direct naar inhoud van Besluittekst
Plan: Reactieve aanwijzing tav Buitengebied fase II Oirschot (geconsolideerd)
Status: geconsolideerde versie
Plantype: reactieve aanwijzing
IMRO-idn: NL.IMRO.9930.ra0823bgOirf2gc-gc03

Besluittekst

Hoofdstuk 1 Inleidende overwegingen

1.1. Raadsbesluit

Op 19 juni 2013 hebben wij het besluit van 18 juni 2013 met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied fase II 2013 ontvangen. Dit besluit gaat vergezeld van een overzicht van ambtshalve wijzigingen, een nota van zienswijzen en diverse ruimtelijke onderbouwingen en overeenkomsten bij individuele locaties.

1.2. Reactieve aanwijzing

Gelet op de provinciale belangen die in het geding zijn, vinden wij het noodzakelijk overeenkomstig artikel 3.8 lid 6 Wet ruimtelijke ordening een aanwijzing te geven tegen dit plan. De aan dit besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die ons beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan ons toekomende bevoegdheden te beschermen, geven wij hieronder weer.

Dit aanwijzingsbesluit strekt ertoe dat het onderdeel van het bestemmingsplan waartegen van onze zijde bezwaren bestaan geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Ons besluit treedt op het moment van de bekendmaking in werking. Zodra ons aanwijzingsbesluit onherroepelijk is geworden, vervalt het vaststellingsbesluit voor dat onderdeel van het bestemmingsplan.

1.3. Inzet aanwijzingsbevoegdheid

Conform het bepaalde in de wet is een afweging vereist waarom het provinciaal belang niet met de inzet van andere aan ons toekomende instrumenten is beschermd.

In dit verband heeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 vast gelegd in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening. De te beschermen provinciale ruimtelijke belangen zijn vastgelegd in de Verordening ruimte 2012 (hierna: Vr). Deze verordening is op 11 mei 2012 door Provinciale Staten vastgesteld en op 1 juni 2012 in werking getreden. Op 17 mei 2013 is een wijziging van de Vr vastgesteld, gericht op een zorgvuldige veehouderij. Deze wijziging is op 31 mei 2013 in werking getreden. De Vr vormt het provinciaal toetsingskader voor ruimtelijke plannen.

Voor de inhoudelijke afweging of er provinciale belangen in het geding zijn, baseren wij ons op de Vr zoals deze gold op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan.

Daarbij zien wij de 'reactieve aanwijzing' als een slagvaardig en effectief middel om inwerkingtreding van een bestemmingsplan(onderdeel) tegen te houden wegens strijdigheid met een of meer regels van de Vr.

Wij achten ons bevoegd om, indien het provinciaal belang dat vergt, de reactieve aanwijzing in te zetten voor die zaken die in de Vr zijn beschreven.

Wij vinden het ook van belang dat bij het gebruik van dit instrument voor een ieder via www.ruimtelijkeplannen.nl direct kenbaar is waar plandelen niet in werking zijn getreden en welke overwegingen daarbij een rol spelen. Hier komt nog bij, dat wij de reactieve aanwijzing een aanmerkelijk doelmatiger en efficiënter instrument vinden dan de inzet van beroep en het in voorkomende gevallen vragen van een voorlopige voorziening, met name waar het om wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden in het bestemmingsplan betreft, zoals zich ook in deze aanwijzing voordoet.

De provinciale belangen zijn ook specifiek voor dit bestemmingsplan uiteengezet en kenbaar gemaakt. Onze directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving heeft daartoe bij brief van 18 oktober 2012, nr. C2082332/3290690, een vooroverlegreactie uitgebracht over het voorontwerp van dit plan. Vervolgens hebben wij een zienswijze tegen het ontwerp bestemmingsplan ingediend bij brief van 10 januari 2013, nr. C2102360/3335632. Daarnaast is in de periode tussen het geven van het directie advies en het vaststellen van het bestemmingsplan, op ambtelijk niveau overleg gevoerd met de gemeente omtrent de provinciale belangen die in het bestemmingsplan in het geding zijn.

Gelet op het voorgaande zijn wij van mening dat de inzet van andere aan ons toekomende bevoegdheden in dit geval niet mogelijk was en dat de in het geding zijnde provinciale belangen genoegzaam bij de gemeenteraad bekend zijn.

Ons is gebleken dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan (op onderdelen) desondanks onvoldoende rekening is gehouden met provinciale belangen. Bij een ongewijzigde inwerkingtreding van het bestemmingsplan zullen deze belangen worden geschaad. 

1.4. Basis reactieve aanwijzing

De reactieve aanwijzing is gericht tegen het vastgestelde bestemmingsplan. Voor het opstellen van het digitale plan voor deze reactieve aanwijzing hebben wij echter niet de beschikking over het authentieke plan zoals vastgesteld door de gemeenteraad omdat dit pas later via ro-online ter beschikking komt. Verwijzingen naar tekst zijn ook gebaseerd op de nummering in ons ter beschikking staande gegevens, zoals het ontwerpplan en de stukken behorend bij het raadsvoorstel en nog niet op de definitieve authentieke versie van het plan.

1.4.1 Verwijzing naar regels bestemmingsplan

Uit de tekst van de aanwijzing in combinatie met de motivering blijkt steeds waarop de aanwijzing ziet. Omdat het niet uitgesloten is dat later bij de beschikbaarstelling van het authentieke plan blijkt dat de door ons opgenomen referentie bij de vaststelling toch nog vernummerd of anders aangeduid is, hebben wij in de aanwijzing zelf alleen de strekking van de aanwijzing opgenomen.

Ter informatie hebben wij in de motivering wel de verwijzing naar een artikellid opgenomen, waarbij dit is gebaseerd op de nummering van de regels zoals deze in het ontwerpplan of de stukken bij het raadsvoorstel te vinden is.

Het is uiteindelijk aan de gemeente om de reactieve aanwijzing op een juiste manier bij beoordeling van verzoeken om bijvoorbeeld omgevingsvergunning te betrekken.

1.4.2 Tweede versie van aanwijzing met gedetailleerde begrenzing

Er worden doorgaans bij vaststelling van een bestemmingsplan buitengebied veranderingen opgenomen ten opzichte van het ontwerpplan, zoals percelen aan bestemmingen toevoegen of eruit verwijderen, bestemmingsvlakken vergroten of verkleinen, nieuwe aanduidingen opnemen. Omdat het authentieke plan nog niet op www.ruimtelijkeplannen.nl staat, staan deze wijzigingen die zijn doorgevoerd bij de vaststelling van het plan bij de vaststelling van de reactieve aanwijzing dus nog niet tot onze beschikking. Wij kunnen daarom op dat moment geen gedetailleerd plan van de reactieve aanwijzing maken voor www.ruimtelijkeplannen.nl: de tekst van de aanwijzing wordt toegevoegd aan het hele bestemmingsplangebied, zonder onderscheid te maken waar welke aanwijzing van toepassing is. Nadat de gemeente het definitieve bestemmingsplan op www.ruimtelijkeplannen.nl heeft geplaatst zullen wij zorgen dat er ook een zogenaamde geconsolideerde versie van deze aanwijzing op genoemde site wordt geplaatst. In deze tweede versie zal elke aanwijzing aan het relevante gebied of perceel van het vastgestelde bestemmingsplan worden gekoppeld.

