direct naar inhoud van
Plan: Reactieve aanwijzing tav Buitengebied 3e herziening Moerdijk
Status: vastgesteld
Plantype: reactieve aanwijzing
IMRO-idn: NL.IMRO.9930.ra1709bgMoer3e-va01

Hoofdstuk 1 Inleiding

Op 13 mei 2013 hebben wij het besluit van 25 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied, 3e herziening ontvangen. Tevens zijn de verbeelding, toelichting, regels, het bijlagenboek en de Nota van zienswijzen aangeboden. Gelet op de provinciale belangen die in het geding zijn, vinden wij het noodzakelijk overeenkomstig artikel 3.8 lid 6 Wet ruimtelijke ordening een aanwijzing te geven tegen dit plan. De aan dit besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die ons beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan ons toekomende bevoegdheden te beschermen, geven wij hieronder weer.

Gevolg reactieve aanwijzing
Dit aanwijzingsbesluit strekt ertoe dat het onderdeel van het bestemmingsplan waartegen van onze zijde bezwaren bestaan geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. In verband hiermee dienen burgemeester en wethouders het besluit van 25 april 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan 'Buitengebied, 3e herziening' met uitsluiting van het onderdeel waarop de aanwijzing betrekking heeft samen met dit aanwijzingsbesluit bekend te maken. Ons besluit treedt op het moment van de bekendmaking in werking. Zodra ons aanwijzingsbesluit onherroepelijk is geworden, vervalt het vaststellingsbesluit voor dat onderdeel van het bestemmingsplan.

Inzet aanwijzingsbevoegdheid
Conform het bepaalde in de wet is een afweging vereist waarom het provinciaal belang niet met de inzet van andere aan ons toekomende instrumenten is beschermd.

In dit verband heeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 vast gelegd in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening en de te beschermen provinciaal ruimtelijke belangen in de Verordening ruimte 2012 (hierna: Verordening). De verordening is op 11 mei 2012 door Provinciale Staten vastgesteld en is op 1 juni 2012 in werking getreden.Voor de inhoudelijke afweging of er provinciale belangen in het geding zijn, baseren wij ons op de Verordening zoals deze gold op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan.

Daarbij zien wij de 'reactieve aanwijzing' als een slagvaardig en effectief middel om inwerkingtreding van een bestemmingsplan(onderdeel) tegen te houden wegens strijdigheid met een of meer regels van de Verordening.

Wij achten ons bevoegd om, indien het provinciaal belang dat vergt, de reactieve aanwijzing in te zetten voor die zaken die in de Verordening zijn beschreven.

Wij vinden het ook van belang dat bij het gebruik van dit instrument voor een ieder via www.ruimtelijkeplannen.nl direct kenbaar is waar plandelen niet in werking zijn getreden en welke overwegingen daarbij een rol spelen. Hier komt nog bij, dat wij de reactieve aanwijzing een aanmerkelijk doelmatiger en efficiënter instrument vinden dan de inzet van beroep en het in voorkomende gevallen vragen van een voorlopige voorziening.

De provinciale belangen zijn ook specifiek voor dit bestemmingsplan uiteengezet en kenbaar gemaakt. Onze directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving heeft daartoe bij brief van 16 oktober 2012, kenmerk C2078220/3290401, een vooroverlegreactie uitgebracht over het voorontwerp van dit plan. Op 28 november 2012 is op ambtelijk niveau overleg gevoerd naar aanleiding van deze vooroverlegreactie. Vervolgens hebben wij een zienswijze tegen het ontwerp bestemmingsplan ingediend bij brief van 14 januari 2013, kenmerk C2103025/3336301.

Gelet op het voorgaande zijn wij van mening dat de inzet van andere aan ons toekomende bevoegdheden in dit geval niet mogelijk was en dat de in het geding zijnde provinciale belangen genoegzaam bij de gemeenteraad bekend zijn.

Ons is gebleken dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan (op onderdelen) desondanks onvoldoende rekening is gehouden met provinciale belangen. Bij een ongewijzigde inwerkingtreding van het bestemmingsplan zullen deze belangen worden geschaad.

