direct naar inhoud van Besluittekst
Plan: Reactieve aanwijzing tav Buitengebied Zundert (geconsolideerd)
Status: geconsolideerde versie
Plantype: reactieve aanwijzing
IMRO-idn: NL.IMRO.9930.ra0879bgZundertgc-gc03

Besluittekst

Hoofdstuk 1 Inleiding

Op 11 september 2012 hebben wij het besluit van 4 september 2012 met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan “Buitengebied” ontvangen. Dit besluit gaat vergezeld van een aangepaste Notitie behandeling zienswijzen, een aangepaste Staat van wijzigingen en door de raad aangenomen amendementen. Gelet op de provinciale belangen die in het geding zijn, vinden wij het noodzakelijk overeenkomstig artikel 3.8 lid 6 Wet ruimtelijke ordening een aanwijzing te geven tegen dit plan. De aan dit besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die ons beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan ons toekomende bevoegdheden te beschermen, geven wij hieronder weer.

Gevolg reactieve aanwijzing
Dit aanwijzingsbesluit strekt ertoe dat het onderdeel van het bestemmingsplan waartegen van onze zijde bezwaren bestaan geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Ons besluit treedt op het moment van de bekendmaking in werking. Zodra ons aanwijzingsbesluit onherroepelijk is geworden, vervalt het vaststellingsbesluit voor dat onderdeel van het bestemmingsplan.

Inzet aanwijzingsbevoegdheid
Conform het bepaalde in de wet is een afweging vereist waarom het provinciaal belang niet met de inzet van andere aan ons toekomende instrumenten is beschermd.

In dit verband heeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 vast gelegd in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening. De te beschermen provinciaal ruimtelijke belangen zijn vastgelegd in de Verordening ruimte 2012 (hierna: Vr). Deze verordening is op 11 mei 2012 door Provinciale Staten vastgesteld en op 1 juni 2012 in werking getreden en vormt het provinciaal toetsingskader voor ruimtelijke plannen. Voor de inhoudelijke afweging of er provinciale belangen in het geding zijn, baseren wij ons op de Verordening ruimte zoals deze gold op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. Daarnaast hebben wij voor zover relevant ook de vorige versie, Verordening ruimte Noord-Brabant 2011, bij onze afweging betrokken.

Daarbij zien wij de 'reactieve aanwijzing' als een slagvaardig en effectief middel om inwerkingtreding van een bestemmingsplan(onderdeel) tegen te houden wegens strijdigheid met een of meer regels van de Vr.

Wij achten ons bevoegd om, indien het provinciaal belang dat vergt, de reactieve aanwijzing in te zetten voor die zaken die in de Vr zijn beschreven.

Wij vinden het ook van belang dat bij het gebruik van dit instrument voor een ieder via www.ruimtelijkeplannen.nl direct kenbaar is waar plandelen niet in werking zijn getreden en welke overwegingen daarbij een rol spelen. Hier komt nog bij, dat wij de reactieve aanwijzing een aanmerkelijk doelmatiger en efficiënter instrument vinden dan de inzet van beroep en het in voorkomende gevallen vragen van een voorlopige voorziening waar het wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden betreft die in strijd zijn met de Vr. Dit speelt ook een rol bij deze aanwijzing.

De provinciale belangen zijn ook specifiek voor dit bestemmingsplan uiteengezet en kenbaar gemaakt. Onze directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving heeft daartoe bij brief van 27 juni 2011, nr. C2016183/2763019, een vooroverlegreactie uitgebracht over het voorontwerp van dit plan. Vervolgens hebben wij een zienswijze tegen het ontwerp bestemmingsplan ingediend bij brief van 16 november 2011, nr. C2049631/2840360. Tevens hebben wij een aanvullende zienswijze tegen het ontwerp bestemmingsplan ingediend bij brief van 17 november 2011, nr. C2049631/2840346. Daarnaast hebben wij in de periode tussen het indienen van onze zienswijzen en het vaststellen van het bestemmingsplan, op ambtelijk niveau overleg gevoerd met de gemeente omtrent de provinciale belangen die in het bestemmingsplan in het geding zijn. Op 4 oktober 2012 heeft er nog een ambtelijk overleg plaatsgevonden ten kantore van het provinciehuis naar aanleiding van het vastgestelde plan, onder meer aangaande de wijze waarop de investering in landschappelijke kwaliteit, conform het bepaalde in art. 2.2 Vr, in het plan is verwerkt.