1.5. Leeswijzer voor de (analoge) tekst

Deze reactieve aanwijzing is geen gewoon besluit, het is namelijk ook een digitaal plan. Dit heeft gevolgen voor de opzet van de tekst, omdat er vanuit wordt gegaan dat raadpleging plaats vindt via klikken op een locatie op de kaart, waarna de voor die locatie relevante informatie wordt getoond. De tekst is daarom zodanig ingericht, dat elke aanwijzing later gekoppeld kan worden aan dat onderdeel van de (digitale) kaart waarop dit betrekking heeft. Hierdoor komen in de analoge tekst sommige overwegingen regelmatig terug. Wij beschouwen dit als een nadeel dat niet opweegt tegen de voordelen van een goede digitale ontsluiting van de juiste informatie per locatie.

Het karakter van digitaal plan heeft nog andere gevolgen voor de tekst. Net als in een bestemmingsplan is er geen apart onderdeel met alle aanwijzingen op een rij (in juridische termen: dictum) opgenomen. In feite fungeert elke aanwijzing op zich als een stukje besluittekst/dictum, dat gevolgd wordt door de motivering voor die specifieke locatie of regel.
De vaststelling van deze reactieve aanwijzing is opgenomen in een apart vaststellingsbesluit dat ook te raadplegen is via www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 Aanwijzing(-en) t.a.v. begrenzing

2.1. Aanwijzing t.a.v. de bestemming bouwvlak met de aanduiding specifieke vorm van agrarisch-uitloop scharrelvarkens INGETROKKEN

2.2. Aanwijzing t.a.v. de bestemming 'wonen' (gedeeltelijk) op de percelen Westelbeersedijk 39 en Westelbeersedijk 41

De bestemming 'wonen' op de percelen Westelbeersedijk 39 en Westelbeersedijk 41 treedt niet in werking, voor zover deze afwijkt van het ontwerpbestemmingsplan.

Motivering
Bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft de gemeenteraad besloten de bestemming 'wonen' op de percelen Westelbeersedijk 39 en 41 te vergroten in verband met bijgebouwen die niet binnen het bestemmingsvlak zijn gesitueerd zoals deze in het ontwerpbestemmingsplan zijn opgenomen. Er is aldus sprake van een gewijzigd vastgesteld bestemmingsplan. In de Nota van Zienswijzen staat dat het vlak van de bestemmingen aan de achterzijde gelijk worden getrokken met dat van nr. 37. Daarmee worden de bestemmingsvlakken ook vergroot op gronden waarop geen bijgebouwen aanwezig zijn. Deze gronden zijn op grond van de Vr gelegen in de Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS).

Hoofdstuk 2 Vr
Verder wordt niet voldaan aan de bepalingen van artikel 2.2. Op grond van dit artikel dient een ruimtelijke ontwikkeling gepaard te gaan met een aantoonbare verbetering van het landschap. Hiervan is in casu geen sprake.

Hoofdstuk 4 Vr
Artikel 4.2 stelt regels ter bescherming van de EHS. De in het plan opgenomen vergroting om binnen de EHS een bestemmingsvlak voor 'wonen' op te nemen strekt niet tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied. Dit geldt temeer daar bij de gewijzigde vaststelling het plan geen afweging is gemaakt hoe deze wijziging zich verhoudt met de kenmerken van de EHS.

2.3. Aanwijzing t.a.v. het terrein rond de paardenstal nabij de locatie Zwanenburg 2

De aanduiding ten behoeve van de uitloop voor paarden rond de locatie Zwanenburg 2 treedt niet in werking.

Motivering
Bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft de gemeenteraad besloten om het terrein rond de paardenstal op de locatie Zwanenburg 2, met een oppervlakte van circa 2000 m2, aan te duiden als uitloop voor paarden. Het is onduidelijk wat het plan verstaat onder deze 'uitloop', welke voorzieningen getroffen kunnen worden en wat de effecten zijn op de natuurwaarden; het betreft hier Ecologische hoofdstructuur (hierna EHS). In het ontwerpbestemmingsplan was de ter plaatse gelegen bebouwing vervat in de aanduiding 'veldschuur' en de gronden daaromheen waren vervat in de bestemming 'natuur'. Er is aldus sprake van een gewijzigd vastgesteld bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Vr –Bescherming van de Ecologische hoofdstructuur
Artikel 4.2 stelt regels ter bescherming van de EHS. De in het plan opgenomen uitloop voor paarden binnen de EHS op te nemen strekt niet tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied. Dit geldt temeer daar bij de gewijzigde vaststelling het plan geen afweging is gemaakt hoe deze wijziging zich verhoudt met de kenmerken van de EHS.

Hoofdstuk 3 Aanwijzing(-en) t.a.v. regels - Artikel 1 Begrippen

3.1. Aanwijzing t.a.v. het begrip grondgebonden bedrijf

Artikel 1, inzake de definitie 'grondgebonden bedrijf', treedt de zinsnede 'melkveehouderij', niet in werking.

Motivering
Bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft de gemeenteraad besloten om aan het begrip grondgebonden bedrijf, in het ontwerpplan artikel 1.67, onder meer toe te voegen 'melkveehouderij'. Er is aldus sprake van een gewijzigd vastgesteld bestemmingsplan. Door de gewijzigde vaststelling zijn alle melkveehouderijen gedefinieerd als grondgebonden. Op basis van de regels van het ontwerpbestemmingsplan, de artikelen 3.7.4, 4.7.4 en 5.7.4, mogen bouwvlakken ten behoeve van deze bedrijven worden vergroot tot een omvang van maximaal 2 hectare.

Hoofdstuk 9 Vr- Intensieve veehouderij
Op grond van de Vr zijn melkveehouderijen doorgaans grondgebonden, maar er kunnen zich wel degelijk situaties voordoen dat sprake is van een intensieve veehouderij, bijvoorbeeld als het bedrijf niet beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare grond en/of met betrekking tot het voer niet afhankelijk is van het voortbrengende vermogen van de grond. De gewijzigde vaststelling heeft tot gevolg dat melkveebedrijven, die op grond van de Vr moeten worden gezien als intensieve veehouderij, op grond van het bestemmingsplan tot een omvang van 2 hectare vergroot kunnen worden.. Dat is in strijd met Hoofdstuk 9 van de Vr waarin is bepaald dat bouwblokken t.b.v. de intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden niet mogen worden vergroot en in verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden maximaal een omvang van 1,5 hectare kunnen hebben.

Hoofdstuk 4 Aanwijzing(-en) t.a.v. de regels voor de bestemming Agrarisch

4.1. Aanwijzing t.a.v. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak

De bepalingen in de regels voor de bestemming Agrarisch gericht op het realiseren van de volgende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak treden niet in werking:

  • paardenbakken
  • schuilgelegenheden voor vee
  • kleinschalige erfvoorzieningen, zoals kuilvoerplaten, bietenplaten en mestzakken

Motivering
De bepalingen in artikel 3 maken rechtstreeks de realisering van paardenbakken en de bouw van schuilgelegenheden mogelijk. In het ontwerpplan was dit opgenomen in artikellid 3.2.7 onder e, respectievelijk g. Ondanks onze zienswijze van 2012 is deze bouwmogelijkheid gehandhaafd in de planregels. In de Nota van Zienswijzen is opgenomen dat de mogelijkheden voor paardenbakken en schuilgelegenheden enkel worden verzwaard ten opzichte van het geldend bestemmingsplan.

