere regels als bedoeld in artikel 6.3, derde lid een score van ten minste 8,5 haalt;
      • II. de maatregelen van dien aard zijn dat deze permanent bijdragen aan het karakter van zorgvuldige veehouderij en in het bestemmingsplan zijn vastgelegd;
      • III. het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2 hectare bedraagt;
  • 2. Gedeputeerde staten kunnen in de nadere regels ex artikel 6.3, derde lid voorwaarden stellen welke maatregelen in aanmerking komen voor de toepassing van het eerste lid onder e.
  • 3. Er is sprake van een overbelaste situatie als bedoeld in het eerste lid onder b indien:
    • a. er vanwege de cumulatieve uitstoot van milieubelastende stoffen een aanzienlijke overschrijding bestaat van de in artikel 6.3, eerste lid onder d en e, opgenomen normen waardoor geen goed woon- en leefklimaat geborgd kan worden; of
    • b. er vanwege de cumulatieve uitstoot van milieubelastende stoffen een aantasting van in de nabijheid gelegen ecologische waarden plaatsvindt.
  • 4. In afwijking van artikel 6.3, eerste lid onder b, kan een bestemmingsplan bepalen dat de omvang van het bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare wordt vergroot, waardoor het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt, indien:
    • a. het bedrijf vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    • b. de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is;
    • c. het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer.
  • 5. In afwijking van artikel 6.3, eerste en tweede lid, sluit een bestemmingsplan de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf bij geitenhouderijen uit.
6.3 Wijziging artikel 6.10 Niet-agrarische functies

Aan artikel 6.10 wordt een nieuw vierde lid toegevoegd:

Het derde lid is niet van toepassing op een bestaande niet-agrarische functie gericht op mestbewerking. 

6.4 Wijziging artikel 6.18 Windturbines

Artikel 6.18 wordt geheel vervangen door:

  • 1. In afwijking van artikel 3.1 tweede lid onder a (verbod op nieuwvestiging) is in de Groenblauwe mantel nieuwvestiging mogelijk van windturbines met een bouwhoogte van tenminste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas indien:
    • a. de windturbines direct aansluitend zijn gesitueerd aan gronden bestemd als middelzwaar en zwaar bedrijventerrein, met een bruto omvang van tenminste 20 hectare;
    • b. er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines.
  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen de windturbines ook niet aansluitend aan een middelzwaar en zwaar bedrijventerrein gesitueerd worden indien:
    • a. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;
    • b. er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines;
    • c. de ontwikkeling plaatsvindt in een landschap dat daar qua schaal en maat geschikt voor is, als bedoeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie;
    • d. de windturbines gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar zijn in de omgeving.
  • 3. De maatschappelijke meerwaarde als bedoeld in het tweede lid onder a wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:
    • a. de mogelijkheid voor de omgeving om direct te participeren in het project;
    • b. de bijdrage aan het oplossen van een maatschappelijk of ruimtelijk probleem;
    • c. de bijdrage aan het realiseren van een maatschappelijk of ruimtelijk doel.
  • 4. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste en tweede lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2e of 3e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
    • a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;
    • b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines verwijderd;
    • c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.
6.5 Nieuw artikel 6.19 Zonneparken

Onder hernummering van artikel 6.19 Wijziging van de begrenzing naar artikel 6.20 wordt een nieuw artikel 6.19 ingevoegd:

  • 1. In afwijking van artikel 3.1 tweede lid onder a (verbod op nieuwvestiging) is in de Groenblauwe mantel nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen.
  • 2. In afwijking van artikel 6.10, eerste lid onder a is in de groenblauwe mantel vestiging van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen mogelijk met een grotere omvang dan 5000 m2.
  • 3. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste en tweede lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2e of 3e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
    • a. uit een gemeentelijke visie blijkt dat de aanwijzing van een projectlocatie nodig is om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie;
    • b. in deze visie is afgewogen welke locaties binnen de gemeente geschikt zijn gelet op aspecten van zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit;
    • c. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;
    • d. de ontwikkeling gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.
  • 4. De maatschappelijke meerwaarde als bedoeld in het derde lid onder c wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:
    • a. de mate van meervoudig ruimtegebruik;
    • b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;
    • c. de bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen.
  • 5. Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid worden in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden:
    • a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;
    • b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;
    • c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