Gelet op het voorgaande zijn wij van mening dat de inzet van andere aan ons toekomende bevoegdheden in dit geval niet mogelijk was en dat de in het geding zijnde provinciale belangen genoegzaam bij de gemeenteraad bekend zijn.

Ons is gebleken dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan (op onderdelen) desondanks onvoldoende rekening is gehouden met provinciale belangen. Bij een ongewijzigde inwerkingtreding van het bestemmingsplan zullen deze belangen worden geschaad.

1.1. Basis reactieve aanwijzing

De reactieve aanwijzing is gericht tegen het vastgestelde bestemmingsplan. Voor het opstellen van het digitale plan voor deze reactieve aanwijzing hebben wij echter niet de beschikking over het authentieke plan zoals vastgesteld door de gemeenteraad omdat dit pas later via ro-online ter beschikking komt.

Er kunnen bij vaststelling, percelen aan bestemmingen toegevoegd of eruit verwijderd zijn, bestemmingsvlakken vergroot of verkleind zijn of nieuwe aanduidingen zijn opgenomen. Deze wijzigingen die zijn doorgevoerd bij de vaststelling van het plan komen dus niet altijd tot uiting in de begrenzingen in deze aanwijzing.
Verwijzingen naar tekst zijn ook gebaseerd op de nummering in ons ter beschikking staande gegevens, zoals het ontwerpplan en de stukken behorend bij het raadsvoorstel


Uit de tekst van de aanwijzing in combinatie met de motivering blijkt steeds waarop de aanwijzing ziet.
Voor zover later bij de beschikbaarstelling van het authentieke plan blijkt, dat de door ons opgenomen referentie bij de vaststelling vernummerd of anders aangeduid is, dient deze aanwijzing dan ook conform de strekking van de motivering gelezen te worden als gericht op de relevante planonderdelen van het vastgestelde plan en ook op dat punt te worden verwerkt.
Voor zover de aanwijzing gericht is op bestemmingen, bestemmingsvlakken, aanduidingen en dergelijke, dan dient deze conform de tekst geacht te zijn gericht op de begrenzingen en aanduidingen zoals deze voor de desbetreffende bestemming of aanduiding in het authentieke vastgestelde plan zijn verwerkt.

Het is dan ook aan de gemeente om de reactieve aanwijzing op een juiste manier in het vastgestelde plan te verwerken en bij de verwerking de daarin opgenomen begrenzingen, aanduidingen en regels te hanteren.

1.2. Leeswijzer voor de (analoge) tekst

Deze reactieve aanwijzing is geen gewoon besluit, het is namelijk ook een digitaal plan. Dit heeft gevolgen voor de opzet van de tekst, omdat er vanuit wordt gegaan dat raadpleging plaats vindt via klikken op een locatie op de kaart, waarna de voor die locatie relevante informatie wordt getoond. De tekst is daarom zodanig ingericht, dat elke aanwijzing later gekoppeld kan worden aan dat onderdeel van de (digitale) kaart waarop dit betrekking heeft. Daarbij is het stramien van het gemeentelijk plan gevolgd: eerst worden er opmerkingen gemaakt over de kaart, daarna worden de regels artikelsgewijs behandeld. Net als regels in het gemeentelijk plan in een aantal bestemmingen terugkomen, zal dan ook een aanwijzing over die regels meermaals terugkomen. Wij beschouwen dit als een nadeel dat niet opweegt tegen de voordelen van een goede digitale ontsluiting van de juiste informatie per locatie.

Het karakter van digitaal plan heeft nog andere gevolgen voor de tekst. Net als in een bestemmingsplan is er geen apart onderdeel met alle aanwijzingen op een rij (in juridische termen: dictum) opgenomen. In feite fungeert elke aanwijzing op zich als een stukje besluittekst/dictum, dat gevolgd wordt door de motivering voor die specifieke locatie of regel.
Daarnaast is het besluit bijgevoegd waarbij de aanwijzing is vastgesteld.