Uit de Nota van Zienswijzen (onder nummer 222) volgt dat als aanvulling op de regels in het ontwerpbestemmingsplan in artikel 3.2.7 een regeling wordt opgenomen voor (tijdelijke) kleinschalige erfvoorzieningen zoals kuilvoerplaten, bietenplaten en mestzakken aansluitend aan het bouwvlak. Het bestemmingsplan is op dit onderdeel aldus gewijzigd vastgesteld. Dat deze voorzieningen 'tijdelijk' zouden zijn doet daar niets aan af, los van het feit dat niet nader is gedefinieerd wat onder 'tijdelijk' wordt verstaan. Bovendien zijn de vermelde erfvoorzieningen niet limitatief bepaald. Dat betekent dat ook andere, niet genoemde voorzieningen, buiten het bouwvlak worden gerealiseerd.

De gronden met de bestemming Agrarisch zijn in de Vr deels aangeduid als agrarisch gebied en deels als groenblauwe mantel.

Hoofdstuk 1 Vr
Voor beoordeling van deze bepaling is van belang, dat in artikel 1.1 onder 19 Vr een definitie is opgenomen van een bouwblok: aaneengesloten terrein waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere voorzieningen ten behoeve van eenzelfde bestemming worden geconcentreerd. Hieruit blijkt dat bovenstaande gebouwen en overige bouwwerken binnen een bouwvlak of detailbestemmingsvlak gerealiseerd dienen te worden.

Hoofdstuk 2 Vr
De planregels in 3.2.7 voor genoemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn in strijd met artikel 2.1, lid 2, onder a van de Vr. Daarin staat dat het principe van zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt dat bij een ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bouwwerken toestaat.
In paragraaf 2.2 van de toelichting bij de Vr staat onder meer dat voor het opnemen van een zorgplicht in de Vr is gekozen om gemeenten de vrijheid te geven om zelf te bepalen op welke wijze zij het belang van ruimtelijke kwaliteit behartigen. Zoals ook uit de uitspraak van de Afdeling (200907617/1/r3) blijkt, laat de bepaling in de Vr aan gemeenten dus gedragsalternatieven.
In het tweede lid van artikel 2.1 is echter aangegeven wat zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt. Hiermee is handen en voeten gegeven aan het provinciaal beleid ten aanzien van het tegengaan van verstening, verrommeling en concentratie van bebouwing en voorzieningen dat sinds jaar en dag geldt.

Bovendien maakt het plan het rechtstreeks mogelijk genoemde voorzieningen middels een omgevingsvergunning te realiseren. Aan deze mogelijkheid is weliswaar een aantal voorwaarden gekoppeld, maar dit kan desondanks leiden tot een forse toename van nieuwe versnipperde bebouwing binnen de gehele bestemming 'Agrarisch'. Zo betekent bij schuilgelegenheden de minimale oppervlakte van het daarbij behorende perceel van minimaal 1 ha dat talloze schuilgelegenheden worden opgericht. .

De wijze waarop de gemeenteraad middels een omgevingsvergunning het realiseren van de genoemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde heeft geregeld, achten wij dan ook in strijd met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 2.1 Vr.

Verder wordt niet voldaan aan de bepalingen van artikel 2.2 Vr. Op grond van dit artikel dient een ruimtelijke ontwikkeling gepaard te gaan met een aantoonbare verbetering van het landschap. Hiervan is in casu geen sprake.

Hoofdstuk 6 Vr
Het toelaten van voorzieningen als niet-hobbymatige paardenbakken en schuilgelegenheden buiten het bouwvlak is ook in strijd met hoofdstuk 6 van de Vr.

In artikel 6.4, lid 1 onder d en 6.5 onder e is namelijk bepaald dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf worden geconcentreerd binnen het bouwblok.

Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een bouwvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in artikel 6.5. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bouwvlak voor overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven in de groenblauwe mantel. Door het toelaten van de genoemde bouwwerken buiten het bouwvlak wordt aan overig niet-grondgebonden agrarische bedrijven indirect extra bouwmogelijkheden geboden.
Verder zijn geen regels opgenomen in het plan ter bescherming en versterking van de specifieke waarden van de groenblauwe mantel: een verbod of zelfs een afweging bij een ligging van een locatie in de groenblauwe mantel ontbreekt; ook is niet voldaan aan het vereiste van een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel.

Hoofdstuk 8 Vr
Het toelaten van voorzieningen als niet-hobbymatige paardenbakken en schuilgelegenheden buiten het bouwvlak is ook in strijd met hoofdstuk 8 van de Vr. In artikel 8.3, lid 1 onder d is namelijk bepaald dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf worden geconcentreerd binnen het bouwblok.

Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een bouwvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in artikel 8.4. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bouwvlak voor overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven in het agrarisch gebied. Door het toelaten van deze bouwwerken buiten het bouwvlak wordt aan overig niet-grondgebonden agrarische bedrijven indirect extra bouwmogelijkheden geboden.

Hoofdstuk 9 Vr
Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een bouwvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in de artikelen 9.2, 9.3 en 9.4. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bouwvlak voor een intensieve veehouderij. Door het toelaten van deze bouwwerken buiten het bouwvlak wordt intensieve veehouderijen indirect extra bouwmogelijkheden geboden. Wij achten ook dit in strijd met de Vr.

4.2. Aanwijzing t.a.v. huisvesting van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie

De regels bij de bestemming Agrarisch inzake huisvesting van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie treden niet in werking.

Motivering
De bepalingen in artikel 3, in het ontwerpplan artikel 3.5.9, bieden de mogelijkheid dat bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor de huisvesting van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie. Ondanks onze zienswijze van 2012 is deze mogelijkheid gehandhaafd in de planregels. In de Nota van Zienswijzen is opgenomen dat de voorwaarden de kans op zelfstandige bewoning beperken. Daarmee is niet ingegaan op onze zienswijze dat sprake kan zijn van zelfstandige bewoning.

Hoofdstuk 11 Vr
In artikel 11.1, lid 1 sub b van de Vr staat dat het bestemmingsplan regels stelt ter voorkoming van zelfstandige bewoning van onder meer bedrijfsgebouwen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen. In de planregels wordt permanente bewoning niet uitgesloten, niet is opgenomen dat sprake moet zijn van tijdelijke bewoning en ook de noodzaak van de bewoning voor het bedrijf ontbreekt. Tot slot constateren wij dat weliswaar sprake is van een maximale oppervlakte, maar dat alle kenmerkende woonvoorzieningen afzonderlijk zijn toegestaan. De regels zijn in strijd met de Vr.

4.3. Aanwijzing t.a.v. mestverwerking als nevenactiviteit

In de regels voor de bestemming Agrarisch treden de bepalingen inzake mestverwerking als nevenactiviteit niet in werking.

Motivering
De bepalingen in artikel 3, in het ontwerpplan artikel 3.5.6, boden onder voorwaarden de mogelijkheid tot kleinschalige mestverwerking in de vorm van een agrarisch verwant of een agrarisch-technisch hulpbedrijf. Gelet op de begripsbepalingen in de Vr sluit de Vr mestverwerking bij deze bedrijven uit. In onze zienswijze hebben wij uiteengezet dat voor het eigen (agrarisch) bedrijf mestverwerking is toegestaan maar dat het verwerken van mest van derden wordt gezien als een niet-agrarische activiteit. Op voorstel van het college van burgemeester en wethouders is het betreffende artikel gewijzigd vastgesteld in die zin dat nu sprake is van 'niet-agrarische nevenactiviteiten (artikel 3.5.7) met inachtname van de juiste milieucategorie (3)'. Er is aldus sprake van een gewijzigd vastgesteld planonderdeel.