1.1. Basis reactieve aanwijzing

De reactieve aanwijzing is gericht tegen het vastgestelde bestemmingsplan. Voor het opstellen van het digitale plan voor deze reactieve aanwijzing hebben wij echter niet de beschikking over het authentieke, digitale plan zoals vastgesteld door de gemeenteraad omdat dit pas later via ro-online ter beschikking komt. Verwijzingen naar tekst zijn ook gebaseerd op de nummering in ons ter beschikking gestelde gegevens en nog niet op de definitieve authentieke versie van het plan.

Er worden doorgaans bij vaststelling van een bestemmingsplan buitengebied veranderingen opgenomen ten opzichte van het ontwerpplan, zoals bestemmingsvlakken vergroten of van vorm veranderen, nieuwe aanduidingen opnemen. Deze wijzigingen die zijn doorgevoerd bij de vaststelling van het plan staan bij de vaststelling van de reactieve aanwijzing dus nog niet tot onze beschikking om een exact overeenkomend gedetailleerd digitaal plan te maken voor www.ruimtelijkeplannen.nl. Wij hebben in dat geval de locaties zo goed mogelijk gedigitaliseerd. De tekst van de aanwijzing in combinatie met de verbeelding van het uiteindelijk op www.ruimtelijkeplannen.nl ter beschikking gestelde bestemmingsplan zijn echter leidend voor de juiste interpretatie. Het betreft hier met name de aanwijzingen 2.3 en 2.7.

Verwijzing naar regels bestemmingsplan
Uit de tekst van de aanwijzing in combinatie met de motivering blijkt steeds waarop de aanwijzing ziet. Omdat het niet uitgesloten is dat later bij de beschikbaarstelling van het authentieke plan blijkt dat de door ons opgenomen referentie bij de vaststelling toch nog vernummerd of anders aangeduid is, hebben wij in de aanwijzing zelf alleen de strekking van de aanwijzing opgenomen.

Ter informatie hebben wij in de motivering wel de verwijzing naar een artikellid opgenomen, waarbij dit is gebaseerd op de nummering van de regels zoals deze in het ons ter beschikking gestelde exemplaar van het vastgestelde plan te vinden is.

Het is uiteindelijk aan de gemeente om de reactieve aanwijzing op een juiste manier bij beoordeling van verzoeken om bijvoorbeeld omgevingsvergunning te betrekken.

1.2. Leeswijzer voor de (analoge) tekst

Deze reactieve aanwijzing is geen gewoon besluit, het is namelijk ook een digitaal plan. Dit heeft gevolgen voor de opzet van de tekst, omdat er vanuit wordt gegaan dat raadpleging plaats vindt via klikken op een locatie op de kaart, waarna de voor die locatie relevante informatie wordt getoond. De tekst is daarom zodanig ingericht, dat elke aanwijzing gekoppeld kan worden aan dat onderdeel van de (digitale) kaart waarop dit betrekking heeft. Hierdoor komen in de analoge tekst sommige overwegingen regelmatig terug. Wij beschouwen dit als een nadeel dat niet opweegt tegen de voordelen van een goede digitale ontsluiting van de juiste informatie per locatie.

Het karakter van digitaal plan heeft nog andere gevolgen voor de tekst. Net als in een bestemmingsplan is er geen apart onderdeel met alle aanwijzingen op een rij (in juridische termen: dictum) opgenomen. In feite fungeert elke aanwijzing op zich als een stukje besluittekst/dictum, dat gevolgd wordt door de motivering voor die specifieke locatie of regel.
De vaststelling van deze reactieve aanwijzing is opgenomen in een apart vaststellingsbesluit dat ook te raadplegen is via www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen t.a.v. begrenzingen

2.1. Aanwijzing t.a.v. nieuw bestemmingsvlak Bedrijf, Oudemolensedijk 9 te Fijnaart

Het bestemmingsvlak 'Bedrijf' ter plaatse van Oudemolensedijk 9 te Fijnaart treedt inclusief alle bijbehorende aanduidingen niet in werking.

Motivering
Dit betreft de nieuwvestiging van een tankstation buiten bestaand stedelijk gebied. Deze ontwikkeling is strijdig met artikel 2.1 Verordening ruimte. Het commentaar van de gemeente op de vooroverlegreactie, het overleg en op onze zienswijze geven geen aanleiding tot een andere conclusie dan dat deze ontwikkeling strijdig is met artikel 2.1 Verordening aangezien vestiging van nieuwe niet-agrarische functies buiten bestaand stedelijk gebied is uitgesloten voor zover geen sprake is van een VAB . De argumenten van de gemeente in de zienswijzennota doen daar niet aan af.