Artikel 7 Wijziging artikel 7 Gemengd landelijk gebied

7.1 Wijziging artikel 7.3 Veehouderij
  • 1. Een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits:
    • a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;
    • b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;
    • c. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;
    • d. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
    • e. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
    • f. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;
    • g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
  • 2. Een bestemmingsplan gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt voor een veehouderij dat:
    • a. een toename van de oppervlakte van dierenverblijven alleen is toegestaan indien:
      • I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;
      • II. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, onder b en c, inpasbaar is in de omgeving;
      • III. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
      • IV. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
      • V. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
    • b. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
    • c. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder a;
    • d. mestbewerking alleen is toegestaan ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest.
  • 3. Gedeputeerde Staten stellen nadere regels over de inzet van maatregelen die bijdragen aan de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij als bedoeld in het tweede lid, sub a, onder I;
  • 4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid onder d kan een bestemmingsplan voorzien in mestvergisting voor samenwerkende melkrundveehouderijen tot ten hoogste 25.000 ton per jaar mits:
    • a. de locatie goed is ontsloten;
    • b. de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;
    • c. in het geval dat de mest na vergisting ter plaatse verder wordt bewerkt ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water;
    • d. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.
  • 5. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan binnen het bouwperceel voorzien in een niet-agrarische functie overeenkomstig artikel 7.10 tot en met artikel 7.14.
7.2 Wijziging artikel 7.4 Afwijkende regels veehouderij
  • 1. In afwijking van artikel 7.3, eerste lid onder b, kan een bestemmingsplan uitbreiding van een zorgvuldige veehouderij boven de 1,5 hectare mogelijk maken indien er sprake is van één of meer van de volgende situaties:
    • a. de veehouderij blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare grond of minder.
    • b. er sprake is van het opheffen van een overbelaste situatie waarbij:
      • I. er elders feitelijk en juridisch een bouwperceel voor een veehouderij wordt opgeheven en de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt;
      • II. de eenmalige uitbreiding van het bouwperceel ten hoogste de oppervlakte van het opgeheven bouwperceel bedraagt;
      • III. het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2,5 hectare bedraagt.
    • c. dit noodzakelijk is voor de ontwikkeling van een zorgvuldige veehouderij vanwege een vernieuwend bedrijfsconcept, mits:
      • I. de noodzaak daartoe blijkt uit een advies van door Gedeputeerde Staten benoemde deskundigen;
      • II. het bestemmingsplan borgt dat het vernieuwende bedrijfsconcept deel uitmaakt van de zorgvuldige veehouderij.
    • d. bij een voorloper bedrijf op het gebied van de zorgvuldige veehouderij is eenmalig een uitbreiding van het bestaande bouwperceel mogelijk met 0,5 hectare mits:
      • I. de veehouderij door het treffen van maatregelen op grond van de nadere regels als bedoeld in artikel 7.3, derde lid een score van ten minste 8,5 haalt;
      • II. de maatregelen van dien aard zijn dat deze permanent bijdragen aan het karakter van zorgvuldige veehouderij en in het bestemmingsplan zijn vastgelegd;
      • III. het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2 hectare bedraagt;
  • 2. Gedeputeerde staten kunnen in de nadere regels ex artikel 7.3, derde lid voorwaarden stellen welke maatregelen in aanmerking komen voor de toepassing van het eerste lid onder e.
  • 3. Er is sprake van een overbelaste situatie als bedoeld in het eerste lid onder b indien:
    • a. er vanwege de cumulatieve uitstoot van milieubelastende stoffen een aanzienlijke overschrijding bestaat van de in artikel 7.3, eerste lid onder d en e, opgenomen normen waardoor geen goed woon- en leefklimaat geborgd kan worden; of
    • b. er vanwege de cumulatieve uitstoot van milieubelastende stoffen een aantasting van in de nabijheid gelegen ecologische waarden plaatsvindt.
  • 4. In afwijking van artikel 7.3, eerste lid onder b, kan een bestemmingsplan bepalen dat de omvang van het bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare wordt vergroot, waardoor het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt, indien:
    • a. het bedrijf vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    • b. de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is;
    • c. het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer.
  • 5. In afwijking van artikel 7.3, eerste en tweede lid, sluit een bestemmingsplan de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf bij geitenhouderijen uit.
7.3 Wijziging artikel 7.11 Afwijkende regels voor agrarisch technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven
  • 1. In afwijking van artikel 7.10, eerste lid onder a en d (niet-agrarische functies), kan een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied voorzien in een vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch verwant bedrijf mits de omvang van het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt.
  • 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan voorzien in de vestiging van mestbewerking of een toename van de gebruiksoppervlakte van bebouwing voor mestbewerking indien:
    • a. de mest met pijpleidingen wordt aangevoerd vanaf de locatie waar de mest wordt geproduceerd;
    • b. ten minste 50 % van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water;
    • c. de op- , overslag en verwerking van producten niet in de openlucht plaatsvindt;
    • d. de mestbewerking vanuit het oogpunt van een goede leefomgeving en gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;
    • e. de locatie buiten de aanduiding 'Gebied beperkingen veehouderij' ligt;
    • f. de landschappelijke inpassing ten minste 15 % van de omvang van het bouwperceel bedraagt;
    • g. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling.
  • 3. Voor een bestaand bedrijf als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.10, derde lid (redelijke uitbreiding), overeenkomstig van toepassing.
7.4 Intrekking artikel 7.12 Mestbewerking