Hoofdstuk 11 Vr
In artikel 11 van de Vr staan regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen. Dit hoofdstuk is tevens van toepassing op niet-agrarische ontwikkelingen binnen agrarische bouwblokken. Artikel 11.6, lid 1, onder c bepaalt echter dat de beoogde ontwikkeling niet mag leiden tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger. Wij achten de mogelijkheid voor niet-agrarische activiteiten in de milieucategorie 3 dan ook in strijd met de Vr.

4.4. Aanwijzing t.a.v. wijziging naar agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch- technisch hulpbedrijf

Waar de bestemming Agrarisch samenvalt met de groenblauwe mantel zoals opgenomen in de Vr treedt in de regels voor de bestemming Agrarisch niet in werking de regeling inzake de wijziging van de bestemming Agrarisch in de bestemming Bedrijf ten behoeve van hergebruik van een agrarisch bouwvlak voor een agrarisch-verwant bedrijf of agrarisch-technisch hulpbedrijf .

Motivering

Met betrekking tot de gronden en bouwvlakken die gelegen zijn in de groenblauwe mantel (hierna: GBM) hebben wij in onze zienswijze geconstateerd dat deze in het bestemmingsplan ook aanwezig zijn binnen de bestemming 'Agrarisch'.

In artikel 3, in het ontwerpplan artikel 3.7.8 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een agrarisch bouwvlak te wijzigen naar een agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch technisch bedrijf. De gemeente heeft in de Nota van zienswijzen opgenomen dat de planregels worden aangepast in die zin dat in de voorwaarden bij artikel 3.7.8 wordt bepaald dat bij omschakeling in de GBM deze gepaard moet gaan met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de betreffende groenblauwe mantel. Het bestemmingsplan is aldus gewijzigd vastgesteld. Deze gewijzigde vaststelling heeft echter niet het gevolg dat binnen de GBM een agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch- technisch hulpbedrijf worden uitgesloten.

Hoofdstuk 11 Vr
In artikel 11 van de Vr staan regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen. Dit hoofdstuk is tevens van toepassing op niet-agrarische ontwikkelingen binnen agrarische bouwblokken. Artikel 11.6, lid 1, onder c bepaalt dat de beoogde ontwikkeling niet mag leiden tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger en een bouwvlak met een omvang van meer dan 5000 m2. In de voornoemde artikelen worden deze voorwaarden ten aanzien van ontwikkelingen in de GBM gemist. Hierdoor ontstaat strijd met artikel 11. 6 van de Vr. Artikel 11.7 van de Vr kent weliswaar afwijkende regels voor een agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch- technisch hulpbedrijf maar deze regels zijn niet van toepassing in de GBM. Hierdoor ontstaat strijd met artikel 11.6 van de Vr.

Hoofdstuk 5 Aanwijzing(-en) t.a.v. de regels voor de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

5.1. Aanwijzing t.a.v. gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak

De bepalingen in de regels voor de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden, gericht op het realiseren van de volgende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak treden niet in werking:

  • paardenbakken
  • schuilgelegenheden voor vee
  • kleinschalige erfvoorzieningen, zoals kuilvoerplaten, bietenplaten en mestzakken

Motivering
De bepalingen in artikel 4 maken rechtstreeks de realisering van paardenbakken en de bouw van schuilgelegenheden mogelijk. In het ontwerpplan was dit opgenomen in artikellid 4.2.7 onder e, respectievelijk f. Ondanks onze zienswijze van 2012 is deze bouwmogelijkheid gehandhaafd in de planregels. In de Nota van Zienswijzen is opgenomen dat de mogelijkheden voor paardenbakken en schuilgelegenheden enkel worden verzwaard ten opzichte van het geldend bestemmingsplan.

Uit de Nota van Zienswijzen (onder nummer 222) volgt dat als aanvulling op de regels in het ontwerpbestemmingsplan in artikel 4.2.7 een regeling wordt opgenomen voor (tijdelijke) kleinschalige erfvoorzieningen zoals kuilvoerplaten, bietenplaten en mestzakken aansluitend aan het bouwvlak. Het bestemmingsplan is op dit onderdeel aldus gewijzigd vastgesteld. Dat deze voorzieningen 'tijdelijk' zouden zijn doet daar niets aan af, los van het feit dat niet nader is gedefinieerd wat onder 'tijdelijk' wordt verstaan. Bovendien zijn de vermelde erfvoorzieningen niet limitatief bepaald. Dat betekent dat ook andere, niet genoemde voorzieningen, buiten het bouwvlak worden gerealiseerd.

De gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden zijn in de Vr deels aangeduid als agrarisch gebied en deels als groenblauwe mantel.

Hoofdstuk 1 Vr
Voor beoordeling van deze bepaling is van belang, dat in artikel 1.1 onder 19 Vr een definitie is opgenomen van een bouwblok: aaneengesloten terrein waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere voorzieningen ten behoeve van eenzelfde bestemming worden geconcentreerd. Hieruit blijkt dat bovenstaande gebouwen en overige bouwwerken binnen een bouwvlak of detailbestemmingsvlak gerealiseerd dienen te worden.

Hoofdstuk 2 Vr
De planregels in 4.2.7 voor genoemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn in strijd met artikel 2.1, lid 2, onder a van de Vr. Daarin staat dat het principe van zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt dat bij een ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bouwwerken toestaat.
In paragraaf 2.2 van de toelichting bij de Vr staat onder meer dat voor het opnemen van een zorgplicht in de Vr is gekozen om gemeenten de vrijheid te geven om zelf te bepalen op welke wijze zij het belang van ruimtelijke kwaliteit behartigen. Zoals ook uit de uitspraak van de Afdeling (200907617/1/r3) blijkt, laat de bepaling in de Vr aan gemeenten dus gedragsalternatieven.
In het tweede lid van artikel 2.1 is echter aangegeven wat zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt. Hiermee is handen en voeten gegeven aan het provinciaal beleid ten aanzien van het tegengaan van verstening, verrommeling en concentratie van bebouwing en voorzieningen dat sinds jaar en dag geldt.

Bovendien maakt het plan het rechtstreeks mogelijk genoemde voorzieningen middels een omgevingsvergunning te realiseren. Aan deze mogelijkheid is weliswaar een aantal voorwaarden gekoppeld, maar dit kan desondanks leiden tot een forse toename van nieuwe versnipperde bebouwing binnen de gehele bestemming 'Agrarisch'. Zo betekent bij schuilgelegenheden de minimale oppervlakte van het daarbij behorende perceel van minimaal 1 ha dat talloze schuilgelegenheden worden opgericht.

De wijze waarop de gemeenteraad middels een omgevingsvergunning het realiseren van de genoemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde heeft geregeld, achten wij dan ook in strijd met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 2.1 Vr.

Verder wordt niet voldaan aan de bepalingen van artikel 2.2 Vr. Op grond van dit artikel dient een ruimtelijke ontwikkeling gepaard te gaan met een aantoonbare verbetering van het landschap. Hiervan is in casu geen sprake.

Hoofdstuk 6 Vr
Het toelaten van voorzieningen als niet-hobbymatige paardenbakken en schuilgelegenheden buiten het bouwvlak is ook in strijd met hoofdstuk 6 van de Vr.

In artikel 6.4, lid 1 onder d en 6.5 onder e is namelijk bepaald dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf worden geconcentreerd binnen het bouwblok.

Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een bouwvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in artikel 6.5. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bouwvlak voor overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven in de groenblauwe mantel. Door het toelaten van de genoemde bouwwerken buiten het bouwvlak wordt aan overig niet-grondgebonden agrarische bedrijven indirect extra bouwmogelijkheden geboden.
Verder zijn geen regels opgenomen in het plan ter bescherming en versterking van de specifieke waarden van de groenblauwe mantel: een verbod of zelfs een afweging bij een ligging van een locatie in de groenblauwe mantel ontbreekt; ook is niet voldaan aan het vereiste van een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel.