Hoofdstuk 2 Aanwijzing(-en) t.a.v. begrenzing

2.1. Aanwijzing 1, t.a.v. uitbreiding bestemmingsvlak Agrarisch bedrijf Oud Boomkenweg 1a te Rijsbergen

De uitbreiding van de bestemming "Agrarisch-Agrarisch Bedrijf" met de functieaanduiding 'gt' en de specifieke bouwaanduiding 'kas' ten opzichte van het geldende bestemmingsplan op het adres Oud Boomkenweg 1a te Rijsbergen treedt niet in werking.

Motivering

Bij de vaststelling van het plan heeft de gemeenteraad in zijn besluit onder punt 4a een uitbreiding van ongeveer 4,5 ha opgenomen voor het bedrijf aan de Oud Boomkenweg 1a te Rijsbergen. Door deze uitbreiding wordt het bedrijf nagenoeg verdubbeld.

Hoofdstuk 10 Vr
Wij constateren dat de uitbreiding betrekking heeft op gronden die zijn gelegen buiten de op basis van artikel 10.1 Vr aangewezen gebieden voor doorgroei of vestiging van glastuinbouw. Dit betekent dat hier op grond van 10.4 Vr ten hoogste 3 ha glas is toegestaan en dat uitbreiding niet meer mogelijk is.

De uitbreiding van het bestemmingsvlak op het perceel Oud Boomkenweg 1a te Rijsbergen is dan ook in strijd met artikel 10.4 van de Vr.

Hoofdstuk 2 Vr - verbetering ruimtelijke kwaliteit
Op grond van artikel 2.2 Vr dient elke ruimtelijke ontwikkeling gepaard te gaan met een aantoonbare en uitvoerbare verbetering van de aanwezige en potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in hoofdlijnen heeft beschreven.

Aangezien met het opnemen van de uitbreiding sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en bij de vaststelling niet is voorzien in kwaliteitsverbetering als bedoeld in artikel 2.2 Vr is er ook op dit punt sprake van strijd met de Vr.

2.2. Aanwijzing 2, t.a.v. nieuwe bestemmingsvlakken Agrarisch bedrijf

De bestemming op de gronden die in deze aanwijzing zijn opgenomen met de legendaeenheid "Aanwijzing 2" , t.a.v. nieuwe bestemmingsvlakken "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" treedt niet in werking.

Deze aanwijzing geldt door uitspraak Raad van State dd 30-04-2014 nog maar voor 1 locatie bij Witte Moeren 7 te Achtmaal

Motivering
In het geldende plan is aan deze locaties geen zelfstandig bouwvlak toegekend. Ook blijkt uit het retrospectief onderzoek niet waarom het gerechtvaardigd is om aan deze locaties een zelfstandig bestemmingsvlak "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" toe te kennen.

Door nu aan deze locaties een zelfstandig bestemmingsvlak toe te kennen is er sprake van nieuwvestiging. Hoewel deze locaties weliswaar gering van omvang zijn, gelden ook hier de in het plan vervatte wijzigingsbevoegdheden en daarmee de mogelijkheid tot uitbreiding van het bestemmingsvlak.

Hoofdstuk 6 Groenblauwe mantel

In de artikelen 6.4 lid 1 onder a en 6.5 onder a Vr is bepaald dat nieuwvestiging van zowel grondgebonden agrarische bedrijven als overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet is toegestaan.

Hoofdstuk 8 Agrarisch gebied

In de artikelen 8.3 lid 1 onder a en 8.4 lid 1 onder a Vr is bepaald dat nieuwvestiging van zowel grondgebonden agrarische bedrijven als overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet is toegestaan.

Nu het plan nieuwvestiging van agrarische bedrijven mogelijk maakt handelt het in strijd met de artikelen 8.3 lid 1 onder a, 6.5 onder a, 8.4 lid 1 onder a Vr.

