direct naar inhoud van Artikel 3.3.6. Tijdelijke regels voor lopende zaken
onherroepelijk
NL.IMRO.9930.vr2010fase1-0005
Artikel 3.3.6. Tijdelijke regels voor lopende zaken
  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen in het geval van een lopende zaak tot verplaatsing van een intensieve veehouderij tot uiterlijk 1 januari 2011 ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3.3.4, eerste lid, onder d en artikel 3.3.5, eerste lid, onder a en d, voor een bestemmingsplan dat voorziet in:
    • a. uitbreiding van een bouwblok tot ten hoogste 2,5 hectare in verwevingsgebied;
    • b. uitbreiding van een bouwblok tot ten hoogste 3 hectare in landbouwontwikkelingsgebied;
    • c. nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in een landbouwontwikkelingsgebied.
  • 2. De in artikel 5.2.1, tweede lid, bedoelde stukken, behorende bij de aanvraag om ontheffing als bedoeld in het eerste lid, bevatten tevens een verantwoording dat:
    • a. er sprake is van een aantoonbaar concreet initiatief tot verplaatsing;
    • b. is verzekerd dat een bouwblok voor intensieve veehouderij gelegen buiten een verwevings- of landbouwontwikkelingsgebied, planologisch, juridisch en feitelijk wordt opgeheven;
    • c. is verzekerd dat op de uitplaatsingslocatie de bedrijfsgebouwen worden gesloopt die door de verplaatsing overbodig zijn geworden;
    • d. is verzekerd dat ten minste 20 % van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.
  • 3. In aanvulling op het bepaalde in het tweede lid geldt in het geval van nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in een landbouwontwikkelingsgebied dat:
    • a. de gezamenlijke omvang van de op te heffen bouwblokken als bedoeld in het tweede lid, onder b, ten minste de omvang van één volwaardig bedrijf per nieuw bouwblok bedraagt;
    • b. er op het nieuwe bouwblok een volwaardige intensieve veehouderij wordt gevestigd;
    • c. de nieuwvestiging zich verhoudt tot een efficiënte inrichting van het totale landbouwontwikkelingsgebied waarbij rekening is gehouden met:
      • 1. de mogelijkheden voor (her)vestiging op bestaande locaties;
      • 2. een goede beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing;
      • 3. een verdergaande verduurzaming dan wettelijk is vereist.
    • d. er bij nieuwvestiging in een landbouwontwikkelingsgebied, aandacht voor struweelvogels/dassen is verzekerd dat:
      • 1. in het leefgebied struweelvogels een halve hectare nieuwe landschapselementen wordt aangelegd en de bestaande landschapselementen rond zandwegen in het desbetreffende landbouwontwikkelingsgebied worden verbeterd;
      • 2. in het leefgebied voor dassen de aanwezige burchten en specifieke foerageergebieden niet nadelig worden beïnvloed en migratieroutes, groenstructuren en landschapselementen worden hersteld of verbeterd.