Hoofdstuk 8 Vr
Het toelaten van voorzieningen als niet-hobbymatige paardenbakken en schuilgelegenheden buiten het bouwvlak is ook in strijd met hoofdstuk 8 van de Vr. In artikel 8.3, lid 1 onder d is namelijk bepaald dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf worden geconcentreerd binnen het bouwblok.

Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een bouwvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in artikel 8.4. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bouwvlak voor overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven in het agrarisch gebied. Door het toelaten van deze bouwwerken buiten het bouwvlak wordt aan overig niet-grondgebonden agrarische bedrijven indirect extra bouwmogelijkheden geboden.

Hoofdstuk 9 Vr
Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een bouwvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in de artikelen 9.2, 9.3 en 9.4. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bouwvlak voor een intensieve veehouderij. Door het toelaten van deze bouwwerken buiten het bouwvlak wordt intensieve veehouderijen indirect extra bouwmogelijkheden geboden. Wij achten ook dit in strijd met de Vr.

5.2. Aanwijzing t.a.v. teeltondersteunende kassen in de groenblauwe mantel

Waar de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden samenvalt met de groenblauwe mantel in de Vr, treden de regels inzake teeltondersteunende kassen treden niet in werking.

Motivering
Hoofdstuk 1 Vr Algemene bepalingen
Voor beoordeling van het bestemmingsplan is de begripsbepaling in artikel 1.1 van de Vr van belang:

  • permanente teeltondersteunende voorziening: teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas.

Hoofdstuk 6 Vr Groenblauwe mantel
De ontwikkelruimte voor grondgebonden agrarische bedrijven in de groenblauwe mantel is opgenomen in artikel 6.4 van de Vr. In dit artikel is in het tweede lid opgesomd waarin een bestemmingsplan binnen het bouwblok kan voorzien. Hierin worden permanente teeltondersteunende voorzieningen genoemd, maar daar vallen op grond van de begripsbepalingen kassen niet onder. En anders dan in artikel 8.3, de vergelijkbare regels voor agrarisch gebied, zijn kassen niet genoemd in de opsomming.

Gelet op de systematiek is de bouw van kassen binnen bouwvlakken gelegen in de groenblauwe mantel niet toegestaan.

Verder bepaalt artikel 6.4 dat een ontwikkeling gepaard moet gaan met een versterking van de onderkende waarden in het gebied. Hiervan is in de regels geen sprake.

5.3. Aanwijzing t.a.v. huisvesting van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie

De regels bij de bestemming Agrarisch inzake huisvesting van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie treden niet in werking.

Motivering
De bepalingen in artikel 4, in het ontwerpplan artikel 4.5.9, bieden de mogelijkheid dat bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor de huisvesting van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie. Ondanks onze zienswijze van is deze mogelijkheid gehandhaafd in de planregels. In de Nota van Zienswijzen is opgenomen dat de voorwaarden de kans op zelfstandige bewoning beperken. Daarmee is niet ingegaan op onze zienswijze dat sprake kan zijn van zelfstandige bewoning.

Hoofdstuk 11 Vr
In artikel 11.1, lid 1 sub b van de Vr staat dat het bestemmingsplan regels stelt ter voorkoming van zelfstandige bewoning van onder meer bedrijfsgebouwen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen. In de planregels wordt permanente bewoning niet uitgesloten, niet is opgenomen dat sprake moet zijn van tijdelijke bewoning en ook de noodzaak van de bewoning voor het bedrijf ontbreekt. Tot slot constateren wij dat weliswaar sprake is van een maximale oppervlakte, maar dat alle kenmerkende woonvoorzieningen afzonderlijk zijn toegestaan. De regels zijn in strijd met de Vr.

5.4. Aanwijzing t.a.v. mestverwerking als nevenactiviteit

In de regels voor de bestemming Agrarisch met waarden - landschapswaarden treden de bepalingen inzake mestverwerking als nevenactiviteit niet in werking.

Motivering
De bepalingen in artikel 4, in het ontwerpplan artikel 4.5.6, boden onder voorwaarden de mogelijkheid tot kleinschalige mestverwerking in de vorm van een agrarisch verwant of een agrarisch-technisch hulpbedrijf. De Vr sluit mestverwerking bij deze bedrijven uit. In onze zienswijze hebben wij uiteengezet dat voor het eigen (agrarisch) bedrijf mestverwerking is toegestaan maar dat het verwerken van mest van derden wordt gezien als een niet-agrarische activiteit. Op voorstel van het college van burgemeester en wethouders is het desbetreffende artikel gewijzigd vastgesteld in die zin dat nu sprake is van “niet-agrarische nevenactiviteiten met in acht name van de juiste milieucategorie (3)”. Er is aldus sprake van een gewijzigd vastgesteld planonderdeel.

Hoofdstuk 11 Vr
In artikel 11 van de Vr staan regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen. Dit hoofdstuk is tevens van toepassing op niet-agrarische ontwikkelingen binnen agrarische bouwblokken. Artikel 11.6, lid 1, onder c bepaalt echter dat de beoogde ontwikkeling niet mag leiden tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger. Wij achten de mogelijkheid voor niet-agrarische activiteiten in de milieucategorie 3 dan ook in strijd met de Vr.

5.5. Aanwijzing t.a.v. wijziging naar agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch- technisch hulpbedrijf

Waar de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden samenvalt met de groenblauwe mantel zoals opgenomen in de Vr treedt in de regels voor de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden niet in werking de regeling inzake de wijziging van de bestemming Agrarisch met waarden - landschapswaarden in de bestemming Bedrijf ten behoeve van hergebruik van een agrarisch bouwvlak voor een agrarisch-verwant bedrijf of agrarisch-technisch hulpbedrijf.

Motivering

Met betrekking tot de gronden en bouwvlakken die gelegen zijn in de Groenblauwe mantel (hierna: GBM) hebben wij in onze zienswijze geconstateerd dat deze in het bestemmingsplan ook aanwezig zijn binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden-Landschapswaarden'. In artikel 4, in het ontwerpplan artikel 4.7.9, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een agrarisch bouwvlak te wijzigen naar een agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch technisch bedrijf. De gemeente heeft in de Nota van zienswijzen opgenomen dat de planregels worden aangepast in die zin dat in de voorwaarden bij artikel 4.7.9 wordt bepaald dat bij omschakeling in de GBM deze gepaard moet gaan met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de betreffende groenblauwe mantel. Het bestemmingsplan is aldus gewijzigd vastgesteld. Deze gewijzigde vaststelling heeft echter niet het gevolg dat binnen de GBM een agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch- technisch hulpbedrijf worden uitgesloten.

Hoofdstuk 11 Vr
In artikel 11 van de Vr staan regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen. Dit hoofdstuk is tevens van toepassing op niet-agrarische ontwikkelingen binnen agrarische bouwblokken. Artikel 11.6, lid 1, onder c bepaalt dat de beoogde ontwikkeling niet mag leiden tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger en een bouwvlak met een omvang van meer dan 5000 m2. In de voornoemde artikelen worden deze voorwaarden ten aanzien van ontwikkelingen in de GBM gemist. Hierdoor ontstaat strijd met artikel 11. 6 van de Vr. Artikel 11.7 van de Vr kent weliswaar afwijkende regels voor een agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch- technisch hulpbedrijf maar deze regels zijn niet van toepassing in de GBM. Hierdoor ontstaat strijd met artikel 11.6 van de Vr.