Artikel 7.12 komt te vervallen. Artikel 7.13 en verder worden hernummerd naar artikel 7.12 en verder.

7.5 Wijziging artikel 7.20 (oud) Windturbines

Artikel 7.20 (oud) wordt geheel vervangen door:

  • 1. In afwijking van artikel 3.1 tweede lid onder a (verbod op nieuwvestiging) is in gemengd landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk van windturbines met een bouwhoogte van tenminste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas indien:
    • a. de windturbines direct aansluitend zijn gesitueerd aan gronden bestemd als middelzwaar en zwaar bedrijventerrein, met een bruto omvang van tenminste 20 hectare;
    • b. er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines.
  • 2. In afwijking van het eerste lid kunnen de windturbines ook niet aansluitend aan een middelzwaar en zwaar bedrijventerrein gesitueerd worden indien:
    • a. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;
    • b. er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines;
    • c. de ontwikkeling plaatsvindt in een landschap dat daar qua schaal en maat geschikt voor is, als bedoeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie;
    • d. de windturbines gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar zijn in de omgeving.
  • 3. De maatschappelijke meerwaarde als bedoeld in het tweede lid onder a wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:
    • a. de mogelijkheid voor de omgeving om direct te participeren in het project;
    • b. de bijdrage aan het oplossen van een maatschappelijk of ruimtelijk probleem;
    • c. de bijdrage aan het realiseren van een maatschappelijk of ruimtelijk doel.
  • 4. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste en tweede lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2e of 3e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
    • a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;
    • b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines verwijderd;
    • c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.
7.6 Nieuw artikel 7.20 Zonneparken

Er wordt een nieuw artikel 7.20 ingevoegd:

  • 1. In afwijking van artikel 3.1 tweede lid onder a (verbod op nieuwvestiging) is in gemengd landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen.
  • 2. In afwijking van artikel 7.10, eerste lid onder a is in gemengd landelijk gebied vestiging van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen mogelijk met een grotere omvang dan 5000 m2.
  • 3. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste en tweede lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2e of 3e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
    • a. uit een gemeentelijke visie blijkt dat de aanwijzing van een projectlocatie nodig is om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie;
    • b. in deze visie is afgewogen welke locaties binnen de gemeente geschikt zijn gelet op aspecten van zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit;
    • c. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;
    • d. de ontwikkeling gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.
  • 4. De maatschappelijke meerwaarde als bedoeld in het eerste lid onder c wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:
    • a. de mate van meervoudig ruimtegebruik;
    • b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;
    • c. de bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen.
  • 5. Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid worden in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden:
    • a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;
    • b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;
    • c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

Artikel 8 Wijziging artikel 25.1 Beperkingen veehouderij

In het derde lid wordt 'Artikel 7.12, derde lid, (mestbewerking)' vervangen door 'Artikel 7.11, tweede lid, (mestbewerking)'.