Hoofdstuk 2 verordening - zorgvuldig ruimtegebruik
De Verordening ruimte verstaat onder de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit dat bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoveel als mogelijk gebruik wordt gemaakt van een locatie waar op grond van het geldende bestemmingsplan al bebouwing is toegestaan. Hiervan is in casu geen sprake, waarmee het plan op dit onderdeel strijdig is met de Verordening.

Hoofdstuk 11 verordening - niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen
Dit hoofdstuk van de Verordening bevat regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied. Regels voor niet-agrarische bedrijvigheid zijn opgenomen in artikel 11.6 en verder. Artikel 11.6 bevat een basisregeling, artikelen 11.7 en verder bevatten aanvullende c.q. afwijkende mogelijkheden voor specifieke activiteiten.

Wij zijn van mening dat het bestemmingsplan op dit onderdeel strijdig is met artikel 11.6 Verordening. Op grond van dit artikel is het mogelijk om onder voorwaarden op een VAB-locatie een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling te realiseren. Een van de voorwaarden betreft dat het uitsluitend mag gaan om bedrijven in milieucategorie 1 of 2. Een tankstation valt in een zwaardere milieucategorie. Bovendien is geen spraken van een VAB, maar van een braakliggend terrein.

2.2. Aanwijzing t.a.v. de aanduiding maximaal aantal wooneenheden = 1, Stadsedijk 45c te Oudemolen

De aanduiding maximaal aantal wooneenheden = 1 ter plaatse van het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch Aanverwant' op het adres Stadsedijk 45c te Oudemolen treedt niet in werking.

Motivering
Op deze locatie is een loon- en grondwerkbedrijf gevestigd. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een nieuwe bedrijfswoning.

Het betreft een nieuwe, eerste, bedrijfswoning op een locatie waar deze op basis van het vigerende bestemmingsplan niet was toegestaan. Dit is een ruimtelijke ontwikkeling waarvoor de noodzaak, mede op basis van een positief AAB-advies, voldoende is aangetoond, maar waarbij niet is voorzien in kwaliteitsverbetering van het landschap als bedoeld in artikel 2.2 Verordening. Wij constateren op basis van de ruimtelijke onderbouwing dat voorzien wordt in een landschappelijke inpassing, maar deze is niet geborgd in het bestemmingsplan en vastgelegd door middel van een anterieure overeenkomst. Daarom is deze ontwikkeling strijdig met artikel 2.2 Verordening.

Hoofdstuk 2 verordening - kwaliteitsverbetering van het landschap
Ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het landschap bepaalt de Verordening ruimte dat ingeval van een ruimtelijke ontwikkeling er feitelijk, juridisch en financieel wordt zeker gesteld, dat deze ontwikkeling leidt tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Deze plicht geldt voor iedere ruimtelijke ontwikkeling binnen de aanduiding agrarisch gebied en groenblauwe mantel (zoals uitbreiding van een bouwblok). In het regionaal ruimtelijk overleg (RRO) worden hierover met de regio West-Brabant afspraken gemaakt. In dit geval ontbreekt in de onderbouwing (inzicht in) de benodigde kwaliteitsverbetering en een verantwoording hoe de (concept) afspraken in de voorliggende ruimtelijke ontwikkeling concreet zijn uitgewerkt. Verder dient de benodigde kwaliteitsverbetering geborgd te zijn door middel van o.a. een anterieure overeenkomst. Zoals hiervoor is gesteld, is het bestemmingsplan op dit punt strijdig met de Verordening.

2.3. Aanwijzing t.a.v. uitbreiding bestemmingsvlak intensieve veehouderij, Zwingelspaansedijk 16 te Fijnaart

De uitbreiding van het bestemmingsvlak met de bestemming ”Agrarisch - Intensieve Veehouderij” ter plaatse van Zwingelspaansedijk 16 te Fijnaart treedt niet in werking.

Motivering
Op deze locatie is een akkerbouwbedrijf in combinatie met een pluimveebedrijf (intentsieve veehouderij = IV) gerund. Het plan voorziet in de uitbreiding van de IV-tak door middel van een extra pluimveestal van 1300m2 en een mestbassin van 625m2 bij een gemengd agrarisch bedrijf. Het bouwvlak krijgt hiermee een omvang van meer dan1,7 ha. Het plan is strijdig met artikel 9.3 lid 1 Verordening.