5.6. Aanwijzing t.a.v. vergroten van een bouwblok voor een glastuinbouwbedrijf

In de regels voor de bestemming Agrarisch met waarden - landschapswaarden treden de bepalingen inzake het vergroten van een glastuinbouwbedrijf niet in werking voor de bouwvlakken gelegen aan Spoordonkseweg 66 en Spoordonkseweg 52.

Motivering
De bepalingen in artikel 4, in het ontwerpplan artikel 4.7.4, lid a sub 3, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de vergroting van een glastuinbouwbedrijf, waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 4 ha., waarvan de netto glasopstand niet meer mag bedragen dan 3 ha. In de nota van zienswijzen merkt de gemeente op dat er geen glastuinbouwbedrijven zijn gelegen binnen de Groenblauwe mantel (hierna: GBM). De gemeente gaat daarbij voorbij aan het feit dat enkele bedrijven grenzen aan de GBM waardoor het wel degelijk mogelijk wordt binnen de GBM uit te breiden en kassen op te richten.

Hoofdstuk 10 Vr
Op grond van artikel 10.4 van de Vr kunnen bestaande glastuinbouwbedrijven buiten de daarvoor aangewezen gebieden uitbreiden tot ten hoogste 3 ha netto glas, mits het bestemmingsplan is gelegen in agrarisch gebied. Uitbreiding in GBM is echter niet toegestaan. Nu de GBM zich uitstrekt binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden-landschapswaarden' is artikel 4.7.4 lid a sub 3 in strijd zijn met artikel 10.4 van de Vr ter plaatse van de groenblauwe mantel grenzend aan de bouwblokken Spoordonkseweg 52 en 66.

Hoofdstuk 6 Aanwijzing(-en) t.a.v. de regels voor de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden

6.1. Aanwijzing t.a.v. gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak

De bepalingen in de regels voor de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden, gericht op het realiseren van de volgende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak treden niet in werking:

  • paardenbakken
  • schuilgelegenheden voor vee
  • kleinschalige erfvoorzieningen, zoals kuilvoerplaten, bietenplaten en mestzakken

Motivering
De bepalingen in artikel 5 maken rechtstreeks de realisering van paardenbakken en de bouw van schuilgelegenheden mogelijk. In het ontwerpplan was dit opgenomen in artikellid 5.2.7 onder c, respectievelijk 5.3.2. Ondanks onze zienswijze van 2012 is deze bouwmogelijkheid gehandhaafd in de planregels. In de Nota van Zienswijzen is opgenomen dat de mogelijkheden voor paardenbakken en schuilgelegenheden enkel worden verzwaard ten opzichte van het geldend bestemmingsplan.

Uit de Nota van Zienswijzen (onder nummer 222) volgt dat als aanvulling op de regels in het ontwerpbestemmingsplan in artikel 5.2.7 een regeling wordt opgenomen voor (tijdelijke) kleinschalige erfvoorzieningen zoals kuilvoerplaten, bietenplaten en mestzakken aansluitend aan het bouwvlak. Het bestemmingsplan is op dit onderdeel aldus gewijzigd vastgesteld. Dat deze voorzieningen 'tijdelijk' zouden zijn doet daar niets aan af, los van het feit dat niet nader is gedefinieerd wat onder 'tijdelijk' wordt verstaan. Bovendien zijn de vermelde erfvoorzieningen niet limitatief bepaald. Dat betekent dat ook andere, niet genoemde voorzieningen, buiten het bouwvlak worden gerealiseerd.

De gronden met de bestemming Agrarisch zijn in de Vr voor een klein deel aangeduid als agrarisch gebied, maar vallen vooral samen met de ecologische hoofdstructuur en de groenblauwe mantel.

Hoofdstuk 1 Vr
Voor beoordeling van deze bepaling is van belang, dat in artikel 1.1 onder 19 Vr een definitie is opgenomen van een bouwblok: aaneengesloten terrein waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere voorzieningen ten behoeve van eenzelfde bestemming worden geconcentreerd. Hieruit blijkt dat bovenstaande gebouwen en overige bouwwerken binnen een bouwvlak of detailbestemmingsvlak gerealiseerd dienen te worden.

Hoofdstuk 2 Vr
De planregels in 4.2.7 voor genoemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn in strijd met artikel 2.1, lid 2, onder a van de Vr. Daarin staat dat het principe van zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt dat bij een ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bouwwerken toestaat.
In paragraaf 2.2 van de toelichting bij de Vr staat onder meer dat voor het opnemen van een zorgplicht in de Vr is gekozen om gemeenten de vrijheid te geven om zelf te bepalen op welke wijze zij het belang van ruimtelijke kwaliteit behartigen. Zoals ook uit de uitspraak van de Afdeling (200907617/1/r3) blijkt, laat de bepaling in de Vr aan gemeenten dus gedragsalternatieven.
In het tweede lid van artikel 2.1 is echter aangegeven wat zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval inhoudt. Hiermee is handen en voeten gegeven aan het provinciaal beleid ten aanzien van het tegengaan van verstening, verrommeling en concentratie van bebouwing en voorzieningen dat sinds jaar en dag geldt.

Bovendien maakt het plan het rechtstreeks mogelijk genoemde voorzieningen middels een omgevingsvergunning te realiseren. Aan deze mogelijkheid is weliswaar een aantal voorwaarden gekoppeld, maar dit kan desondanks leiden tot een forse toename van nieuwe versnipperde bebouwing binnen de gehele bestemming 'Agrarisch'. Zo betekent bij schuilgelegenheden de minimale oppervlakte van het daarbij behorende perceel van minimaal 1 ha dat talloze schuilgelegenheden worden opgericht.

De wijze waarop de gemeenteraad middels een omgevingsvergunning het realiseren van de genoemde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde heeft geregeld, achten wij dan ook in strijd met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in artikel 2.1 Vr.

Verder wordt niet voldaan aan de bepalingen van artikel 2.2 Vr. Op grond van dit artikel dient een ruimtelijke ontwikkeling gepaard te gaan met een aantoonbare verbetering van het landschap. Hiervan is in casu geen sprake.

Hoofdstuk 4 Vr
Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in de ecologische hoofdstructuur moet voorzien in de bescherming van de ecologische hoofdstructuur. Met het rechtstreeks toelaten van de allerlei gebouwen en bouwwerken in de ecologische hoofdstructuur is daar uiteraard geen sprake van.

Hoofdstuk 6 Vr
Het toelaten van voorzieningen als niet-hobbymatige paardenbakken en schuilgelegenheden buiten het bouwvlak is ook in strijd met hoofdstuk 6 van de Vr.

In artikel 6.4, lid 1 onder d en 6.5 onder e is namelijk bepaald dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf worden geconcentreerd binnen het bouwblok.

Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een bouwvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in artikel 6.5. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bouwvlak voor overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven in de groenblauwe mantel. Door het toelaten van de genoemde bouwwerken buiten het bouwvlak wordt aan overig niet-grondgebonden agrarische bedrijven indirect extra bouwmogelijkheden geboden.
Verder zijn geen regels opgenomen in het plan ter bescherming en versterking van de specifieke waarden van de groenblauwe mantel: een verbod of zelfs een afweging bij een ligging van een locatie in de groenblauwe mantel ontbreekt; ook is niet voldaan aan het vereiste van een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel.