Artikel 9 Nieuw artikel 26 Stalderingsgebied

Onder hernummering van artikel 26 tot en met artikel 42 naar artikel 27 tot en met artikel 43 wordt een nieuw artikel 26 ingevoegd:

Artikel 26.1 Stalderingsgebied

  • 1. In aanvulling op artikel 6.3, eerste lid, en artikel 7.3, eerste lid, (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat de vestiging van of de omschakeling naar een hokdierhouderij alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:
    • a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beeindigd;
    • b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die met de vestiging of omschakeling in gebruik wordt genomen;
    • c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.
  • 2. In aanvulling op artikel 6.3, tweede lid, onder a en artikel 7.3, tweede lid, onder a (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:
    • a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hok dierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beeindigd;
    • b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;
    • c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.
  • 3. Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.
  • 4. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder een bestaand dierenverblijf in het eerste en tweede lid verstaan een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren.

Artikel 26.2 Wijziging van de grenzen

Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van de aanduiding 'Stalderingsgebied' wijzigen indien dat nodig is voor een doelmatige uitvoering van de regeling.

Artikel 10 Wijziging artikel 32 (oud)

Artikel 32.2 vervalt. Artikel 32.1 wordt hernummerd tot artikel 32.

Artikel 11 Wijzigen artikel 33 (oud) Rechtstreekse regels mestbewerking

Artikel 33 wordt in het geheel vervangen en komt als volgt te luiden:

  • 1. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 6.3, vierde lid, artikel 7.3, vierde lid, artikel 6.10, vierde lid, artikel 7.11, tweede lid en artikel 25, derde lid, geldt dat een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte van bebouwing voor mestbewerking alleen is toegestaan als wordt voldaan aan de voorwaarden van:
    • a. artikel 6.3, vierde lid, of
    • b. artikel 7.3, vierde lid, of
    • c. artikel 7.11, tweede lid.
  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 2, derde lid, wordt onder de bestaande gebruiksoppervlakte van bebouwing voor mestbewerking in het eerste lid, verstaan de gebruiksoppervlakte die:
    • a. op 13 juni 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of
    • b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 13 juni 2017 verleende vergunning; of
    • c. is gebaseerd op een vóór 13 juni 2017 ingediende volledige en ontvankelijke aanvraag voor omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.

Artikel 12 Wijzigen artikel 34 (oud) Rechtstreekse regels veehouderijen

  • 1. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, artikel 7.3, tweede lid, en artikel 26.1, tweede lid gelden de volgende bepalingen:
    • a. een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij door het oprichten van gebouwen of door het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf is alleen toegestaan indien:
      • I. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;
      • II. de maatregelen als bedoeld onder I, in ieder geval voldoen aan de nader door Gedeputeerde Staten gestelde regels als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, en artikel 7.3, derde lid;
      • III. een hokdierhouderij gevestigd binnen de aanduiding 'Stalderingsgebied' aantoont dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 26.1, tweede lid;
      • IV. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving;
      • V. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
      • VI. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;
      • VII. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief.
    • b. binnen gebouwen dieren –al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.
  • 2. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 4.10 en artikel 25.1 geldt voor veehouderijen de regel dat geen toename is toegestaan van de oppervlakte van bestaande gebouwen en de oppervlakte van bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, behoudens indien er sprake is van een grondgebonden veehouderij als bedoeld in artikel 25.1, tweede lid.
  • 3. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder de bestaande oppervlakte van een dierenverblijf in het eerste lid verstaan de oppervlakte dierenverblijf die:
    • a. op 17 maart 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of
    • b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende vergunning; of
    • c. is gebaseerd op een vóór 17 maart 2017 ingediende volledige en ontvankelijke aanvraag voor omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.
  • 4. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder de oppervlakte van bestaande gebouwen en bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde in het tweede lid, verstaan de oppervlakte die:
    • a. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of
    • b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning; of
    • c. is gebaseerd op een vóór 21 september 2013 ingediende volledige en ontvankelijke aanvraag voor omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.
  • 5. Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, sub III, is artikel 26.1, derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13 Nieuw artikel 37 Geitenhouderijen (rechtstreekse regels)

