direct naar inhoud van Artikel 2.1.7. Regels voor aan te leggen of uit te breiden bedrijventerreinen en kantorenlocaties
onherroepelijk
NL.IMRO.9930.vr2010fase1-0005
Artikel 2.1.7. Regels voor aan te leggen of uit te breiden bedrijventerreinen en kantorenlocaties
  • 1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein of kantorenlocatie of in de uitbreiding van een dergelijk terrein of een dergelijke locatie bevat een verantwoording over de wijze waarop:
    • a. de afspraken die daaromtrent in het regionaal planningsoverleg als bedoeld in artikel 4.1.5, onder c, zijn gemaakt, worden nagekomen;
    • b. het beoogde netto ruimtebeslag zich verhoudt tot de afspraken genoemd onder a en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor bedrijventerreinen en kantorenlocaties;
    • c. door middel van regels zorgvuldig ruimtegebruik wordt bevorderd.
  • 2. Onder harde plancapaciteit voor bedrijventerreinen en kantorenlocaties als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan de capaciteit voor aan te leggen of uit te breiden bedrijventerreinen en kantorenlocaties waarover een gemeente beschikt, die:
    • a. wordt uitgedrukt in het netto ruimtebeslag van bedrijventerreinen en kantorenlocaties;
    • b. is opgenomen in een vastgesteld bestemmingsplan waarbij de bestemming nog niet is verwezenlijkt.
  • 3. De wijze waarop zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt bevorderd, betreft in het bijzonder:
  • a. de wijze waarop de inrichting van het bedrijventerrein of de kantorenlocatie een gunstige verhouding tussen bruto en netto ruimtebeslag bevordert;
  • b. regels inzake de minimale omvang van de uit te geven bedrijfskavels;
  • c. regels inzake het op de aard van het bedrijventerrein of de kantorenlocatie aangepast bebouwingspercentage en de aangepaste bouwhoogte;
  • d. regels welke beogen oneigenlijk ruimtegebruik, gelet op de aard van het bedrijventerrein of de kantorenlocatie, tegen te gaan.
  • 4. Onder oneigenlijk ruimtegebruik als bedoeld in het derde lid, onder d, wordt voor wat betreft een zwaar bedrijventerrein verstaan het gebruik voor:
  • a. wat betreft kernen gelegen in een stedelijke regio, bedrijven behorend tot de milieucategorie 1 en 2, met uitzondering van een bedrijf behorend tot de milieucategorie 2 in een bedrijfsverzamelgebouw of een bedrijf met een kavelgrootte van meer dan 5000 m2;
  • b. wat betreft kernen gelegen in een landelijke regio, bedrijven behorend tot de milieucategorie 1;
  • c. bedrijfswoningen;
  • d. bedrijfsmatige uitoefening van administratieve diensten, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen en leisurevoorzieningen, voor zover niet direct verband houdend met een of meer op het desbetreffende terrein gelegen bedrijven.