Hoofdstuk 8 Vr
Het toelaten van voorzieningen als niet-hobbymatige paardenbakken en schuilgelegenheden buiten het bouwvlak is ook in strijd met hoofdstuk 8 van de Vr. In artikel 8.3, lid 1 onder d is namelijk bepaald dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf worden geconcentreerd binnen het bouwblok.

Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een bouwvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in artikel 8.4. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bouwvlak voor overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven in het agrarisch gebied. Door het toelaten van deze bouwwerken buiten het bouwvlak wordt aan overig niet-grondgebonden agrarische bedrijven indirect extra bouwmogelijkheden geboden.

Hoofdstuk 9 Vr
Het gegeven dat alle voorzieningen binnen een bouwvlak dienen te worden ondergebracht is ook relevant voor de bepalingen in de artikelen 9.2, 9.3 en 9.4. Hierin zijn immers regels opgenomen voor de maximum omvang van een bouwvlak voor een intensieve veehouderij. Door het toelaten van deze bouwwerken buiten het bouwvlak wordt intensieve veehouderijen indirect extra bouwmogelijkheden geboden. Wij achten ook dit in strijd met de Vr.

6.2. Aanwijzing t.a.v. teeltondersteunende kassen in de groenblauwe mantel

Waar de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden samenvalt met de groenblauwe mantel in de Vr, treden de regels inzake teeltondersteunende kassen treden niet in werking.

Motivering
Hoofdstuk 1 Vr Algemene bepalingen
Voor beoordeling van het bestemmingsplan is de begripsbepaling in artikel 1.1 van de Vr van belang:

  • permanente teeltondersteunende voorziening: teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas.

Hoofdstuk 6 Vr Groenblauwe mantel
De ontwikkelruimte voor grondgebonden agrarische bedrijven in de groenblauwe mantel is opgenomen in artikel 6.4 van de Vr. In dit artikel is in het tweede lid opgesomd waarin een bestemmingsplan binnen het bouwblok kan voorzien. Hierin worden permanente teeltondersteunende voorzieningen genoemd, maar daar vallen op grond van de begripsbepalingen kassen niet onder. En anders dan in artikel 8.3, de vergelijkbare regels voor agrarisch gebied, zijn kassen niet genoemd in de opsomming.

Gelet op de systematiek is de bouw van kassen binnen bouwvlakken gelegen in de groenblauwe mantel niet toegestaan.

Verder bepaalt artikel 6.4 dat een ontwikkeling gepaard moet gaan met een versterking van de onderkende waarden in het gebied. Hiervan is in de regels geen sprake.

6.3. Aanwijzing t.a.v. teeltondersteunende kassen in de ecologische hoofdstructuur

Waar de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden samenvalt met de ecologische hoofdstructuur in de Vr, treden de regels inzake teeltondersteunende kassen treden niet in werking.

Motivering
De bepalingen in artikel 5, in het ontwerpplan artikel 5.2.3, lid b, bieden de mogelijkheid om teeltondersteunende kassen tot 5000 m2 op te richten binnen de desbetreffende bouwblokken.

In onze zienswijze hebben wij ter bescherming van de Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) het volgende opgemerkt. “De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' (artikel 5) zijn ingevolge de Vr gelegen in de groenblauwe mantel (hierna GBM) en in de EHS. Wij constateren dat de bestemming 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' en daarbij behorende flexibiliteitsbepalingen onvoldoende de provinciale belangen in de EHS borgen en beschermen. Binnen deze bestemming zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die zich niet verhouden met de aanwezige EHS. Indien er wel ruimtelijke ontwikkelingen worden overwogen, dient een procedure tot herbegrenzing van de EHS gevolgd te worden. Derhalve achten wij artikel 5 van het bestemmingsplan voor wat betreft de gebieden die zijn gelegen in de EHS in strijd met artikel 4.2 van de Vr.
In de nota van zienswijze staat dat er aan de flexibiliteitsbepalingen onder omgevingswaarden de volgende zinsnede wordt toegevoegd: “waarbij er geen aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS plaats mag vinden”. Het betreft hier echter een rechtstreekse bouwmogelijkheid waarop deze bepaling geen betrekking heeft.

Hoofdstuk 4 Vr –Bescherming van de Ecologische hoofdstructuur
Artikel 4.2 stelt regels ter bescherming van de Ecologische hoofdstructuur (EHS). De in het plan opgenomen mogelijkheid om teeltondersteunende kassen tot 5000 m2 binnen de EHS (zie genoemde bouwblokken) op te richten strekt niet tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied.

6.4. Aanwijzing t.a.v. verplaatsbare hokken voor scharrelvarkens INGETROKKEN

6.5. Aanwijzing t.a.v. huisvesting van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie

De regels bij de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden inzake huisvesting van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie treden niet in werking.

Motivering
De bepalingen in artikel 5, in het ontwerpplan artikel 5.5.9, bieden de mogelijkheid dat bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor de huisvesting van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie. Ondanks onze zienswijze van is deze mogelijkheid gehandhaafd in de planregels. In de Nota van Zienswijzen is opgenomen dat de voorwaarden de kans op zelfstandige bewoning beperken. Daarmee is niet ingegaan op onze zienswijze dat sprake kan zijn van zelfstandige bewoning.

Hoofdstuk 11 Vr
In artikel 11.1, lid 1 sub b van de Vr staat dat het bestemmingsplan regels stelt ter voorkoming van zelfstandige bewoning van onder meer bedrijfsgebouwen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen. In de planregels wordt permanente bewoning niet uitgesloten, niet is opgenomen dat sprake moet zijn van tijdelijke bewoning en ook de noodzaak van de bewoning voor het bedrijf ontbreekt. Tot slot constateren wij dat weliswaar sprake is van een maximale oppervlakte, maar dat alle kenmerkende woonvoorzieningen afzonderlijk zijn toegestaan. De regels zijn in strijd met de Vr.

6.6. Aanwijzing t.a.v. wijziging naar agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf en niet agrarisch ambachtelijk bedrijf

Waar bouwvlakken in de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden samenvallen met de ecologische hoofdstructuur zoals opgenomen in de Vr, treden de regels van genoemde bestemming, inzake de wijziging naar agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf en niet agrarisch ambachtelijk bedrijf niet in werking.

Motivering
De bepalingen in artikel 5, in het ontwerpplan de artikelen 5.7.9 en 5.7.10, inzake de wijziging naar agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf en niet agrarisch ambachtelijk bedrijf treden bieden de mogelijkheid om een agrarisch bouwblok te hergebruiken voor een agrarisch verwant of agrarisch technisch hulpbedrijf en/of een niet-agrarisch ambachtelijk bedrijf.

In onze zienswijze hebben wij ter bescherming van de Ecologische hoofdstructuur (EHS) het volgende opgemerkt. “De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' (artikel 5) zijn ingevolge de Vr gelegen in de groenblauwe mantel en in de EHS. Wij constateren dat de bestemming 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' en daarbij behorende flexibiliteitsbepalingen onvoldoende de provinciale belangen in de EHS borgen en beschermen. Binnen deze bestemming zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die zich niet verhouden met de aanwezige EHS. Indien er wel ruimtelijke ontwikkelingen worden overwogen, dient een procedure tot herbegrenzing van de EHS gevolgd te worden. Derhalve achten wij artikel 5 van het bestemmingsplan voor wat betreft de gebieden die zijn gelegen in de EHS in strijd met artikel 4.2 van de Vr.

In de nota van zienswijze staat dat er aan de flexibiliteitsbepalingen de volgende zinsnede wordt toegevoegd: “waarbij er geen aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS plaats mag vinden”. De Vr biedt evenwel in het geheel geen mogelijkheid voor deze voor vormen van bedrijfsactiviteiten.