  • 1. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6.4, vijfde lid en artikel 7.4, vijfde lid, geldt voor geitenhouderijen dat:
    • a. Een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf door het oprichten van gebouwen of door het in gebruik nemen van gebouwen als dierenverblijf niet is toegestaan.
    • b. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder de bestaande oppervlakte van een dierenverblijf onder a. verstaan de oppervlakte dierenverblijf die:
      • I. op 07 juli 2017 legaal aanwezig of in uitvoering was; of
      • II. mag worden gebouwd krachtens een vóór 07 juli 2017 verleende vergunning.
  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid, sub c, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verlenen, indien:
    • a. het een vestiging of omschakeling betreft vanwege de verplaatsing van een bestaande geitenhouderij vanuit het belang van de bescherming van de gezondheid onder gelijkblijvende omvang van deze geitenhouderij; of
    • b. de toename van de oppervlakte dierenverblijf voor de geitenhouderij is ingegeven vanuit een dierenwelzijnsconcept zonder toename van het aantal geiten dat het bedrijf op grond van de omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 7 juli 2017 mag houden.

Artikel 14 Wijzigen artikel 37 (oud) Regionaal Ruimtelijk Overleg

14.1 Wijziging artikel 37.6 Bevolkings- en woningbehoefteprognose
  • 1. Gedeputeerde Staten stellen ten minste eens per bestuursperiode een bevolkings- en woningbehoefteprognose op en leggen deze voor aan de regionale ruimtelijke overleggen.
  • 2. De prognose bedoeld in het eerste lid:
    • a. wordt opgesteld per RRO-gebied, uitgesplitst naar het stedelijk concentratiegebied en kernen in landelijk gebied en met de mogelijkheid deze onder te verdelen per gemeente;
    • b. geeft een vooruitblik in twee termijnen van vijf jaar en vervolgens in twee termijnen van tien jaar;
    • c. is richtinggevend voor het maken van afspraken als bedoeld in artikel 37.4 onder b.
  • 3. De afspraken bedoeld in artikel 37.4, onder b:
    • a. worden ieder jaar uiterlijk 31 december gemaakt en in voldoende mate uitgewerkt ten behoeve van de verantwoording bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, onder a;
    • b. hebben betrekking op de aantallen te bouwen woningen per gemeente, telkens voor de eerstvolgende periode van tien jaar, zo nodig onder te verdelen in twee termijnen van vijf jaar;
    • c. kunnen betrekking hebben op de aard van de te bouwen woningen waaronder begrepen woningen ten behoeve van bijzondere doelgroepen, waaronder de woningbouwcategorieën als geregeld in artikel 3.1.2, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening;
      worden gemaakt in samenhang met het bepaalde van zorgvuldige ruimtegebruik als bepaald in artikel 3.1, tweede lid;
    • d. zijn er op gericht dat in de gemeentelijke woningbouwplanning en -programmering voldoende realisme en flexibiliteit wordt gewaarborgd om in te kunnen spelen op de sterke dynamiek op de woningmarkt, op nieuwe (onvoorziene) inbreidings-, herstructurerings- en transformatiemogelijkheden en op de mogelijkheden woonruimte te realiseren in leegstaand en leeg komend vastgoed;
    • e. houden rekening met het uitgangspunt dat ten behoeve van kernen in het landelijk gebied -in lijn met het principe van bouwen migratie saldo-nul- zoveel woningen mogen worden gebouwd als nodig is voor de natuurlijke bevolkingsgroei, met de mogelijkheid om naast deze beleidsmatige insteek ook in te kunnen spelen op actuele trendmatige migratie-ontwikkelingen.
14.2 Wijziging artikel 37.7 Prognose van de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen
  • 1. Gedeputeerde Staten stellen ten minste eens per bestuursperiode een prognose van de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen, zeehaventerreinen en kantoren op en leggen deze voor aan de regionale ruimtelijke overleggen.
  • 2. De prognose bedoeld in het eerste lid:
    • a. heeft betrekking op de behoefte aan bedrijventerreinen, zeehaventerreinen en kantoren als gevolg van de vervangings- en uitbreidingvraag voor de middellange en lange termijn;
    • b. wordt opgesteld per RRO-gebied;
    • c. is richtinggevend voor het maken van afspraken, als bedoeld in artikel 37.4, onder b.
  • 3. De afspraken bedoeld in artikel 37.4, onder b:
    • a. worden ieder jaar uiterlijk 31 december gemaakt en in voldoende mate uitgewerkt ten behoeve van de verantwoording bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder a;
    • b. hebben betrekking op de aard en omvang van te (her)ontwikkelen of uit te breiden bedrijventerreinen en kantorenlocaties, telkens voor de eerstvolgende periode van tien jaar;
    • c. houden rekening met de kwalitatieve vraag binnen de betreffende (sub)regio en het uitgangspunt dat nieuwe capaciteit alleen mogelijk is als er binnen de (sub)regio niet in de vraag kan worden voorzien;
    • d. bevatten waar nodig afspraken over deprogrammeren, transformeren en het aanpakken en voorkomen van leegstand;
    • e. bevatten voorstellen hoe wordt omgegaan met onverwachte ontwikkelingen waarmee nog geen rekening is gehouden in de afspraken;
    • f. worden gemaakt in samenhang met het bepaalde van zorgvuldig ruimtegebruik als bepaald in artikel 3.1, tweede lid.
14.3 Wijziging van artikel 37.8 Regionale afspraken over detailhandelslocaties

