direct naar inhoud van Besluittekst
Plan: Reactieve aanwijzing tav Buitengebied 2014 Uden
Status: vastgesteld
Plantype: reactieve aanwijzing
IMRO-idn: NL.IMRO.9930.ra0856bgUden-va01

Besluittekst

Hoofdstuk 1 Inleidende overwegingen

1.1. Raadsbesluit

Op 27 februari 2014 hebben wij het besluit van 20 februari 2014 met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied 2014 met de daarbij behorende Nota van zienswijzen en andere bijlagen ontvangen.

1.2. Reactieve aanwijzing

Gelet op de provinciale belangen die in het geding zijn, vinden wij het noodzakelijk overeenkomstig artikel 3.8 lid 6 Wet ruimtelijke ordening een aanwijzing te geven tegen dit plan. De aan dit besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die ons beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan ons toekomende bevoegdheden te beschermen, geven wij hieronder weer.

Dit aanwijzingsbesluit strekt ertoe dat het onderdeel van het bestemmingsplan waartegen van onze zijde bezwaren bestaan geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Ons besluit treedt op het moment van de bekendmaking in werking. Zodra ons aanwijzingsbesluit onherroepelijk is geworden, vervalt het vaststellingsbesluit voor dat onderdeel van het bestemmingsplan.

1.3. Inzet aanwijzingsbevoegdheid

Conform het bepaalde in de wet is een afweging vereist waarom het provinciaal belang niet met de inzet van andere aan ons toekomende instrumenten is beschermd.

In dit verband heeft de provincie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 vast gelegd in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening. De te beschermen provinciale ruimtelijke belangen zijn vastgelegd in de Verordening ruimte. Ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan vormde de Verordening ruimte 2012 het provinciaal toetsingskader voor ruimtelijke plannen. Inmiddels is de Verordening ruimte 2014 in werking getreden. Voor de inhoudelijke afweging of er provinciale belangen in het geding zijn, baseren wij ons op de Verordening ruimte 2012 (hierna: Vr). Daarnaast is bezien of toetsing van het bestemmingsplan aan de inmiddels in werking getreden Verordening ruimte 2014 tot een ander oordeel zou leiden.

Voor de inhoudelijke afweging of er provinciale belangen in het geding zijn, baseren wij ons op de Vr zoals deze gold op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan.

Daarbij zien wij de 'reactieve aanwijzing' als een slagvaardig en effectief middel om inwerkingtreding van een bestemmingsplan(onderdeel) tegen te houden wegens strijdigheid met een of meer regels van de Vr.

Wij achten ons bevoegd om, indien het provinciaal belang dat vergt, de reactieve aanwijzing in te zetten voor die zaken die in de Vr zijn beschreven.

Wij vinden het ook van belang dat bij het gebruik van dit instrument voor een ieder via www.ruimtelijkeplannen.nl direct kenbaar is waar plandelen niet in werking zijn getreden en welke overwegingen daarbij een rol spelen. Hier komt nog bij, dat wij de reactieve aanwijzing een aanmerkelijk doelmatiger en efficiënter instrument vinden dan de inzet van beroep en het in voorkomende gevallen vragen van een voorlopige voorziening, met name waar het om wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden in het bestemmingsplan betreft, zoals zich ook in deze aanwijzing voordoet.

De provinciale belangen zijn ook specifiek voor dit bestemmingsplan uiteengezet en kenbaar gemaakt. Wij hebben een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend bij brief van 25 juni 2013, kenmerk C2119638/3426131. Vooruitlopend hierop heeft onze directie Ruimtelijke Ontwikkeling en Handhaving (ROH) bij brief van 11 september 2012, kenmerk C2076254/3273027, een vooroverlegreactie uitgebracht over het voorontwerp voor dit bestemmingsplan.

Gelet op het voorgaande zijn wij van mening dat de inzet van andere aan ons toekomende bevoegdheden in dit geval niet mogelijk was en dat de in het geding zijnde provinciale belangen genoegzaam bij de gemeenteraad bekend zijn.

Ons is gebleken dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan (op onderdelen) desondanks onvoldoende rekening is gehouden met provinciale belangen. Bij een ongewijzigde inwerkingtreding van het bestemmingsplan zullen deze belangen worden geschaad. 

