direct naar inhoud van Aanwijzing 3, t.a.v. fouragebedrijf Oordeelsestraat 13
Plan: Reactieve aanwijzing tav Landbouwontwikkelingsgebied Oostflank, Baarle-Nassau
Status: vastgesteld

Aanwijzing 3, t.a.v. fouragebedrijf Oordeelsestraat 13

De bestemming "Bedrijf", inclusief de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' en eventuele overige aanduidingen, aan Oordeelsestraat 13 te Baarle-Nassau, treedt niet in werking.

Motivering

In onze zienswijze van 26 augustus jl. hebben wij - onder het kopje 'retrospectieve toets' - vermeld dat vanwege het ontbreken van een volledig en gedegen onderbouwd inzicht, wij in de planfase van het ontwerp, niet kunnen beoordelen of de bestemmingstoedeling en omvang van onder meer niet-agrarische bestemmingen, provinciale belangen schaadt. Wij hebben daarom gevraagd dit aan te vullen.

Verder zijn wij meer specifiek ingegaan op deze locatie in relatie tot het thema 'niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen'. Wij hebben daarin opgemerkt dat in de plantoelichting een verantwoording, op grond van artikel 11.6 lid 3 Vr, ontbreekt over de vergroting van het bestemmingsvlak voor dit bedrijf. Voorts hebben wij in onze zienswijze van 26 augustus jl. - onder het kopje 'Thema Bevordering van ruimtelijke kwaliteit' - onder meer vermeld dat “de principes van zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap in zijn algemeenheid in het bestemmingsplan niet als uitgangspunt zijn betrokken bij de in het plan opgenomen ruimtelijke ontwikkelingen ten aanzien van agrarische en niet-agrarische functies”. Verder hebben wij aangegeven dat “het feit dat het een LOG betreft niet betekent, dat geen uitvoering moet worden gegeven aan kwaliteitsverbetering van het landschap”.

In de Nota van Zienswijzen is ten aanzien onderhavig adres aangegeven dat in het verleden geen bouwvergunning is verleend voor een tweede agrarische bedrijfswoning zodat deze niet wordt opgenomen op de verbeelding.

Hoofdstuk 11 Vr - wonen
Dit hoofdstuk van de Vr bevat regels voor wonen buiten bestaand stedelijk gebied. Een bestemmingsplan dient regels te stellen ter voorkoming van nieuwbouw van woningen waaronder bedrijfswoningen. Artikel 11.1 lid 2 regelt dat de nieuwbouw van een eerste agrarische bedrijfswoning onder voorwaarden is toegelaten bij een bedrijf dat op grond van de Vr is toegelaten. Aldus is een tweede agrarische bedrijfswoning uitgesloten. Wij hebben geconstateerd dat volgens het concept van de vastgestelde verbeelding, twee wooneenheden zijn toegelaten. Indien dit ook in het definitieve vastgestelde plan het geval is, bestaat er zowel strijdigheid met het besluit van de gemeenteraad als met artikel 11.1 lid 2 Vr. Een eventueel nog in het authentieke vastgestelde plan opgenomen aanduiding treedt op grond van deze aanwijzing daarom niet in werking.

Hoofdstuk 11 Vr - niet-agrarische bedrijvigheid
Het bestemmingsvlak voor het fouragebedrijf is samengesteld uit een vigerend agrarisch bouwblok (0,5ha) en een bestemmingsvlak voor een agrarisch toeleveringsbedrijf (1,2 ha). Beide vigerende bestemmingen zijn in voorliggend plan samengevoegd tot één bestemmingsvlak voor het fouragebedrijf. Daarbij is de omvang uitgebreid naar 2,1 hectare.

Hoofdstuk 11 van de Vr bevat regels voor niet-agrarische bedrijvigheid in artikel 11.6 en verder. Artikel 11.6 bevat een basisregeling, artikelen 11.7 en verder bevatten aanvullende c.q. afwijkende mogelijkheden voor specifieke activiteiten. Een fouragebedrijf valt onder de basisregeling van artikel 11.6 Vr.

Artikel 11.6 bevat regels voor zgn. VAB-vestiging. Nieuwvestiging is op grond van lid 1 niet mogelijk in een landbouwontwikkelingsgebied. Op grond van lid 3 echter kan een plan wel voorzien in een bestemmingsregeling voor bestaande bedrijven, waarbij die regeling ruimte kan bieden aan een 'redelijke uitbreiding'.
In artikel 11.6, lid 3 wordt een verantwoording (met inhoudsvereisten) voorgeschreven in de plantoelichting, om deze redelijke uitbreiding te (kunnen) onderbouwen.

Wij constateren dat een dergelijke verantwoording voor in dit geval de uitbreiding van 1,2 naar 2,1 hectare ontbreekt. In de retrospectieve toets is onder meer opgenomen dat in het bestemmingsplan uitvoering is gegeven aan het bedrijfsplan waarbij een eindsituatie is opgenomen. Wij zijn er evenwel op voorhand niet van overtuigd dat zonder een dergelijke onderbouwing gesproken kan worden van een 'redelijke' uitbreiding. Met name ontbreken onzes inziens aspecten van de verantwoording ten aanzien van de onderdelen zoals genoemd in artikel 3.8, lid 4 van de Vr. Het gaat daarbij om zaken als invulling van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn die noodzaken tot uitbreiding ter plaatse en het ontbreken van financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden om het bedrijf te verplaatsen. Voorts behoort een dergelijke verantwoording uitkomst te bieden of de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de in artikel 2.1 Vr vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. Ook dient de inrichting van het bestemmingsvlak een gunstige verhouding tussen bruto en netto ruimtebeslag te bevorderen en behoort er sprake te zijn van een bebouwingspercentage en bouwhoogte welke passend zijn bij de aard van de omgeving en de beoogde ontwikkeling.

Nu er naar aanleiding van onze zienswijze geen andersluidende informatie naar voren is gebracht, constateren wij verder dat dit bestemmingsplan de planologisch-juridische procedure vormt voor het vastleggen van deze nieuwe ruimtelijke ontwikkeling.

Om deze redenen is de bestemming “Bedrijf”, strijdig met de Vr artikel 11.6 lid 3, leden a t/m d.

Hoofdstuk 2 Vr
Op grond van artikel 2.2 Vr dient elke ruimtelijke ontwikkeling gepaard te gaan met een aantoonbare en uitvoerbare verbetering van de aanwezige en potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in hoofdlijnen heeft beschreven.

Aangezien met de hiervoor beschreven wijze van uitbreiding van het bestemmingsvlak sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en bij de vaststelling niet is voorzien in kwaliteitsverbetering als bedoeld in artikel 2.2 Vr is er op dit punt sprake van strijd met de Vr.