direct naar inhoud van Aanwijzing 3, t.a.v. het oprichten van schuilgelegenheden en hooischelven
Plan: Reactieve aanwijzing tav Buitengebied Mill en Sint-Hubert
Status: vastgesteld

Aanwijzing 3, t.a.v. het oprichten van schuilgelegenheden en hooischelven

Artikel 3.3.3 'Afwijken schuilgelegenheden en hooischelven'' treedt niet in werking.

Motivering

Artikel 3.3.3 maakt de bouw van schuilgelegenheden (onder voorwaarden) mogelijk.
Ondanks onze zienswijze van 1 september 2012 is deze bouwmogelijkheid gehandhaafd in de planregels. In de Nota van Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen is opgenomen dat de regeling in ogen van de gemeente vanuit praktisch oogpunt gestand moet blijven. Daarbij stelt de gemeente zich op het standpunt dat door regulering een wildgroei van schuilgelegenheden wordt voorkomen en bovendien gestuurd kan worden op locatie, uitstraling en kwaliteit van de bouwwerken. Desalniettemin overweegt de gemeente dat in sommige gebieden de realisatie van bouwwerken ongewenst is. Hierbij is aangegeven dat schuilgelegenheden en hooischelven buiten bouwvlakken in de EHS ongewenst zijn en binnen de groenblauwe mantel, buiten bouwvlakken enkel in bebouwingsconcentraties gewenst zijn. In het agrarische gebied wordt de regeling gehandhaafd. Daarmee komt artikel 6.3 te vervallen en zal artikel 5.3.2 worden aangepast.
Wij achten artikel 3.3.3 van de planregels in strijd met artikel 2.1 van de Verordening ruimte.

Hoofdstuk 2 -Verordening ruimte
Planregel 3.3.3 is in strijd met artikel 2.1, lid 2, onder a van de Verordening ruimte. Daarin staat dat het principe van zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt dat bij een ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing.
In paragraaf 2.2 van de toelichting van de Verordening staat onder meer dat voor het opnemen van een zorgplicht in de verordening ervoor is gekozen om gemeenten meer ruimte te geven en zelf te bepalen op welke wijze zij het belang van ruimtelijke kwaliteit behartigen. Zoals ook uit de uitspraak van de Afdeling (200907617/1/r3) blijkt, laat de bepaling in de Verordening ruimte aan gemeenten dus gedragsalternatieven.
In het tweede lid van artikel 2.1 van de Verordening ruimte is echter aangegeven wat zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt. Hiermee is handen en voeten gegeven aan het provinciaal beleid ten aanzien van het tegengaan van verstening, verrommeling en concentratie van bebouwing dat sinds jaar en dag geldt. Juist vanwege dit principe is aan de beoogde vrijheid voor gemeenten om te bepalen op welke wijze zij het belang van ruimtelijke kwaliteit behartigen (gedragsalternatieven) in artikel 2.1. lid 2 en 3 een bandbreedte (ondergrens) bepaald.
Dit wordt bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juni 2012, zaaknummer 201009437/1/R2.

Bovendien merken wij het volgende op. Het plan maakt het mogelijk middels een omgevingsvergunning af te wijken van artikel 3.2.1 ten behoeve van het oprichten van schuilgelegenheden en hooischelven. Aan deze afwijking zijn een aantal voorwaarden gekoppeld. Zo mag het aantal schuilgelegenheden en hooischelven niet meer bedragen dan één per perceel waarvan de perceelsoppervlakte niet minder dan 0,5 hectare mag bedragen. In theorie betekent dit een toename van nieuwe versnipperde bebouwing binnen de gehele bestemming 'Agrarisch'. Dat schuilgelegenheden en hooischelven uitsluitend mogen worden gebouwd ten behoeve van hobbymatige activiteiten van particulieren maakt dit niet anders. De wijze waarop de gemeenteraad middels een omgevingsvergunning het oprichten van schuilgelegenheden heeft geregeld, achten wij in strijd met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 2.1 Verordening ruimte.

De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld voor wat betreft het oprichten van schuilgelegenheden en hooischelven in de groenblauwe mantel. Hiertoe wordt artikel 5.3.2 aangepast. Wij beschikken op dit moment niet over de aangepaste redactie van dit artikel.
In de nota van zienswijzen is aangegeven dat de gemeente het oprichten van schuilgelegenheden slechts toelaat binnen bebouwingsconcentraties in de groenblauwe mantel en daartoe artikel 5.3.2 wordt aangepast. Gelet op de kenmerken van een bebouwingsconcentratie, relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar en de ruimere regels voor ruimtelijke ontwikkelingen die zijn gelegen in bebouwingsconcentraties en kernrandzones, heeft onze reactieve aanwijzing enkel betrekking op artikel 3.3.3.