1.4. Termijn reactieve aanwijzing

De reactieve aanwijzing is gericht tegen het vastgestelde bestemmingsplan. Voor het beoordelen van dit plan, het juist formuleren van de aanwijzingen en het correct digitaliseren van de reactieve aanwijzing dienen wij te kunnen beschikking over de digitale versie van het vastgestelde plan. Uit jurisprudentie hierover volgt dat wij ook na de wettelijke termijn van zes weken na het raadsbesluit nog een reactieve aanwijzing mogen geven, indien het digitale plan niet onverwijld na vaststelling van het plan aan ons ter beschikking wordt gesteld.

Overigens geldt dit ook indien er na het ter beschikking komen van het authentieke plan op www.ruimtelijkeplannen.nl vanuit het provinciaal belang gezien relevante verschillen in dat authentieke plan blijken te zitten ten opzichte van de bestanden die wij eerder hebben gehad.

Dit kan er dan toe leiden dat er alsnog een aanwijzing of een aanvulling daarop volgt.

Wij hebben de gemeente hiervan op de hoogte gesteld bij mail van xxxxx. Vervolgens hebben wij op xxxx een brief verzonden met nogmaals het verzoek om zo snel mogelijk het digitale plan aan te leveren.

Desondanks hebben wij geen bestanden ontvangen/ De gemeente heeft ons laten weten deze bestanden niet ter beschikking te stellen. Eerst nadat de gemeente het plan op www.ruimtelijkeplannen.nl heeft aangeboden, hebben wij de beschikking gekregen over de digitale bestanden voor dit plan.

of

Wij hebben op xxxxx de beschikking gekregen over digitale bestanden van het plan.

Gelet op de omvang en complexiteit van het plan betekent dit dat het niet haalbaar was om binnen de wettelijke termijn tot vaststelling van de reactieve aanwijzing over te gaan.

of

Nu de bestanden pas aan het einde van de termijn van zes weken/na zes weken aan ons ter beschikking zijn gekomen konden wij niet binnen de wettelijke termijn tot vaststelling van de reactieve aanwijzing overgaan.

Het besluit omtrent de aanwijzing hebben wij vervolgens zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk genomen.

1.5. Leeswijzer voor de (analoge) tekst

Deze reactieve aanwijzing is geen gewoon besluit, het is namelijk ook een digitaal plan. Dit heeft gevolgen voor de opzet van de tekst, omdat er vanuit wordt gegaan dat raadpleging plaats vindt via klikken op een locatie op de kaart, waarna de voor die locatie relevante informatie wordt getoond. De tekst is daarom zodanig ingericht, dat elke aanwijzing later gekoppeld kan worden aan dat onderdeel van de (digitale) kaart waarop dit betrekking heeft. Hierdoor komen in de analoge tekst overwegingen regelmatig terug. Wij beschouwen dit als een nadeel dat niet opweegt tegen de voordelen van een goede digitale ontsluiting van de juiste informatie per locatie.

Het karakter van digitaal plan heeft nog andere gevolgen voor de tekst. Net als in een bestemmingsplan is er geen apart onderdeel met alle aanwijzingen op een rij (in juridische termen: dictum) opgenomen. In feite fungeert elke aanwijzing op zich als een stukje besluittekst/dictum, dat gevolgd wordt door de motivering voor die specifieke locatie of regel.
De vaststelling van deze reactieve aanwijzing is opgenomen in een apart vaststellingsbesluit dat ook te raadplegen is via www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 Aanwijzing(-en) t.a.v. de regels

2.1. Artikel 3 Agrarisch

2.1.1 Aanwijzing t.a.v. wijziging naar Wonen met de aanduiding Specifieke vorm van wonen - vab
  • lid 3.7.9 treedt niet in werking.
2.1.2 Motivering