De afspraken als bedoeld in artikel 37.4, onder b, sub 3:

  • a. worden ieder jaar uiterlijk 31 december gemaakt en in voldoende mate uitgewerkt ten behoeve van de verantwoording als bedoeld in artikel 4.8, derde lid;
  • b. hebben betrekking op de aard en omvang van te (her)ontwikkelen of uit te breiden detailhandelslocaties
  • c. houden rekening met uitgangspunten als structuurversterking en concentratie van detailhandel;
  • d. bevatten waar nodig afspraken en voorstellen over deprogrammeren, transformeren, de aanpak en het voorkomen van leegstand;
  • e. bevatten voorstellen hoe wordt omgegaan met onverwachte ontwikkelingen waarmee nog geen rekening is gehouden in de afspraken;
  • f. worden gemaakt in samenhang met het bepaalde van zorgvuldig ruimtegebruik als bepaald in artikel 3.1, tweede lid.

Artikel 15 Wijzigen artikel 40 (oud) Overgangsbepalingen

  • 1. Ter voldoening van artikel 4.1, tweede lid, van de wet blijven de bepalingen van een eerder vastgestelde Verordening ruimte van toepassing op een bestemmingsplan dat binnen een jaar na inwerkingtreding van die verordening en met inachtneming van die verordening dient te worden vastgesteld.
  • 2. In afwijking van artikel 4.1, tweede lid, van de wet eindigt de termijn waarbinnen een bestemmingsplan wordt vastgesteld in overeenstemming met de regels voor mestbewerking als bedoeld in artikel 7.11, tweede lid en staldering als bedoeld in artikel 26.1 op 15 juli 2020, mits het bestemmingsplan voldoet aan de voorwaarden voor veehouderijen, als bedoeld in artikelen 4.11, 6.3 en 7.3.
  • 3. De bepalingen van artikelen 6.3, tweede lid, onder a, artikel 7.3, tweede lid, onder a, en artikel 34, eerste lid, zijn niet van toepassing op gevallen waarvoor Gedeputeerde Staten een ontheffing hebben verleend ingevolge een eerdere verordening, gedurende een periode van drie jaar gerekend vanaf de datum dat het besluit tot het verlenen van de ontheffing is genomen.
  • 4. De bepalingen van artikel 26, tweede lid en artikel 34, eerste lid, onder a, sub III, blijven buiten toepassing voor zover Gedeputeerde Staten een ontheffing hebben verleend ingevolge een eerdere verordening en waarbij aan deze ontheffing de voorwaarde is verbonden dat er elders dierenverblijf is gesloopt, tot ten hoogste de omvang die feitelijk gesloopt is.
  • 5. Artikel 33, eerste lid, is niet van toepassing op gevallen waarvoor Gedeputeerde Staten hebben besloten dat er sprake is van een concreet initiatief als bedoeld in de bekendmaking van 23 november 2015 (Provinciaal Blad 143/15).
  • 6. In afwijking van artikel 4.1, tweede lid, van de wet eindigt de termijn waarbinnen een bestemmingsplan wordt vastgesteld in overeenstemming met de regels voor geitenhouderijen, zoals opgenomen in artikel 6.4, vijfde lid, en artikel 7.4, vijfde lid, op 15 juli 2020.

Artikel 16 Wijzigen artikel 42 (oud) Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening ruimte Noord-Brabant

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 17 Inwerkingtreding

Deze wijzigingsverordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 18 Citeertitel

Deze wijzigingsverordening wordt aangehaald als: Wijziging Verordening ruimte 2014, actualisatie 2017