Hoofdstuk 9 Verordening - intensieve veehouderij
Volgens artikel 9.3, lid 1 van de Verordening kan de maximale omvang van een intensieve veehouderij (IV) op een duurzame locatie maximaal 1,5 ha bedragen. Deze maximale omvang geldt voor een IV-bedrijf, maar ook voor een gemengd agrarisch bedrijf met IV-tak aangezien op grond van artikel 1.2 lid 5 Verordening het 'zwaarste regime' (IV) bepalend is voor de maximale omvang van een agrarisch bouwvlak. Bij uitbreiding tot een bouwvlak van maximaal 1,5 ha geldt dat tenminste 10% van het bouwvlak benut moet worden voor landschappelijke inpassing. Uitbreiding uitsluitend om reden van dierenwelzijn kan een grotere omvang rechtvaardigen, maar daarvoor gold 1 januari 2013 als vervaltermijn. Van uitbreiding vanwege dierenwelzijn is geen sprake. Wij concluderen dat sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling die strijdig is met artikel 9.3 Verordening.

2.4. Aanwijzing t.a.v. nieuw bestemmingsvlak Bedrijf, Moerdijkseweg 1 te Zevenbergen

Het bestemmingsvlak 'Bedrijf' ter plaatse van Moerdijkseweg 1 te Zevenbergschen Hoek treedt inclusief alle bijbehorende aanduidingen niet in werking.

Motivering
Dit betreft de nieuwvestiging van een tankstation op het terrein van een hotel/restaurant, in het zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling. Het tankstation is voorzien van een bedrijfsbestemming, terwijl het omliggende terrein (buiten deze planherziening) deel uitmaakt van de horecabestemming ten behoeve van het ter plaatse gevestigde hotel-restaurant. De wijze van bestemmen betekent een splitsing van bedrijvigheid (hotel en tankstation) en hetgeen leidt tot nieuwvestiging van een bedrijf in het buitengebied.Daarbij komt dat op basis van artikel 9.4 en tabel 9.2. van de planvoorschriften diverse vervolgfuncties kunnen worden gerealiseerd (waaronder wonen) zonder dat er een relatie met het hotel en de omgeving wordt gelegd.

Deze ruimtelijke ontwikkeling is strijdig met artikel 11.6 lid 1 (niet-agrarische ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied). Door de wijze waarop e.e.a. in het plan is geregeld, is sprake van de toename van een bedrijf in het buitengebied. Dit is strijdig met artikel 11.6 lid 1d waarin is bepaald dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot 2 of meer zelfstandige bedrijven. Voorts maakt het bestemmingsplan een tankstation mogelijk in milieucategorie 3, terwijl op grond van artikel 11.6 lid 1 alleen bedrijven in milieucategorie 1 en 2 zijn toegestaan. Tot slot merken wij op dat het feit dat deze locatie mogelijk onderdeel wordt van het toekomstig Logistiek Park Moerdijk daar op dit moment niet aan af doet.

Hoofdstuk 11 verordening - niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen
Dit hoofdstuk van de Verordening bevat regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied. Regels voor niet-agrarische bedrijvigheid zijn opgenomen in artikel 11.6 en verder. Artikel 11.6 bevat een basisregeling, artikelen 11.7 en verder bevatten aanvullende c.q. afwijkende mogelijkheden voor specifieke activiteiten. Wij zijn van mening dat het bestemmingsplan op dit onderdeel strijdig is met artikel 11.6 lid 1 Verordening. Op grond van dit artikel is het mogelijk om onder voorwaarden op een VAB-locatie een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling te realiseren. Een van de voorwaarden betreft dat het uitsluitend mag gaan om bedrijven in milieucategorie 1 of 2. Zoals hiervoor reeds is gesteld, valt een tankstation hier niet onder.

2.5. Aanwijzing t.a.v. mestbe- en verwerkingsbedrijf Hokkenberg 8 te Langeweg

Het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch Aanverwant' ter plaatse van Molendijk 9 te Standdaarbuiten treedt inclusief alle bijbehorende aanduidingen niet in werking.