Artikel 3.7.9 maakt het mogelijk om na bedrijfsbeëindiging het agrarisch bouwvlak te laten vervallen en te wijzigen in de bestemming 'Wonen' met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – vab'. Aan deze wijziging is niet de voorwaarden verbonden dat overtollige bebouwing moet worden gesloopt. Dat is strijdig met artikel 11.1, lid 3, onder b, van de Verordening ruimte 2012 waarin is bepaald dat een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits onder meer is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. In dit verband verwijzen wij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ten aanzien van de reactieve aanwijzing met betrekking tot het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Oisterwijk van 14 augustus 2013, nummer 201109447/1/R3. Bovendien constateren wij dat de artikelen 3.7.10 en 3.7.14 voorzien in een adequate regeling om bij bedrijfsbeëindiging het agrarisch bouwvlak te wijzigen in een bestemming 'Wonen' of een andere niet-agrarische funktie.

2.2. Artikel 4 Agrarisch met waarden - landschapswaarden

2.2.1 Aanwijzing t.a.v. wijziging naar Wonen met de aanduiding Specifieke vorm van wonen - vab
  • lid 4.7.9 treedt niet in werking
2.2.2 Motivering

Artikel 4.7.9 maakt het mogelijk om na bedrijfsbeëindiging het agrarisch bouwvlak te laten vervallen en te wijzigen in de bestemming 'Wonen' met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – vab'. Aan deze wijziging is niet de voorwaarden verbonden dat overtollige bebouwing moet worden gesloopt. Dat is strijdig met artikel 11.1, lid 3, onder b, van de Verordening ruimte 2012 waarin is bepaald dat een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits onder meer is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. In dit verband verwijzen wij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ten aanzien van de reactieve aanwijzing met betrekking tot het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Oisterwijk van 14 augustus 2013, nummer 201109447/1/R3. Bovendien constateren wij dat de artikelen 4.7.10 en 4.7.14 voorzien in een adequate regeling om bij bedrijfsbeëindiging het agrarisch bouwvlak te wijzigen in een bestemming 'Wonen' of een andere niet-agrarische funktie.

2.3. Artikel 5 Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden

2.3.1 Aanwijzing t.a.v. wijziging naar Wonen met de aanduiding Specifieke vorm van wonen - vab
  • lid 5.7.8 treedt niet in werking
2.3.2 Motivering

Artikel 5.7.8 maakt het mogelijk om na bedrijfsbeëindiging het agrarisch bouwvlak te laten vervallen en te wijzigen in de bestemming 'Wonen' met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – vab'. Aan deze wijziging is niet de voorwaarden verbonden dat overtollige bebouwing moet worden gesloopt. Dat is strijdig met artikel 11.1, lid 3, onder b, van de Verordening ruimte 2012 waarin is bepaald dat een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits onder meer is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. In dit verband verwijzen wij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ten aanzien van de reactieve aanwijzing met betrekking tot het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Oisterwijk van 14 augustus 2013, nummer 201109447/1/R3. Bovendien constateren wij dat de artikelen 5.7.9 en 5.7.13 voorzien in een adequate regeling om bij bedrijfsbeëindiging het agrarisch bouwvlak te wijzigen in een bestemming 'Wonen' of een andere niet-agrarische funktie.

2.4. Artikel 11 Gemengd

2.4.1 Aanwijzing t.a.v. wijziging naar Wonen met de aanduiding Specifieke vorm van wonen - vab
  • lid 11.7.2 treedt niet in werking
2.4.2 Motivering

Artikel 11.7.2 maakt het mogelijk om na bedrijfsbeëindiging het agrarisch bouwvlak te laten vervallen en te wijzigen in de bestemming 'Wonen' met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – vab'. Aan deze wijziging is niet de voorwaarden verbonden dat overtollige bebouwing moet worden gesloopt. Dat is strijdig met artikel 11.1, lid 3, onder b, van de Verordening ruimte 2012 waarin is bepaald dat een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits onder meer is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt. In dit verband verwijzen wij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ten aanzien van de reactieve aanwijzing met betrekking tot het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Oisterwijk van 14 augustus 2013, nummer 201109447/1/R3. Bovendien constateren wij dat de artikelen 11.7.3 en 11.7.4 voorzien in een adequate regeling om bij bedrijfsbeëindiging het agrarisch bouwvlak te wijzigen in een bestemming 'Wonen' of een andere niet-agrarische funktie.