Hoofdstuk 4 Vr –Bescherming van de Ecologische hoofdstructuur
Artikel 4.2 stelt regels ter bescherming van de EHS. De in het plan opgenomen mogelijkheden om binnen de EHS een agrarisch verwant of agrarisch-technisch hulpbedrijf en/of een niet-agrarisch ambachtelijk bedrijf te realiseren, strekken niet tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied.

Hoofdstuk 11.6 en 11.7 - Regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen
De regels met betrekking tot de mogelijkheden om niet-agrarische activiteiten te realiseren zijn niet van toepassing op de EHS. De in het plan opgenomen mogelijkheid om binnen de EHS een agrarisch verwant of agrarisch-technisch hulpbedrijf en/of een niet-agrarisch ambachtelijk bedrijf te realiseren is in strijd met de Vr.

6.7. Aanwijzing t.a.v. nevenactiviteit in de vorm van agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf en niet agrarisch ambachtelijk bedrijf

Waar bouwvlakken in de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden samenvallen met de ecologische hoofdstructuur zoals opgenomen in de Vr, treden de regels van genoemde bestemming, inzake nevenactiviteiten in de van agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf en niet-agrarisch ambachtelijk bedrijf, niet in werking.

Motivering
De bepalingen in artikel 5, in het ontwerpplan de artikelen 5.5.6 en 5.5.7, bieden de mogelijkheid om als nevenactiviteit een agrarisch verwant of agrarisch technisch hulpbedrijf en/of een niet-agrarisch ambachtelijk bedrijf te realiseren.

In onze zienswijze hebben wij ter bescherming van de Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) het volgende opgemerkt. “De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' (artikel 5) zijn ingevolge de Vr gelegen in de groenblauwe mantel en in de EHS. Wij constateren dat de bestemming 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' en daarbij behorende flexibiliteitsbepalingen onvoldoende de provinciale belangen in de EHS borgen en beschermen. Binnen deze bestemming zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die zich niet verhouden met de aanwezige EHS. Indien er wel ruimtelijke ontwikkelingen worden overwogen, dient een procedure tot herbegrenzing van de EHS gevolgd te worden. Derhalve achten wij artikel 5 van het bestemmingsplan voor wat betreft de gebieden die zijn gelegen in de EHS in strijd met artikel 4.2 van de Vr.

In de nota van zienswijze staat dat er aan de flexibiliteitsbepalingen de volgende zinsnede wordt toegevoegd: “waarbij er geen aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS plaats mag vinden”. De Vr biedt evenwel geheel geen mogelijkheid voor deze voor vormen van bedrijfsactiviteiten in de EHS.

Hoofdstuk 4 Vr –Bescherming van de Ecologische hoofdstructuur
Artikel 4.2 stelt regels ter bescherming van de EHS. De in het plan opgenomen mogelijkheden om binnen de EHS als nevenactiviteit een agrarisch verwant of agrarisch technisch hulpbedrijf en/of een niet-agrarisch ambachtelijk bedrijf te realiseren strekken niet tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied.

Hoofdstuk 11.6 en 11.7 - regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen
De regels met betrekking tot de mogelijkheden om niet-agrarische activiteiten te realiseren zijn niet van toepassing op de EHS. De in het plan opgenomen mogelijkheid om binnen de EHS als nevenactiviteit een agrarisch verwant of agrarisch technisch hulpbedrijf en/of een niet-agrarisch ambachtelijk bedrijf te realiseren is in strijd met de Vr.

6.8. Aanwijzing t.a.v. het vergroten of vormverandering van een agrarisch bouwblok

Waar de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden samenvalt met de ecologische hoofdstructuur in de Vr, treden de regels inzake het vergroten of vormveranderen van een agrarisch bouwblok niet in werking.

Motivering
De bepalingen in artikel 5, in het ontwerpplan de artikelen 5.7.4 , 5.7.5 en 5.7.6, bieden de mogelijkheid om een agrarisch bouwblok te vergroten, onder meer voor permanente teeltondersteunende voorzieningen, dan wel van vorm te veranderen. In onze zienswijze hebben wij ter bescherming van de Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) het volgende opgemerkt. “De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' (artikel 5) zijn ingevolge de Vr gelegen in de groenblauwe mantel en in de EHS. Wij constateren dat de bestemming 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' en daarbij behorende flexibiliteitsbepalingen onvoldoende de provinciale belangen in de EHS borgen en beschermen. Binnen deze bestemming zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die zich niet verhouden met de aanwezige EHS. Indien er wel ruimtelijke ontwikkelingen worden overwogen, dient een procedure tot herbegrenzing van de EHS gevolgd te worden. Derhalve achten wij artikel 5 van het bestemmingsplan voor wat betreft de gebieden die zijn gelegen in de EHS in strijd met artikel 4.2 van de Vr. In de nota van zienswijze staat dat er aan de flexibiliteitsbepalingen aan omgevingswaarden de volgende zinsnede wordt toegevoegd: “waarbij er geen aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS plaats mag vinden”. Daarmee wordt echter niet voldaan aan de zienswijze dat eerst een herbegrenzing dient plaats te vinden alvorens aantasting kan/mag plaatsvinden. Door het vergroten of het veranderen van de vorm van een bouwblok binnen de EHS is sprake van en aantasting van de EHS. Bovendien is in de regeling geen regeling opgenomen voor de vereiste compensatie.

Hoofdstuk 4 Vr –Bescherming van de Ecologische hoofdstructuur
Artikel 4.2 stelt regels ter bescherming van de Ecologische hoofdstructuur (EHS). De in het plan opgenomen mogelijkheden om binnen de EHS agrarische bouwblokken te vergroten, onder meer voor permanente teeltondersteunende voorzieningen, dan wel van vorm te veranderen strekken niet tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied.

6.9. Aanwijzing t.a.v. vergroten van een bouwblok voor een glastuinbouwbedrijf

In de regels voor de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden treden de bepalingen inzake het vergroten van een glastuinbouwbedrijf niet in werking voor het bouwvlak Molenbroekseweg 2.

Motivering
De bepalingen in artikel 5, in het ontwerpplan artikel 5.7.4, lid a sub 3, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de vergroting van een glastuinbouwbedrijf met 15%, waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 4 ha. waarvan de netto glasopstand niet meer mag bedragen dan 3 ha.

In de Nota van Zienswijzen merkt de gemeente op dat er geen glastuinbouwbedrijven zijn gelegen binnen de Groenblauwe mantel (hierna GBM). De gemeente gaat daarbij voorbij aan het feit dat het bedrijf aan de Molenbroekseweg 2 geheel is gelegen binnen de GBM waardoor het wel degelijk mogelijk wordt binnen de GBM uit te breiden en kassen op te richten. Bovendien is deze bepaling in strijd met het bepaalde in artikel 5.7.4., lid c, die vergroting van het agrarisch bouwblok ten behoeve van glastuinbouw uitsluit.

Hoofdstuk 10 Vr
Op grond van artikel 10.4 van de Vr kunnen bestaande glastuinbouwbedrijven buiten de daarvoor aangewezen gebieden uitbreiden tot ten hoogste 3 ha netto glas, mits het bestemmingsplan is gelegen in agrarisch gebied. Uitbreiding in de GBM is echter niet toegestaan. Nu de GBM zich uitstrekt binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden-Natuur- en landschapswaarden' is artikel 5.7.4, lid a sub 3 in strijd met artikel 10.4 van de Vr.