Motivering
Deze ruimtelijke ontwikkeling betreft het mogelijk maken van mestverwerking op een locatie met de vigerende bestemming 'Agrarische doeleinden', subbestemming agrarisch loonbedrijf en op- en overslag van mest (milieucategorie 3). Het agrarisch bedrijf zal komen te vervallen. De mestbe- en verwerking zal plaats vinden in bestaande gebouwen. In de ruimtelijke onderbouwing ontbreekt een toets aan de Verordening. Het plan is strijdig met artikel 11.6 Verordening.

Hoofdstuk 1 Verordening - algemene bepalingen
Wij merken op dat, volgens de begripsbepalingen van artikel 1.1, leden 7 en 8, (zelfstandige) mestbewerking in de Verordening uitgesloten is bij agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven. De onderhavige ruimtelijke ontwikkeling, waarvoor de gemeente een gedoogbeschikking heeft afgegeven, buiten bestaand stedelijk gebied is strijdig met de Verordening ruimte. In haar reactie geeft de gemeente aan dat aan dit initiatief medewerking verleend kan worden, onder andere omdat de voorgestane mestverwerking een bijdrage levert aan het mest- en mineralenprobleem in Nederland. Dit laat echter onverlet dat deze ontwikkeling strijdig is met de Verordening zoals hierboven verwoord.

Hoofdstuk 11 Verordening
Dit hoofdstuk van de Verordening bevat regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied. Regels voor niet-agrarische bedrijvigheid zijn opgenomen in artikel 11.6 en verder. Artikel 11.6 bevat een basisregeling, artikelen 11.7 en verder bevatten aanvullende c.q. afwijkende mogelijkheden voor specifieke activiteiten.

Mestbe- en verwerkingsactiviteiten, voorzover het de bewerking en verwerking van mest betreft die niet afkomstig is van het eigen bedrijf, behoren tot niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen. Nu mestbewerking volgens de begripsbepalingen nadrukkelijk niet wordt aangemerkt als agrarisch-verwante of agrarisch-technische bedrijvigheid, zijn de specifieke regels voor die typen bedrijven in 11.7 niet van toepassing en is de basisregeling in 11.6 bepalend.

Op grond van artikel 11.6 Verordening kan een bestemmingsplan voorzien in de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf in een voormalig agrarisch bedrijf. Aan de voorwaarden die zijn gekoppeld aan dit artikel wordt echter niet voldaan. De beoogde ontwikkeling mag ogv artikel 11.6, eerste lid sub a niet leiden tot een bestemmingsvlak van meer dan 5000m2. In casu is het bestemmingsvlak ruim 1,7ha groot waarmee het bestemmingsplan op dit punt strijdig is met de Verordening. Voorts moet zijn verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt en mag de ontwikkeling niet leiden tot een bedrijf hoger dan milieucategorie 2. In casu is sprake van een bedrijf in milieucategorie 3. Ook op dit punt is sprake van strijdigheid met de Verordening.

2.6. Aanwijzing t.a.v. vergroting woonfunctie met bestemmingsvlakken Tuin 2

De vergroting van de woonfuncties ten opzichte van de bestemming voor woondoeleinden in het geldende bestemmingsplan door het opnemen van bestemmingsvlakken Tuin 2 treedt niet in werking bij de volgende locaties:

  • Tussen de adressen Achterdijk 97 -103 te Zevenbergen
  • Ten noorden van Hoge Zeedijk, 54 - 58, Langeweg

Motivering
Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen waarbij gronden met de bestemming agrarische doeleinden worden omgezet in 'tuin+'. Bij deze ruimtelijke ontwikkelingen ontbreekt de verantwoording ten aanzien van de verplichte kwaliteitsverbetering van het landschap ex. artikel 2.2. Verordening.

Hoofdstuk 2 Verordening - kwaliteitsverbetering van het landschap
Ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het landschap bepaalt de Verordening ruimte dat ingeval van een ruimtelijke ontwikkeling er feitelijk, juridisch en financieel wordt zeker gesteld, dat deze ontwikkeling leidt tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Deze plicht geldt voor iedere ruimtelijke ontwikkeling binnen de aanduiding agrarisch gebied en groenblauwe mantel (zoals uitbreiding van een tuinbestemming).