2.3. Aanwijzing 3, t.a.v. Wonen in verband met generieke rechtstreekse vergroting INGETROKKEN 22-10-2013

2.4. Aanwijzing 4, t.a.v. uitbreiding aantal woningen Schriekenweg 1 te Rijsbergen VERNIETIGD UITSPRAAK RAAD VAN STATE 30-04-2014

Hoofdstuk 3 Aanwijzing(en) ten aanzien van regels - Artikel 4 Agrarisch - Agrarisch bedrijf

3.1. Aanwijzing 5, t.a.v. wijziging van 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' naar 'Wonen'

Artikellid 4.7.11 onder d punt 4 treedt niet in werking.

Motivering

In het raadsbesluit d.d. 4 september 2012 is onder 11b bepaald dat er een bevoegdheid voor het college van B&W wordt toegevoegd aan de bestaande wijzigingsbevoegdheden voor 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' naar 'Wonen'.

Binnen artikel 4 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen. In artikel 4.7.11 is de wijzigingsbevoegdheid vervat voor de wijziging naar de bestemming 'Wonen'. Het raadsbesluit houdt in dat er aan artikel 4.7.11 onder d een punt 4 wordt toegevoegd.

In artikel 4.7.11 onder d punt 4 is de bevoegdheid voor het college van B&W opgenomen om bij de herbestemming van de agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning een bedrijfsgebouw tot maximaal 600 m2 toe te staan als dit bouwkundig uit een geheel bestaat en niet is te slopen tot 200 m2.

In de hiervoor genoemde bevoegdheid is niet langer expliciet de verplichting opgenomen alle overtollige bebouwing te slopen bij de wijziging van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' naar 'Wonen'. In het raadsbesluit wordt deze keuze niet nader gemotiveerd. Hiermee handelt deze bepaling in strijd met ons beleid tot ontstening van het buitengebied en het beleid ter voorkoming van verrommeling van het buitengebied. Deze beleidsvelden zijn vervat in artikel 11.1 lid 4 onder b Vr.

Met de bevoegdheid opgenomen in het plan in artikel 4.7.11 onder d punt 4 handelt het plan in strijd met artikel 11.1 lid 4 onder b Vr.

Hoofdstuk 4 Aanwijzing(en) ten aanzien van regels - Artikel 39 Algemene afwijkingsregels

4.1. Aanwijzing 6, t.a.v. bebouwing buiten bouwblok

Artikellid 39.1.1 lid 6 treedt niet in werking.

Motivering

In het raadsbesluit d.d. 4 september 2012 is onder 11c een algemene bepaling opgenomen om de bouw van bijenstallen in het kader van bijenteelt en/of natuurbeheer te kunnen faciliteren. Hier worden geen bijenkasten bedoeld aangezien de bouwvoorschriften bebouwing tot maximaal 30 m2 groot en 3,50m hoog toestaat.

Deze bepaling onder 11c van het raadsbesluit heeft ertoe geleid dat aan artikel 39.1.1 een lid 6 aan het plan is toegevoegd.

Door deze bepaling op te nemen in de algemene afwijkingsregels wordt de bouw van bijenstallen mogelijk gemaakt binnen alle bestemmingen.

Hierdoor is de bevoegdheid ook toegekend binnen bestemmingen waar er geen bouwrecht ligt en ook geen bouwblok is toegekend.

Hoofdstuk 2 Bevordering ruimtelijke kwaliteit

In hoofdstuk 2 van de Verordening ruimte is het principe van zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik vervat. Hiertoe is in artikel 2.1 lid 2 onder a bepaald dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen kan plaats vinden op een locatie waar al bouwrecht is gelegen, derhalve alleen binnen een bestaand bouwblok.

Door nu in de algemene afwijkingsregels bebouwing ook mogelijk te maken buiten bestaande bouwblokken handelt het plan in strijd met artikel 2.1 lid 2 onder a Vr. In dit artikel wordt een uitzondering gemaakt voor die gevallen waarvoor in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald. Voor bijenstallen in het kader van bijenteelt en/of natuurbeheer is in deze verordening niets anders opgenomen, waardoor het verbod op nieuwvestiging in artikel 2.1 lid 2 onder a Vr hier onverkort van toepassing is.