In het regionaal ruimtelijk overleg (RRO) worden over deze kwaliteitsverbetering met de regio West-Brabant afspraken gemaakt. Er ontbreekt inzicht in de onderbouwing van de benodigde kwaliteitsverbetering en een verantwoording hoe de (concept) afspraken in de voorliggende ruimtelijke ontwikkeling concreet zijn uitgewerkt. Verder dient de benodigde kwaliteitsverbetering geborgd te zijn door middel van o.a. een anterieure overeenkomst. Het omzetten van agrarisch gebied naar de bestemming 'tuin' achten wij een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 2.2 Verordening. Wij constateren daarbij dat binnen deze bestemming gebouwen (bv in de vorm van schuilhutjes) tot 12 m2 mogen worden opgericht. Om deze reden handhaven wij het in de zienswijze verwoorde standpunt ten aanzien van het ontbreken van de verplichte kwaliteitsverbetering ex. artikel 2.2. Verordening.

2.7. Aanwijzing t.a.v. uitbreiding intensieve veehouderij Eerste Kruisweg 2 te Standdaarbuiten

De uitbreiding aan de oostzijde van het bouwvlak met de bestemming ”Agrarisch - Intensieve Veehouderij” ter plaatse van Eerste Kruisweg 2 te Standdaarbuiten treedt inclusief alle bijbehorende aanduidingen niet in werking.

Motivering
Het bestemmingsplan beoogt vormverandering van een bouwvlak van een intensieve veehouderij waarbij de totale oppervlakte niet toeneemt. Het nieuwe gedeelte van het bouwvlak is op de verbeelding opgenomen maar de twee vervallen gedeelten zijn buiten het plan (i.c. de verbeelding) gelaten. Deze twee locaties behouden dus op grond van het vigerende plan, hun bestemming 'agrarisch bouwblok'. Als gevolg hiervan is er feitelijk dus sprake van uitbreiding van het bouwvlak hetgeen strijdig is met artikel 9.3 Verordening.
Verder merken wij op, dat in de nota van zienswijze in de samenvatting is aangegeven dat de schuur in de noordwesthoek van het bouwvlak zijn functie heeft verloren en daarom buiten het bouwvlak gelaten kan worden. Uit de gegevens in de BAG leiden wij af dat er een sloopvergunning voor de schuur is afgegeven in 2004; op luchtfoto's van 2012 is het gebouw echter nog aanwezig en het gebouw hoort dan ook vooralsnog bij het bestemmingsvlak betrokken te worden. Ook hierom kan niet ingestemd worden met de vastgestelde wijziging c.q. vergroting van het bouwvlak aan de oostzijde.

Hoofdstuk 9 verordening - intensieve veehouderij
In artikel 9.3, 1e lid onder 'd' van de Verordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied kan voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare. Het bedrijf moet zijn gelegen op een duurzame locatie en ten minste 10% van het bouwblok moet worden aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

In artikel 9.3, 1e lid onder 'e' van de Verordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied kan bepalen dat vormverandering van een bouwblok voor intensieve veehouderij is toegestaan op een duurzame locatie. Wij constateren dat geen duurzaamheidstoets is uitgevoerd. Voorts is de maximale maat van 1,5 ha. reeds bereikt, waardoor het op grond van de Verordening (artikel 9.3.1e lid onder d). niet mogelijk is om verder uit te breiden. Wij achten het bestemmingsplan op dit punt strijdig met artikel 9.3, lid 1d.

2.8. Aanwijzing t.a.v. aanduiding ''glastuinbouw'' op bouwvlak Krauwelsgors 2 te Langeweg

De aanduiding 'glastuinbouw' ter plaatse van het bouwvlak met de bestemming “Agrarisch - Intensieve Kwekerij' op het adres Krauwelgors 2 te Langeweg treedt niet in werking.

Motivering
Binnen de bestemming “Agrarisch - Intensieve Kwekerij” wordt de aanduiding 'glastuinbouw' opgenomen ter plaatse van een bestaande kas. Zoals de gemeente in de Nota zienswijzen aangeeft, wordt in de planregels opgenomen dat tevens een glastuinbouwbedrijf is toegestaan. Dit is strijdig met artikel 10.4 Verordening

Hoofdstuk 10 Verordening - glastuinbouw
De locatie bevindt zich buiten de gebieden die in de Verordening zijn aangeduid als 'mogelijk doorgroeigebied glastuinbouw' en 'vestigingsgebied glastuinbouw'. De Verordening staat uitsluitend uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven buiten de aangewezen (hier voornoemde) gebieden toe. Het bestemmingsplan maakt evenwel de nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf mogelijk hetgeen strijdig is met artikel 10.4 Verordening.